Magnifiek misverstand

De kroniek die betoogt dat de Friezen overlevenden zijn van Atlantis is in werkelijkheid een allegorie op de godsdienststrijd in het midden van de 19de eeuw.

HET IS EEN van de vreemdste verhalen uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Een dichter-dominee bedacht rond 1860 een hilarische parodie op het roemrijke verleden van de Friezen. En in dat verhaal verstopte hij een allegorie over de strijd tussen orthodoxe en vrijzinnige protestanten in zijn tijd. Leuk en toch leerzaam. Maar de grap van deze in pseudo-oud-Fries geschreven mystificatie mislukte volkomen.

Want na veel omwegen kwam het mysterieuze manuscript terecht bij een Friese classicus, J.G. Ottema, die er in 1870 binnen een paar dagen volkomen van overtuigd raakte dat dit `Oera Linda-boek' een authentiek handschrift is uit de dertiende eeuw, dat de inhoud werkelijk teruggaat op geschriften uit 2000 voor Christus. En daar ook niet meer van af te brengen is.

Literair spel werd toen bittere ernst. Niet werd er gelachen om de grappen, niet werd er nagedacht over de allegorie op de godsdienststrijd. Slechts gespeculeerd werd er over de onbekende vervalser en geruzied over de vraag òf het wel een vervalsing was. Zover was het uit de hand gelopen, dat de auteurs zich maar stil hielden. Als hun naam nu bekend zou worden, zou hun carrière flinke schade oplopen. Het was geen grap meer.

De ware identiteit van de auteurs is slechts nog met ingrijpend archief- en detectivewerk te achterhalen. En nog altijd bestaan er gelovigen. ``Ik ken iemand die het hele boek in het Westvlaams aan het vertalen is, om duidelijk te maken dat de Fransen weer Vlaams moeten gaan spreken'', vertelt Goffe Jensma op zijn werkkamer op de Fryske Akademy in Leeuwarden. ``Ik kreeg laatst een brief van iemand die schreef: als Troje inderdaad in Engeland ligt dan is het Oera Linda-boek ook waar.'' Jensma is cultuurhistoricus en verdiept zich in het bijzonder in de literatuur in Friesland in de negentiende eeuw. Aanstaande maandag promoveert hij aan de theologiefaculteit in Groningen op een grondige analyse van dit vreemde Oera Linda-boek. Het was een literaire mystificatie.

Jensma: ``Ik was geïntrigeerd geraakt door het raadsel. Wat kan dit voor tekst zijn? Waar refereert die tekst aan? Waarom maakt iemand maar liefst 190 bladzijden, waarom zoveel? Daar zit iets achter. Maar wat? Toen ik het manuscript, hier in het archief in Leeuwarden, daadwerkelijk ging lezen, was dat in eerste instantie vooral een verwarrende ervaring. Heb ik nu wel gelijk met mijn interpretatie, denk je voortdurend. Zou het toch niet anders kunnen? Het boek daagt dus enorm uit, zoals iedere onzintekst!''

En dus beet Jensma zich er in vast. Er lag duidelijk een taak. ``Want wat je ook gauw doorkrijgt, is dat anderen meestal slechts op gezag van anderen over het boek oordelen. Weinig mensen hebben het boek systematisch doorgeploegd. Het beslissende moment was dat ik zag dat je het boek in verband kan brengen met een van de belangrijkste discussies in het Nederland van de jaren 1860: het debat tussen het modernisme en de orthodoxie in het geloof.''

Die discussie ging over de vraag of je de bijbel als absolute waarheid of als historisch document moest beschouwen, en of je de ethische wetten ook door filosofie en innerlijke kracht kunt ontdekken. Jensma: ``De Friezen in het Oera Linda-boek staan voor de vrijzinnigen. Net als de modernisten belijden ze een vrij geloof dat voortkomt uit het godsdienstig gemoed van de mens zelf. Hun vijanden, de Finnen staan overduidelijk voor de `fijnen', de orthodoxen, die slaafs de autoriteiten en de gegeven wetten navolgen. Toen ik dat eenmaal zag kreeg de tekst ineens veel meer consistentie. De basis is die allegorische geschiedenis, die later omgewerkt is naar een soort familiekroniek van de familie Over de Linden. Dat zie je ook heel goed terug in de structuur. Het is werkelijk onvoorstelbaar dat dat er nooit eerder uitgehaald is.''

