Laffe balkjes

WAT ZIJN DAT voor mensen die drie weken na het voldongen feit opeens nog menen een `dader' te herkennen als daarvan voor het eerst een ongeretoucheerde foto op de televisie komt? Dat zou je wel eens willen weten. En ook: hoe lang de pers al die halfhartige gewoonte heeft om over foto's van verdachten en veroordeelden een zwarte balk te monteren. Waarom doen ze het zó, vraag je je af, en wat is eigenlijk precies de bedoeling?

Waaraan herkent de mens de medemens en wat moet je doen om die herkenning met de kleinst mogelijke ingreep maximaal te verstoren? Dat is de vraag. Er zijn boeken over volgeschreven maar vandaag worden alleen conclusies getrokken op basis van het boek `In the eye of the beholder - The science of face perception' van Vicki Bruce en Andy Young (Oxford University Press, 1998, herdruk 2000). Het is een boek waarin kunst en wetenschap worden gecombineerd en vanzelf is het daardoor eerder mooi dan diepgaand. Maar de ontelbare voorbeelden en experimenten zijn indrukwekkend. Niet onbelangrijk is verder dat de conclusies van het boek overeenkomen met wat van AW-wege altijd al werd vermoed: veel is onzin of werkt niet.

Wat bijvoorbeeld niet werkt is de Photofit-methode die Jacques Penry omstreeks 1972 ontwikkelde. Daarbij wordt op basis van vage signalementen een reconstructie gemaakt van het gezicht van een verdachte door dat samen te stellen uit losse onderdelen: zware wenkbrauwen, lichte wenkbrauwen, brede mond, smalle mond, dikke neus, wipneus, enz. Het was natuurlijk altijd een koud kunstje om experimenteel na te gaan in hoeverre die reconstructies een succes waren, toegepaste psychologen doen niet anders dan die kunstjes. Het blijkt, schrijven Bruce en Young, dat zelfs als de verdachte tijdens het reconstrueren gewoon vóór de getuigen staat, dus lijfelijk aanwezig is, dat die getuigen dan nog geen behoorlijke Photofit afgeven. Moeten ze ook een kleine tekening maken dan lijkt die meestal beter. In zijn algemeenheid is het resultaat van Photofit belabberd.

De `verklaring' is dat de mens kennelijk bij het herkennen van het gezicht niet afgaat op de typische kenmerken van de losse onderdelen (grote, groene ogen, dun mondje) maar op het geheel-in-onderlinge-samenhang. Dat dat zo is blijkt onder meer uit het magere succes van Photofit, schrijven Bruce en Young, want ze draaien nogal eens rond in cirkelredeneringen. Of ze komen met experimenten waarvan de portée maar niet duidelijk wil worden. Wat te doen met de waarneming dat men in een rij foto's van vaag bekende personen vaak mensen kan aanwijzen waarvan men de bezigheden kent en dan soms ook de naam weet, maar nooit andersom: wel de naam maar niet de bezigheden. Dit soort feiten moet de lezer voor lief nemen.

Nuttiger is de constatering dat mensen natuurlijk lang niet uitsluitend aan hun gezicht herkend worden. Ook de stem, de houding, de kleding en gang spelen een rol. En vooral `context'. Een goede bekende kan in een buitenissige omgeving opeens voor een vreemde worden versleten. Het navrantste experiment is dat van het echtpaar dat voor een korte vakantie van Australië naar Londen ging. Zonder dat ze het wisten bracht zo'n toegepast psycholoog ook hun dochter naar Londen over. Het kind werd voor de ingang van het hotel neergezet en wachtte de ouders op toen ze 's ochtends naar buiten kwamen. Even was er een blijk van herkenning en verrassing maar toen het - geïnstrueerde - meisje niet reageerde, liepen de ouders met een excuus door.

Terug naar de gezichtsherkenning. Dat voor mensen de herkenning niet berust op de optelsom van herkende losse onderdelen blijkt ook uit een ander experiment. Knip je `en face'-foto's (frontale opnames) van bekende personen horizontaal over de neus in tweeën dan blijken proefpersonen de losse boven- of onderkanten vaak nog heel redelijk te herkennen. (De voor de hand liggende vraag of de losse bovenkant van het gelaat beter of slechter dan de losse onderkant wordt herkend blijft jammer genoeg onbehandeld.) Het percentage herkenning daalt dramatisch als aan een bovenkant een vreemde onderkant wordt toegevoegd, of andersom. Dan raakt men subiet de kluts kwijt. Een computer, die bekend is met het gegeven dat twee verschillende gezichten zijn gecombineerd, zou dan nog een heel eind komen. De computer telt wel op. Daardoor is hij ook in staat negatief opnamen van gezichten te herkenen. Of ondersteboven-gezichten.

Van onbekende mensen herinnert men zich vooral de haarstijl, haarinplant en de vorm van het hoofd, noteren Bruce en Young beslist. Wat dat betreft was Mohammed B. mèt die zwarte balk over zijn ogen voor het forensisch onderzoek al voldoende herkenbaar in beeld gekomen en was het een blunder hem niet met muts af te beelden als hij in werkelijkheid wel een muts droeg. Bij meer bekende mensen blijkt de herkenning vooral van ogen en mond af te hangen. Dat laatste wordt misschien nog het overtuigendst aangetoond door het bijgaande plaatje dat als de `Margaret Thatcher-illusie' bekend is geworden. Hier ziet men een ondersteboven-hoofd dat wèl herkend wordt en dat blijkt te danken aan het feit dat ogen en mond wel rechtop zijn gezet. (Draai het plaatje om!) Dat de mond bijgevolg boven de ogen staat blijkt helemaal niet te hinderen.

Mond en ogen bepalen de herkenning van bekenden. Maar welke van die twee is de belangrijkste? De lui die die laffe zwarte balkjes monteren denken dat het de ogen zijn. Of ze denken dat iedereen dat denkt, maar weten wel beter. Wie zelfs eens zijn pink legt op de ogen of de mond van Margaret Thatcher raakt aan het twijfelen. (Bij Mohammed B. lukt dat natuurlijk niet omdat we hem niet kenden voor hij op de foto ging.) De mond is meestal zoveel expressiever dan de ogen.

Misschien heeft het bedekken van de ogen een historische verklaring. Bij maskerades en gecostumeerde bals maakte men zich onherkenbaar met een zwart masker. Er staat tegenover dat boeven in cowboyfilms van het Roy Rogers-type altijd een zakdoek voor hun mond bonden. Dat hielp ook. Vast staat dat die bril waar de advocaat van B. nu zo'n drukte over maakt geen rol van betekenis gespeeld kan hebben.