`You're doing fine'

Op een internationale school in Amsterdam krijgen kinderen van expats ook Nederlandse les. `Maar Engels gaat voor.'

EEN DRUILIGE ochtend in Amsterdam. In het oude schoolgebouw aan de Wodanstraat hangen slungelige tieners uit alle windstreken rond in het trappenhuis. Als bezoekers willen passeren schuiven ze gewillig een eindje op, `I'm sorry' mompelend. Op de begane grond verraden kapstokjes met Bob-the-Builder mutsen en prinsessen-roze jasjes dat er op deze school ook kleintjes zitten. De secretaresse ontvangt bezoekers in het Engels en presenteert thee met een pakje koffiemelk ernaast. `I'm sorry', zegt een meisje van een jaar of acht als ze door de deur naar buiten wil glippen, naar het schoolplein. Hier wordt de laatste hand gelegd aan de plaatsing van nieuwe speeltoestellen voor de `grand opening' door Lidie Cohen op 26 november. Dit is de Amsterdam International Community School (AICS).

De AICS is een internationale school, bestemd voor kinderen van expats, ouders die voor hun werk de wereld rondreizen, ofwel in jargon: de `international mobile community'. Vorig jaar ging de school van start met 16 leerlingen. Dit schooljaar zijn er al 101. De AICS is nu de negende openbare internationale school in Nederland. Daarnaast zijn er nog een aantal particuliere internationale scholen.

De openbare internationale scholen krijgen financiering van de overheid (op voorwaarde dat ze nauw samenwerken met reguliere scholen, zoals in het geval van het AICS het Berlage Lyceum en de Europaschool). In de `reception class' van de AICS, voor kinderen van vier jaar, hangt een Koreaanse klederdracht voor het bord. `Friend of the week' staat eronder. Deze week is dat Da Hyun Ahn. Er hangt een collage van baby- en peuterfoto's van dit lachende Koreaanse meisje. Overal in de klas hangen blaadjes met Engelse woorden. De kinderen leren hier ervaringsgericht, volgens de filosofie van Howard Gardner, die er van uitgaat dat de meervoudige begaafdheid van kinderen moet worden aangesproken in het onderwijs. De kleuters hebben taartglazuur gemaakt en mochten tijdens dat proces in woorden beschrijven wat ze voelen. Alle woorden staan op een groot vel papier: `fluffy', `hard', `smooth'.

De voertaal op de internationale school is Engels. De leerlingen krijgen ook Nederlandse les. ``Maar dan moet je wel voldoende Engels spreken'', benadrukt directeur en docent geschiedenis Boris Prickarts. ``Engels gaat voor. Wie moeite heeft met Engels krijgt extra Engelse lessen. Dat geldt voor alle leerlingen.''

Omdat kinderen van expats gedurende hun schoolcarrière nogal eens verhuizen, is het voor hen belangrijk dat de internationale scholen die zij bezoeken hetzelfde programma bieden. De negen openbare internationale scholen in Nederland hanteren daarom internationale lesprogramma's die algemeen geaccepteerd zijn. Voor de leerlingen van 16 tot en met 18 jaar gaat het om het International Baccalaureat Diploma Programme, een soort tweejarig vwo. Met dat laatste wil de AICS volgend jaar van start gaan, als er voldoende vraag is. Een onlangs aangenomen motie van D66-Kamerlid Ursie Lambrechts maakt het mogelijk dat in de toekomst ook reguliere vwo-scholen dit Engelstalige programma kunnen gaan aanbieden.

In de curricula is aandacht voor talen, rekenen en wiskunde, natuurwetenschappen, techniek, sociale wetenschappen en kunst. Maar ze vormen geen keurslijf. ``Integendeel'', zegt Prickarts over het Middle Years Programme. ``Er is veel ruimte voor een eigen invulling. De omschreven doelen zijn namelijk erg vaag. Voor mijn vak geschiedenis bijvoorbeeld zijn dat `kennis en begrip' en `toepassen van vaardigheden'. Het is aan de school om dat inhoud te geven. Wij kiezen ervoor alles zo internationaal mogelijk aan te pakken. Momenteel hebben we het over Thomas More's Utopia. De opdracht daarbij is: onderzoek hoe mensen hun eigen Utopia proberen te creëren in je eigen land en je gastland. Zo'n project is vakoverstijgend. Ik beoordeel het op geschiedkundige aspecten, maar het wordt ook op Engelse taalvaardigheid beoordeeld.''

In de aula van het gebouw oefent juf Kim Cheffy met haar leerlingen het liedje van K3 dat ze hebben ingestudeerd voor de feestelijke opening. ``Ik ben een klein geel visje in een zee van blauhauw'', zingen Mira en Erika met ijle stemmetjes. Vanuit hun ooghoeken zoeken ze bevestiging bij juf Kim, die hen bemoedigend toeknikt. ``You're doing fine.'' Mira is zeven jaar. Ze komt uit India en woont al zes jaar in Nederland. Van K3 heeft ze nog nooit gehoord. Erika heeft dat wel. Ze is fan, vertelt ze, tot verrassing van juf Kim. Erika is ook zeven. Ze komt uit Japan. En ja, Nederlands vindt ze wel moeilijk. Maar met Engels heeft ze geen moeite. In één adem somt ze haar hobby's op: `swimming, football, art'.

Juf Kim Cheffy, zoals vele docenten op de internationale school van origine Engels en door de liefde naar Nederland gevoerd, heeft zeven leerlingen van zeven en acht jaar in haar klas. Naast Erika uit Japan en Mira uit India heeft ze nog kinderen uit Rusland, Pakistan, Hongarije en Zuid-Korea. Ieder met een eigen achtergrond, een eigen niveau. Sommigen wonen al een paar jaar in Nederland, anderen zijn hier nog maar net. Op de vraag hoe Cheffy omgaat met al deze verschillen in haar klas, antwoordt ze: ``Dat kan maar op één manier. Door het onderwijs aan te passen aan de kinderen. Niet andersom.''