Morgen kan het weer helemaal goed zijn

Dood gaan we allemaal. Maar hoe? En bereiden we ons erop voor? Een serie gesprekken met mensen die weten dat ze geen jaren meer te leven hebben. Deze week: ex-gedetineerde en ex-verslaafde Dirk Ruijmgaart.

Dirk Ruijmgaart (49) zat in Engeland in de gevangenis toen hij last kreeg van zijn keel. Hij had het gevoel alsof er een kippenbotje in was blijven steken. Het was december 2002. In juni 2003 werd hij naar het ziekenhuis gebracht, met handboeien om en aan beide zijden een bewaker. Tot die tijd was hij behandeld met Strepsils. Na het onderzoek namen de artsen hem apart in een kamertje. ,,Ze zeiden: slecht nieuws, het is kanker, wil je koffie?''

Hij werd geopereerd, een deel van de tumor kon worden weggehaald, de rest werd bestraald. De behandeling duurde tot november 2003. De maand daarna kwam hij vrij. Zijn strottenhoofd was kapot, en ook de huid aan de binnenkant van zijn mond. Een deel van zijn tanden viel uit. Het klepje dat bij het slikken de luchtpijp moet afsluiten kon niet meer goed dicht. Dirk Ruijmgaart lag na de bestraling al vier keer in het ziekenhuis met een abces in zijn longen. In januari 2004 werd er in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis in Amsterdam een opening in zijn buik gemaakt. Hij dient zichzelf nu voeding toe door een slangetje naar zijn maag.

Sinds juni woont hij in de Marnixstraat, in het centrum van Amsterdam. Een eenkamerwoning van vijf bij zes, met een douche en een keuken. Een gasstel heeft hij niet, en ook geen koelkast. Van zijn bijstandsuitkering van 513 euro per maand – min 175 euro voor de huur – heeft hij die nog niet kunnen kopen. Een kachel heeft hij wel, gekregen van een armeninstelling. Daar kreeg hij ook wat kopjes en glazen van, en lakens. Een van zijn dochters had nog een vouwbed voor hem te leen. Daar ligt hij nu op, verbonden met de fles vloeibare voeding die naast hem staat. Af en toe maakt hij de slang los en doet hij er morfine in. Hij mag 125 milliliter per dag.

Is hij bang om dood te gaan?

,,Nee, het kan me niks schelen.''

Wat stelt hij zich erbij voor?

,,Helemaal niks. Gooi mij maar in de vullisbak.''

Biefstuk

Zijn ex-vrouw, Janny, doet zijn was. Ze neemt ook shag voor hem mee. Ze gaat af en toe met hem naar buiten. En ze kookt een keer per week voor hem, dan kan hij oefenen met normaal eten. Ze zorgt voor hem, zegt ze, omdat ze medelijden met hem heeft. ,,Wie doet het anders?'' En zolang ze voor hem zorgt, zegt ze, hoeft ze van de sociale dienst geen vrijwilligerswerk te doen. Ze heeft ook een bijstandsuitkering.

Janny – ze wil niet met haar achternaam in de krant – zit erbij als Dirk Ruijmgaart vertelt over zijn leven en het naderende einde daarvan, twee gesprekken lang. Ze zegt: ,,Ik zal het onthouden'' als hij vertelt dat hij ziek is van de biefstuk die ze twee dagen eerder voor hem klaarmaakte. Of: ,,Oh, is-ie niet goed?'' als hij vertelt dat hij veertig keer heen en weer moet met de stofzuiger die zij voor hem gekocht heeft.

Later, bij haar thuis, zegt Janny dat het haar nog steeds verbaast hoe weinig haar ex-man vertelt over wat hij met zijn manier van leven heeft aangericht bij haar en hun twee dochters. ,,Ik hoor altijd alleen wat hij zelf heeft meegemaakt en zelf heeft gevoeld.'' Maar zijn verhalen kloppen, zegt ze. ,,Met mij erbij durft hij niet te liegen.''