den helder

Jensma's dissertatie `De gemaskerde god' is een meeslepende reconstructie van de hele affaire, waarbij hij ook overtuigend de auteurs heeft geïdentificeerd. Het was een uit de hand gelopen literair experiment van de vrijzinnige dominee en dichter François HaverSchmidt (bekend van de Piet Paaltjens-gedichten), dat hij verder vormgaf in nauwe samenwerking met zijn vriend de Leeuwarder archivaris Eelco Verwijs en met de vrijdenker en scheepstimmerman Cornelis over de Linden uit Den Helder. HaverSchmidt had deze voorman van de Marinewerven toevallig leren kennen als lid van zijn kerkgemeente toen hij in Den Helder beroepen was. Jensma: ``Het had gewoon na wat verwarring bij de introductie als literatuur moeten zijn uitgegeven. Dan waren we de leukste delen hier en daar nog in bloemlezingen tegengekomen.''

Het is onvoorstelbaar dat mensen nog altijd, in navolging van de classicus Ottema (`Het Oera Linda-boek liegt niet'), kunnen geloven dat de Friezen de overlevenden waren van Atlantis (`oud land') en al vóór 2000 voor Chr. een enorm rijk bestuurden dat liep van Finland tot Griekenland. De Grieken hebben hun kennis van hén geleerd. Athene komt van het oud-Fries voor vriend (`Athe') en de god Neptunus is een verbastering van `Neef Teunis'. Zelfs de Inca's stammen af van de Friezen, via de zeeheld Inka die met onbekende bestemming naar het westen vaart. Ook Jezus (alias Boeddha, alias Krishna) leert zijn wijsheid van Friese zeelieden. De vrije Friezen danken hun inzicht aan de leer van hun oermoeder Frya die zij altijd bewaard hebben. De Friezen worden geregeerd door burchtmaagden, met die in de burcht op Texel (Den Burg) als belangrijkste. Een harde strijd wordt gevoerd met de Finnen en de Magyaren (`magiërs'), de dictatoriaal geregeerde nazaten van oermoeder Finda. En dat zou allemaal bewaard zijn gebleven dankzij een familiekroniek van de Friese familie Over de Linden (vandaar de naam Oera Linda) in wiens bezit het zogenaamd opdook in 1867, te Den Helder.

``Er schijnt zelfs een vrouwelijke secte te zijn in Singapore die wil leven zoals in het Oera Linda-boek is voorgeschreven aan de burchtmaagden. Geen idee hoeveel vrouwen dat zijn, hoor!'', verzucht Jensma. ``Er komen wel eens mensen langs, maar als ze horen dat ik niet geloof dat het boek authentiek is wordt het contact snel verbroken. Ik ben ook wel eens opgebeld vanuit een telefooncel door iemand die alleen maar kon uitbrengen: `het boek is toch waar!'.''

Het literaire experiment was definitief mislukt in 1876. Toen verscheen een invloedrijk boekje van de Kamper gymnasiumleraar J. Beckering Vinckers, waarin het Oera Linda-boek als knullige vervalsing werd weggezet. Daarmee werd het pleit beslecht, het boek werd nooit meer gezien als literatuur maar altijd als vervalsing – met daders in plaats van auteurs. De Deventer hoogleraar A.J. Vitringa, die tezelfdertijd het boek in een serie krantenartikelen nog had beschreven als een `anonieme historische roman', werd weggehoond. De `hoge heren' wezen het boek voortaan pertinent af, de gelovigen kwamen in de marge terecht, als suffe naïevelingen.

Met de Oera Linda-gelovige classicus Ottema liep het dan ook slecht af – hij verhing zich in 1879, 75 jaar oud. ``Het onbegrip voor zijn `geloof' tekende zijn leven'', aldus Jensma. ``Komedie is een misverstand dat aan het einde van het verhaal wordt opgelost, een tragedie is een misverstand waar mensen aan ten gronde gaan. En Ottema is echt ten onder gegaan. Hij is er continu mee bezig geweest, heeft een officiële uitgave en vertaling verzorgd en is zelfs begonnen met het maken van woordenlijsten en een grammatica van het zogenaamde oude Fries. Die lijsten zijn allemaal bewaard gebleven.''

