Kwetsbare groepen bij rijk schaars

De overheid heeft minder jongeren in dienst dan het landelijk gemiddelde, minder mensen met een arbeidshandicap dan het landelijk gemiddelde en relatief weinig vrouwen in dienst.

Dat blijkt uit cijfers die staatssecretaris H. van Hoof (Sociale Zaken, VVD) deze week naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Kamerlid J. Bussemaker (PvdA), die om de gegevens had gevraagd noemt ze ,,schokkend, omdat het rijk een voorbeeldfunctie vervult''.

Het aandeel rijksambtenaren met een arbeidshandicap bedraagt 7,1 procent, tegenover een landelijk gemiddelde van 10,7 procent. Het rijkspersoneel bestaat voor 38,4 procent uit vrouwen, iets onder het landelijk gemiddelde van 41,5 procent. Het percentage ouderen en etnische minderheden is bij het rijk wel hoger dan gemiddeld.

Bussemaker had eind oktober om de cijfers gevraagd bij een overleg met Van Hoof over het arbeidsmarktbeleid. Ze noemt de resultaten ,,zeer teleurstellend voor een overheid die altijd hamert op de eigen verantwoordelijkheid''. ,,Ik ben geen voorstander van quota, maar ik vind wel dat de overheid het goede voorbeeld moet geven bij het aannemen van deze kwetsbare groepen.'' Bussemaker bekritiseert ook het lage percentage WSW'ers mensen met een arbeidshandicap die onder de Wet sociale werkvoorziening begeleid werken in dienst van de overheid. Dit is 0,014 procent, terwijl de landelijke doelstelling 1,5 procent is.

Voorts maakte Van Hoof bekend dat één procent van alle rijksambtenaren jonger is dan 23 jaar, tegen 7,6 procent landelik gemiddelde. Van Hoof verdedigt het lage percentage jongeren in overheidsdienst met het argument dat de opleidingseisen bij het rijk hoger zijn dan gemiddeld. Hij wijst erop dat het rijk wel een meer dan evenredige bijdrage levert aan de landelijke doelstelling om 40.000 jeugdwerklozen aan het werk te helpen. Het rijk moest dit jaar 250 van deze zogenoemde additionele banen creëren. Inmiddels zijn er 297 arbeidsplaatsen gerealiseerd.

Minister De Geus kondigde gisteren aan te zullen gaan optreden tegen `ongerechtvaardigde' inkomensverschillen De Arbeidsinspectie constateerde dat in het bedrijfsleven tussen mannen en vrouwen een ,,onverklaarbaar loonverschil'' bestaat van 7 procent. Ook bleken deeltijdwerkers 5 procent minder te verdienen dan voltijdwerkers, allochtonen 4 procent minder dan autochtonen. Bij de overheid waren de beloningsverschillen kleiner.