Dirk Ruijmgaart werd geboren in Amsterdam, als achtste van negen kinderen. ,,Ik was de verschoppeling.'' Zijn vader, stukadoor, sloeg hen allemaal, maar hem het meest en het hardst. ,,En dan ga je jezelf dingen aanleren'', zegt hij. ,,Je gaat jezelf verdedigen, pakken wat je pakken kan. Je gaat dingen doen die niet mogen.'' Op school was hij niet te hanteren, hij werd overal weggestuurd. De laatste school was een BLO, voor moeilijk lerende kinderen. Hij ging erheen met de tram, met om zijn nek een touw waaraan zijn tramkaart zat. Andere kinderen scholden hem uit. ,,BLO'tje, BLO'tje.'' Hij zegt dat hij bij een IQ-test, jaren later in de Jellinek Kliniek, een score had van 136 punten.

Op zijn veertiende werd hij naar een internaat gestuurd. Een strafgevangenis, zegt hij zelf. Twee zusjes en twee broertjes moesten er ook heen. Maar die spuugden onderweg de auto vol en bleven huilen tot hun ouders hen weer kwamen ophalen. ,,Ik was de enige die het moest volhouden.'' Acht uur per dag naar de werkplaats om te leren schilderen. In het weekend schoonmaken. Op een dag schold hij een leidster uit voor vieze vuile rooie teringhoer. ,,Ze zei dat ik mijn tanden moest poetsen. Maar ik had net vullingen gekregen, ik mocht mijn tanden niet poetsen. En toen wilde ze me dwingen.''

Hij moest voor straf buiten staan, in pyjama, zonder schoenen. Hij kreeg twee weken geen post en mocht niet meer telefoneren. Zijn vader kwam, ze gingen samen naar de directeur. ,,Mijn vader vroeg: wat heb je nou gezegd? Ik zei: vieze vuile rooie teringhoer. Hij gaf me een klap. Ik zei: toch was het een vieze vuile rooie teringhoer. Hij gaf me nog een klap, ik zei het weer, en toen ben ik weggerend.'' Het duurde drie dagen voordat hij werd gevonden. Hij moest drie maanden langer in het internaat blijven. ,,Daarna was ik gehard. Ik kon alles hebben.''

Dirk Ruijmgaart huilt. ,,Het is nog geen tiende van wat ik heb meegemaakt.'' Later in het gesprek zegt hij dat hij een van zijn belangrijkste herinneringen aan zijn jeugd nog is vergeten te vertellen. ,,Ik was vijf, ik kom 's middags thuis uit school, is het hele huis leeg. Waren mijn ouders verhuisd. Maar mij waren ze vergeten. 's Avonds om tien uur kwamen ze er pas achter. Ik heb de hele dag bij de buurvrouw gezeten.'' Een andere herinnering: hij kon goed voetballen en de hele buurt had dat tegen zijn vader gezegd. Maar die nam niet de moeite om te gaan kijken.

Op zijn zestiende ging hij op zichzelf wonen. Toen hij begin twintig was, leerde hij Janny kennen. Hij was hulpconciërge op een school in Amsterdam, zij was schoonmaakster. ,,Janny was ouder dan ik, ze had al dochter van tien en die was zwaar gehandicapt. Ik hoorde van haar dat het thuis niet zo goed ging met haar man. Ik ben bij haar op bezoek gegaan, en toen ben ik daar eigenlijk meteen blijven wonen. Mijn familie zei: wat ben je aan het doen? Maar ik was van Janny gaan houden, doordat ik zag hoeveel liefde ze aan dat kind gaf.''

Er waren ook goede jaren. Dirk Ruijmgaart werkte bij een van zijn broers in de glashandel. Hij verdiende duizenden guldens met spoedklussen, zegt hij, vooral als ze 's nachts moesten worden uitgevoerd. Hij verdiende zo veel dat hij op een dag elektrische scootertjes kon kopen voor zijn kinderen, achthonderd gulden per stuk. ,,We woonden bij de Apollolaan, al die rijkeluiskinderen waren jaloers. Mijn dochters hadden wat zij niet hadden.''

Achteraf, zegt hij, hadden ze hun geld beter apart kunnen leggen. ,,We waren naïef.'' Hij kijkt naar Janny. ,,Ik zeg met nadruk: wé waren naïef. Jij zegt wel dat ik altijd de dienst uitmaakte...''

Janny: ,,Dat deed je ook, met je dronken kop.''

Dirk: ,,Maar jij had het moeten doen. Jij had geld apart moeten leggen.''

Het drinken, zegt Janny, begon toen Dirk radiozendamateur werd. ,,Die hele ploeg van de 27 MC kwam bij ons en dan was het de hele nacht hijsen en praten.''