`Wat heeft toch dit onschuldig boek gedaan', schreef Ottema zelf al in een brief uit 1875. ``In die open vraag klinkt de tragiek door van Ottema's eigen, uiteindelijk ook onschuldige leven'', luidt het commentaar van Jensma in `De gemaskerde god'. Ottema's fascinatie voor het Oera Linda-boek voert Jensma terug op diens voorliefde voor de fantastische geschiedschrijving en op diens onrust over de als te snel ervaren modernisering – een bekend verschijnsel onder de mensen die waren opgegroeid in de eerste helft van de negentiende eeuw. `Duizelingwekkend dwarrelt de wieling van uitvindingen, onverwachte gebeurtenissen en staatsschokken voor onze oogen voorbij, en gunt ons de tijd niet, om ergens eene rustigen blik op te werpen, of over iets bedaard na te denken', zo hield Ottema in 1852 zijn medeleden van het Fries Genootschap voor. `Verkwikkend is daarom voor het oog de verpoozing als het eenen blik mag slaan op vroegere dagen. Die voortijd (...) ligt zoo rustig en kalm daar voor voor ons en misleidt onze beschouwingen niet.'

Maar de `ontmaskering' in 1876 hinderde de publicitaire opmars van het Oera Linda-boek totaal niet, niet als onderwerp van debat en evenmin in de verspreiding van het `geloof'. Vooral in de jaren twintig laaide de discussie weer op, over de vraag wie toch deze `vervalsing' heeft gemaakt. En in de jaren dertig was er zelfs een nazi-geleerde en protégé van Heinrich Himmler, Herman Wirth, die het boek naar voren schoof als perfecte basis voor een reine Duitse cultuurpolitiek: `die älteste Urkunde germanischer Geisteshöhe'. Die opzet mislukte toen andere nazi's ontdekten dat het boek een stroom aan anti-Duitse spotternij bevatte. Duitsland wordt er beschreven als een arm en smerig land, waar de mannen te lui zijn om te werken. En de Duitsers konden niet eens schrijven, maar tekenden allerlei rare dieren op hun schilden, zoals een adelaar. En alleen de Friezen zouden de ware Germanen zijn. Dat moest dus wel een vervalsing zijn, vonden de nazi`s. Dankzij deze afwijzing bleef het Oera Linda-boek gevrijwaard van een nazi-geur en kon ook Wirth na de oorlog als `politiek slachtoffer van het Duitse Rijk' zelfs onbekommerd carrière maken in de volkscultuur, de Groene beweging èn de New Age beweging – met het Oera Linda-boek onder de arm. Wirth overleed in 1981.

echtheid

Wat een misverstand! ``Uit de tekst van het Oera Linda-boek blijkt overduidelijk dat het nooit de bedoeling kan zijn geweest dat het lang voor authentiek zou doorgaan'', vertelt Jensma. ``Het is een enorm manuscript, van 190 pagina`s, geschreven in een speciaal ontworpen schrift en in een pseudo-Oud-Fries. Daar zit heel veel werk in. Tegelijk zijn de kenmerken van echtheid nogal goedkoop. Het geheimschrift wordt in de tekst zelf uitgelegd, het papier is gewoon industrieel papier uit de negentiende eeuw, dat provisorisch bruin is gemaakt. Daar moet je doorheen kunnen kijken. De pseudo-taal, die ik OLBees noem is in feite verdraaid negentiende-eeuws Nederlands. En de inhoud is een uitvergroting van de fantastische Friese geschiedschrijving over de Friese oertijd.''

Jensma: ``Ik ben de eerste die de allegorie op de godsdienststrijd ontdekt heeft. De godsdienst van de Fryaskinderen komt zo uit het werk van de modernistische theoloog Johannes Henricus Scholten.''

De bewijzen voor de betrokkenheid van de scheepstimmerman Over de Linden en de archivaris Verwijs zijn overduidelijk. Beiden zijn al vroeg beschuldigd van kwade trouw, maar zekerheid was er nooit. Jensma heeft nu in bewaard gebleven geschriften van Over de Linden duidelijke parallellen aangetoond met de inhoud van het Oera Linda-boek. Hij duikelde een getuigenis op van een kleinzoon van Cornelis over de Linden, die door chronologische problemen nooit eerder serieus was genomen. Maar omdat Jensma op grond van de studie van het manuscript kan aantonen dat het Oera Linda-boek in verschillende fasen is ontstaan, klopt die getuigenis toch. Floris over de Linden vertelde later dat zijn opa die zomer dagenlang op grote vellen papier had zitten schrijven en dat er 's avond `geleerde doctors' kwamen aan wie de grootvader voorlas wat hij had geschreven. `Dan brulden ze van het lachen.'

