Wie niet bang is, moet ingrijpen bij geweld

`Sla dan! Sla dan!'' Het is half drie in de nacht van vrijdag op zaterdag. In het uitgaanscentrum van Utrecht dringt een groepje vechtlustige jongemannen zich op aan een zwarte jongen van een jaar of twintig in een spijkerjack. Ik loop aan de overkant van de weg. Voordat ik het groepje gepasseerd ben, stuiven ze met zijn vieren de straat op. Drie slungels in jeans, begin twintig vermoed ik, trappen en slaan in op de zwarte jongen, die een kop kleiner is. Hij haalt een paar keer stevig uit en raakt één van zijn belagers vol op de mond.

Plotseling springt een grote vent met een hagelwitte trui tussen de vechtende kluwen in. ,,Nu is het wel genoeg geweest'', zegt hij, ,,drie tegen één, kunnen jullie wel?'' Ik val hem onmiddellijk bij: ,,Kom op, ophouden!'' Ik stap de weg op en sla een arm om de schouders van de zwarte jongen heen. ,,We gaan'', probeer ik. Hij laat zich mee voeren. Even later deinzen we terug, vanwege een laffe aanval van achteren. De jongen die de voltreffer op zijn mond heeft moeten incasseren, spuugt met kracht bloed en speeksel in onze richting.

,,Mietje!'', roept één van de slungels ons na. ,,Kut-neger!'' Mijn beschermeling draait zich als gestoken om; dát laat hij zich kennelijk niet zeggen. ,,Tegen racisten kun je niet vechten, dat win je nooit'', zeg ik. ,,Ga er maar van uit dat zij dom zijn. Jij bent een stuk slimmer als je nu doorloopt.'' Ik ben blij dat ik hem zonder kleerscheuren uit deze bloeddorstige vechttroep heb kunnen redden. De nacht sluit zich alweer om ons heen. Honderd meter verderop staat zijn fiets. ,,Ga asjeblieft naar huis'', smeek ik.

Hij krijgt geen kans om te antwoorden, want uit het donker maakt zich een slungel op sneakers los. Hij springt met zijn knieën in de rug van de zwarte jongen, die bijna dubbel knakt. De opgefokte slungel valt na die Bruce Lee-achtige sprong voluit achterover. Dronken? De zwarte jongen laat zijn vijand rustig opstaan. Maar dan komt er een glimmend zilveren voorwerp uit zijn rechter jaszak. ,,Ik ga je stééééken'', zegt hij met een Surinaamse tongval. Ik weet niet waar ik de moed vandaan haal, maar ik storm op hem af, pak hem bij beide schouders en schreeuw tegen hem: ,,Nee! Daar krijg je last mee, daar krijg je zelf véél meer last mee dan de jongen die je steekt. Kom op, meelopen, mes weg.''

Pas later, als ik thuis zit na te trillen, word ik me bewust van mijn eigen verbazing over de gedweeheid waarmee de jongen zijn mes inklapte en terugstopte in zijn zak.

Grijp niet in maar bel de politie, onthoud wat er gebeurt, maak lawaai, betrek omstanders erbij – de tv-spotjes tegen zinloos geweld trekken voorbij als ik veilig thuis zit. Ik had een mobieltje in mijn zak, maar geen haar op mijn hoofd dacht eraan de politie te bellen. Omstanders deden dat trouwens ook niet, ze liepen snel door of gingen op een flinke afstand staan kijken, in plaats van lawaai te maken of op de belagers in te praten.

Ik ben eigenlijk aardig weggekomen, bedenk ik me. Dit had erg fout kunnen aflopen. Waarom doe ik zoiets? Ik houd mezelf een nobele versie voor: drie tegen één, daar komt alles in mij tegen in opstand. Maar wie wáren die jongens? Wat was er voorgevallen? Ik handel op zo'n moment kennelijk intuïtief, schat de situatie vliegensvlug in, taxeer mijn eigen mogelijkheden en probeer simpelweg het evenwicht te veranderen door me aan de zwakste zijde te scharen. Als je bang bent, moet je je leven niet op het spel zetten; maar als je niet bang bent, moet je ook niet aan de kant blijven staan, besloot ik kennelijk in een flits.

Publicist