Dirk: ,,Dat kwam, ik was somber. Dat was het. Ik wou al dood toen ik tien was. Ik had het wel gezien.''

Janny: ,,En dan ging je naar de brug met een touw.''

Dirk: ,,Dat kwam, jullie zeiden dat ik het fout deed. Jij zei dat. En de kinderen zeiden het ook. En daar kwam bij, als jij vroeg waarom ik dronk, dan kwam ik altijd op Wimpie, dat die dood was en dat die...'' Hij huilt weer. Wim was een broer van hem. Die viel van het dak toen Dirk zeventien was.

Janny: ,,Het werd erger en erger.''

Dirk: ,,Ik was depressief. Alleen, ik wist dat toen niet. Dat komt er nu pas uit. Ik ging naar de huisarts, die gaf me librium. Verder was er geen aandacht voor.''

Janny: ,,Een keer nam hij zoveel librium in dat het hem bijna gelukt was. Ik belde de huisarts. Die zei: ik kan er niks aan doen. Als hij dood wil, doet hij het toch.''

Dirk: ,,Ik ben er niet bang voor hoor. Nu nog steeds niet. Eindelijk rust.'' Zonder overgang: ,,Als ik nu een pistool in mijn handen zou krijgen... Als ik zie wat ze met mijn broer hebben gedaan...''

Janny: ,,Hij bedoelt Gerry, die van de Tokkies die zo zwaar is mishandeld.'' Gerry Ruijmgaart is getrouwd met Hanna Tokkie, hij draagt haar naam. De Tokkies zijn bekend geworden doordat ze, na een paar gewelddadige burenruzies, uit hun huis werden gezet. Ze treden nu op televisie en in discotheken op als `asociale familie'.

Dirk: ,,Het is dat het gebeurd is toen ik in de gevangenis zat. Anders was ik er gelijk heen gegaan. En echt niet met een honkbalknuppel. Ik had ze allemaal doodgeschoten. Honderd procent zeker. Ga ik tien, vijftien jaar de bak in. Kan mij niks schelen. Zo erg als in Engeland is het hier toch niet.''

Bijl

Een jaar of tien geleden ging Dirk Ruijmgaart weg bij zijn vrouw en kinderen. ,,Ze hebben me het huis uitgebonjourd.'' Hij kreeg een bijstandsuitkering, zegt hij, nadat hij met een bijl naar het kantoor van de sociale dienst was gegaan.

Janny: ,,Ik vroeg ook een uitkering aan, en toen zeiden ze tegen me dat ze wel geschrokken waren van mijn ex-man. Ja, zei ik, wat denk je dat ik met hem heb meegemaakt.'' Ze kreeg een aangetekende brief thuis waarin stond dat haar ex-man zich niet meer zo mocht gedragen.

Dirk Ruijmgaart kreeg ook een huis, maar dat raakte hij kwijt doordat hij geen huur betaalde, en geen gas en licht. Hij was heroïne gaan gebruiken, ging zwerven, inbreken en begon xtc en cocaïne te smokkelen – naar Canada, de Verenigde Staten en Engeland.

Hij wordt vrolijk als hij vertelt over zijn geluk toen hij een keer op het vliegveld van Toronto overal werd gefouilleerd, behalve langs de buitenkant van zijn dijen. ,,Daar zaten vierduizend pillen in mijn broek genaaid.'' Hij gaat staan om te laten zien hoe lang zijn armen zijn. ,,Ze vergaten om ze even opzij te doen.''

Hij vertelt ook over de keer dat hij gearresteerd werd door de Amerikaanse politie omdat hij 's morgens vroeg op blote voeten over straat liep en zijn paspoort niet bij zich had. Na een dag in de cel was hij zo ziek dat ze hem naar het ziekenhuis brachten. ,,Toen ik moest poepen, wilden ze me zo'n ondersteek geven. Ik zei: laat maar, ik kan wel naar de wc.'' Niemand ontdekte dat zijn buik vol bolletjes zat.

Het liep mis toen hij, eind 2001, van Londen met de trein terugging naar Amsterdam en er bommeldingen waren geweest. Alle bagage werd gecontroleerd, bij hem werd cocaïne gevonden. ,,Een restpartijtje. Wie vervoert er nou cocaïne van Londen naar Amsterdam? Ik had het kunnen dumpen, maar dat vond ik zonde.''