De archivaris Eelco Verwijs is duidelijk betrokken omdat hij volkomen onbedoeld het manuscript beroepsmatig ter beoordeling kreeg voorgelegd – een van de meer komische wendingen in het verhaal. De Harlingse journalist Jan Frederik Jansen, die fragmenten van het boek had toegespeeld gekregen en daarover had moeten schrijven in zijn Friesche Courant, zag er namelijk weinig in en stuurde het volkomen onverwacht door naar de archivaris Verwijs, met wie hij nota bene ernstig gebrouilleerd was door polemieken over Verwijs' brute optreden als schoolopziener. Normaliter zou de scherpe onderzoeker Verwijs dit manuscript onmiddellijk als vervalsing hebben moeten ontmaskeren. Maar dat deed hij niet. Jarenlang hield hij zich op de vlakte en probeerde het ter beoordeling te slijten aan leden van het Fries Genootschap – met duidelijke trekken van ambtsmisbruik.

Die vertraging leidde waarschijnlijk ook tot de misverstanden rond het boek. Jensma: ``Veel van de verwijzingen verouderden. De taal was in feite een parodie op een spellingswijze van het Fries die al niet meer werd aangehangen toen het boek in 1872 eindelijk in het openbaar debat verscheen.''

In de speurtocht naar de auteurs was vervolgens het grote probleem dat de autodidact Over de Linden niet beschikte over de noodzakelijke eruditie en het literaire talent, terwijl Verwijs' literaire werk geen enkele overeenkomst vertoont met het Oera Linda-boek. Dan verschijnt dus François HaverSchmidt op het toneel. Niet alleen is deze goede vriend van Verwijs de enige waarschijnlijke connectie van de Leeuwardense archivaris met Den Helder, waar Over de Linden woont, in HaverSchmidts oeuvre heeft Jensma ook nog eens duidelijke parallellen gevonden met het Oera Linda-boek. ``Het bewijs tegen HaverSchmidt is het zwakst hoor'', geeft Jensma onmiddellijk toe. ``Ik heb tevergeefs gezocht naar een ondubbelzinnig briefje van hem. Maar alles wijst wel in zijn richting.'' Er is de Den Helder-connectie en HaverSchmidts vrijzinnige positie in de kerk van dat moment. Maar er is óók een `komisch epos' van zijn hand uit 1850, toen hij vijftien jaar oud was. Dat ging over de verdrinking van een nest jonge katten, maar had dezelfde structuur als het Oera Linda-boek: eerst een totaalbeeld van de kattensamenleving, met wetten en grappige etymologieën, dan het lopende verhaal.

allegorie

En veel belang hecht Jensma aan een lezing van HaverSchmidt uit 1861, waarin net als in het Oera Linda-boek een allegorie van de Richtingenstrijd in de kerk ten beste wordt gegeven. Jensma: ``Ik ben dus werkelijk benieuwd of de affaire nu eindelijk als opgelost kan worden beschouwd. Zelf denk ik dat er misschien nog een brief van HaverSchmidt kan opduiken of een andere getuigenis die een `juridisch sluitend' bewijs tegen hem kan leveren.''

En dan nog. ``De winst van mijn boek is in ieder geval dat ik heb laten zien dat het raadsel wordt opgelost zodra je een godsdiensthistorisch perspectief hanteert. Het van oorsprong modernistische, geseculariseerde godsdienstideaal is de rode draad in het Oera Linda-boek en in de affaire er omheen. Die inhoud vormt ook tenminste een deel van de aantrekkelijkheid van het boek voor Ottema. En die individualistische godsdienstbeleving, los van kerk of bijbels gezag, vind je vervolgens óók bij die rare nazi en bij de new age-beweging van nu.''

Goffe Jensma, `De gemaskerde god. François HaverSchmidt en het Oera Linda-boek' Walburg Pers €35. In februari 2005 verschijnt een wetenschappelijke editie van het Oera Linda-boek door Goffe Jensma bij uitgeverij Verloren.