Hij kwam terecht in de Middeleeuwen, zegt hij. Altijd met andere mannen in één cel. ,,Eentje stond zijn kruis te scheren in de wasbak. Een ander zat te poepen terwijl je at. Zulke negers liepen er rond. Maar ik was niet bang. Ik had in het internaat geleerd om te vechten. Ik dacht: ik zal het overleven, dat Engelse teringtuig. Ik heb geen zin om hier dood te gaan. Ik zei tegen die motherfuckers: ik kom uit Amsterdam, één telefoontje en mijn maten weten je te vinden.'' Als hij er nog de tijd voor krijgt, wil hij er een boek over schrijven.

Was hij toen depressief?

,,Nee. Ik werd alleen depressief toen ik bestraald werd en mijn nek helemaal stuk ging. Moest ik toch die gevangenistrui aan als ik naar het ziekenhuis ging. Die was stug, de boord schuurde langs de korsten. Liep ik daar, met die boeien om mijn handen, ook toen mijn straf al bijna voorbij was. Iedereen naar me kijken. En elke keer als ik terugkwam, gingen ze in mijn reet kijken, de klootzakken. Maar ik heb niet gehuild, nooit. Ik ging klagen bij de directeur, ik zei : bullshit. Moest ik drie dagen naar de strafcel. Waarom? Ik heb het opgezocht in de Oxford Dictionary, bullshit betekent gewoon onzin. En daar moet ik drie dagen voor in een strafcel zitten?''

In december 2003 was Dirk Ruijmgaart terug in Amsterdam, zonder geld, zonder verzekering. Hij trok bij zijn jongste broer in, maar ze kregen ruzie. ,,Hij is ook alcoholist, hij is ook bezig om zichzelf dood te drinken. Zette hij 's avonds de muziek keihard, zei ik: denk nou om je buren, straks word je het huis uitgezet, en ik erbij. Zei hij: bemoei je met je eigen zaken, en nou ga je eruit.'' Zo ging het vier keer.

Hij ging naar de sociale dienst. ,,Ik zei: ik heb gedetineerd gezeten, ik heb kanker, ik heb morfine nodig, een dak boven mijn hoofd. Zeiden ze doodleuk: kom over zes weken maar terug.'' Hij had de mazzel, zegt hij, dat de IKON net een documentaire maakte over zijn broer Gerry en Hanna Tokkie. De IKON kwam ook bij hem filmen. ,,Ik zei: ga mee naar de sociale dienst, kunnen jullie zien hoe er in Nederland met je wordt omgegaan.'' Binnen een dag had Dirk Ruijmgaart een uitkering en zat hij in het ziekenfonds.

Door de IKON, zegt hij, kreeg hij ook een warme ontvangst bij zijn terugkeer uit Engeland. ,,Mijn familie had `welkom thuis' op de straat geschilderd, overal hingen vlaggen. Het gaf een mooi plaatje voor de televisie. Maar toen de camera's weg waren, hoorde ik nooit meer wat van ze. Ik begrijp het wel, ze denken: Dirk is koelbloedig, Dirk is gehard, die kan wel wat hebben. Alleen, ik heb het ook wel eens moeilijk. Kijk, ik heb kanker, so what? Ik ga er onverschillig mee om. Maar ik ben nog niet dood. En ik zit hier maar. Die voeding, ik verdraag het niet goed. Feesten is er niet meer bij. Ik kan niet even op de tram springen. Eigenlijk ben ik op. En ik ben ook maar een mens. Hoe moet ik dat mijn familie duidelijk maken? Waarom komen ze niet langs?''

Janny: ,,Ze hebben het te druk.''

Dirk: ,,Dat zeg jij ook steeds. En de kinderen zeggen het ook. Bel ik mijn broer, zeg ik: bel jij mij nou eens. Zegt hij dat hij geen tijd heeft. Zeg ik: wat doe je nu dan? Nu praat je toch ook met me?''

Gasstelletje

Dirk Ruijmgaart is nog steeds, of weer, boos op de sociale dienst. Hij vroeg een lening voor de inrichting van zijn huis. Maar die kreeg hij niet. ,,Ik denk wel eens, als ik een handgranaat had, gooide ik die zo naar binnen. Ze kwamen hier kijken, met z'n tweeën, Janny was erbij. Ze zeiden oh en ah, dit kan zo niet. Ik kon ze na een paar weken bellen. Ik bel: is er een besluit genomen? Nee hoor, ik stond niet op de agenda. Stond ik godverdomme niet eens op de agenda! Je denkt: ze moeten altijd mij hebben. Altijd mij.''

Denkt hij er nog wel eens aan om er zelf een eind aan te maken?

,,Ja en nee. Als ik hier de hele dag in mijn uppie heb gezeten, aan dat apparaat vast, dan denk ik wel: wat doe ik hier nog? Maar ik wil geen mensen verdrietig maken. Mijn gezin bedoel ik. Ik heb een kleinzoon van een jaar, dat maakt het wel anders.''

Praat hij met Janny over doodgaan?

Janny: ,,Nee.''

Dirk: ,,Nee. Maar ik heb nu wel een polis.''

Janny: ,,Een polis?''

Dirk: ,,Een begrafenispolis.''

Janny: ,,Vroeger wou je zo graag dood. Of deed je pogingen. En nu... Dus eh... Ik denk... Kijk, ik denk, als je straks je gasstelletje hebt en je kunt weer gewoon eten...''

Dirk: ,,Ja, en dan heb ik mijn gasstelletje, en wat dan? Zit ik dan niet meer alleen of zo?''

Janny: ,,Je moet vooruit kijken.''

Dirk: ,,En wat zie ik dan?''

Janny: ,,Je was van plan om een aquarium te maken.''

Dirk: ,,Ja, ik wil een aquarium maken. Ik wil weer zelf gaan eten. Het mag niet van de dokters, maar ik doe het toch. Ik probeer uit de blubber te komen. Dus ik zeg tegen de sociale dienst: help me een handje. Maar nee hoor, die nazi's trappen je er alleen maar dieper in.''

Aan het eind van het gesprek valt er een brief op de deurmat. Hij is van Dirk Ruijmgaarts advocaat, er staat in dat de sociale dienst heeft besloten hem een lening van 2.716 euro te geven. Dirk Ruijmgaart haalt zijn schouders op. Hij zegt: ,,Waarschijnlijk moet ik er drie maanden op wachten. En ze zullen wel meteen beginnen met het inhouden van de aflossing.''

Mortuarium

Twee dagen later vertelt hij over de laatste keer dat hij in het ziekenhuis lag. In zijn longen zat een abces zo groot als een sinaasappel. ,,Ze zeiden: u bent echt heel erg ziek, we houden u minimaal zes weken. Ik dacht: wat kan ik dan nog? Maar na drie weken voelde ik me al veel beter. Ik kon weer heen en weer lopen. Ik dacht: nou wil ik hier weg, ik kan hier niet roken, ik kan hier niks.''

Janny: ,,Je kan daar alleen in een kamertje bij het mortuarium roken.''

Dirk: ,,Ik heb wel geklaagd over de behandeling daar. Kijk, ze steken daar een slang in je longen, je denkt dat je stikt, het doet pijn. Ze boren een gat in je buik, het raakt door hun schuld ontstoken, ze moeten een groter gat boren, ze helpen je gewoon de vernieling in. Dus ik zeg op een gegeven moment tegen die dokters daar: jullie zijn klootzakken, jullie zijn allemaal klootzakken, jij en jij en jij en jij, klootzakken zijn jullie. Jullie doen me pijn en waar leidt het toe? Tot niks. Ga hier zelf een keer liggen. Laat zelf een keer een gat in je buik boren.''

Wat zeiden de dokters?

,,Dat ik gelijk had. Kijk, ze weten ook wel, als ze me ongelijk geven, sla ik ze dwars door de bedden heen. Dus nu zeg ik: ik heb er de balen van. Het duurt mij te lang allemaal. Ik ga weer gewoon eten. Ik ga oefenen met slikken. Morgen kan het weer helemaal goed zijn met mij. Morgen kan ik weer honderd procent zijn. Die voeding door mijn buik, ik wil het niet meer. Komt het in mijn longen, dan komt het in mijn longen. Het zit al in mijn longen, want ik ben de hele tijd benauwd. Het kan mij niet schelen. Ik zie wel. Ik ben nergens bang voor.''