In vijf minuten tien beslissingen nemen

Minister Hoogervorst en huisartsen ruziën met elkaar. Huisartsen vinden hun werkdruk te hoog en krijgen `geen loon naar werken'. Maar de minister luistert niet.

Overdag zit zijn praktijk propvol. Hij doet de administratie in zijn vrije tijd. Dan bezoekt hij ook patiënten die niet bij hem langs kunnen komen. Huisarts Frank Greeven komt altijd tijd tekort: ,,Ik heb nu vier mensen in mijn hoofd waar ik eigenlijk naar toe moet, maar als ik dat doe, staan er hier in de praktijk tien te wachten.'' Greeven, 46 jaar en zeventien jaar huisarts in Oldenzaal, voert actie. Tegen een recent voorstel van zorgverzekeraars om huisartsen minder geld per ziekenfondspatiënt te betalen. Maar eigenlijk ook tegen de veranderingen in zijn vak, dat ,,door de politiek onderuit wordt gehaald''.

Hij is niet de enige huisarts die zich zorgen maakt over zijn werk. Huisartsen voelen zich onbegrepen en onbemind, onderbetaald en overvraagd. ,,Als mensen vinden dat we zeuren over geld, dan moeten we dat maar accepteren'', verzucht Niek Leloup, huisarts in Amersfoort. Feit blijft, zegt hij, dat de overheid steeds meer taken in handen van de huisartsen legt, en daar niet voor betaalt. Al jaren, vinden huisartsen, wordt hun werk intensiever en zwaarder. Patiënten stellen steeds meer eisen en komen daarom – en ook door vergrijzing en een toename van chronische zieken – ook steeds vaker op bezoek. Het huisartsentekort van de afgelopen jaren leidde ertoe dat veel huisartsen eigenlijk teveel patiënten in de praktijk hebben. En minister Hoogervorst (Volksgezondheid) heeft veel mooie plannen met de huisarts, maar betaalt daar niet genoeg voor, vinden de artsen zelf.

Veel begrip voor hun situatie voelen ze niet bij de minister. ,,Ongelofelijk'' en ,,onbenullig'' noemt Ruud Vollenberg (34), drie dagen per week huisarts in Den Bosch, het beleid van Hoogervorst. Hij is een ,,kille berekenaar'', zegt de 50-jarige huisarts René Westerman uit Leeuwarden. En met de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) heeft de minister ook al ruzie.

Onderzoek naar werkdruk onder huisartsen wijst uit dat zij tussen 1987 en 2001 tien procent meer patienten zijn gaan behandelen, en dat het aantal contacten per jaar met die patiënten ook met tien procent toenam. De hoeveelheid werk groeit dus. Maar tegelijkertijd neemt het aantal uren waarin de huisarts dat werk doet af. Van 57 naar 49 uur (exclusief diensten).

Meer werk in minder tijd. Zijn huisartsen dan zoveel harder gaan werken? Gedeeltelijk zeker wel, legt onderzoeker Dini de Bakker van onderzoeksinstituut Nivel uit. Maar de manier waarop de huisarts zijn werk doet, is ook sterk veranderd. Een halvering van de huisbezoeken, een verdubbeling van het aantal telefonische consulten, de automatisering en toegenomen inbreng van huisartsassistenten hebben het werk efficienter gemaakt.

Veel huisartsen verwerken in ieder geval meer patiënten dan ze volgens de overheidsnormen zouden moeten. Terwijl het College Tarieven Gezondheidszorg (CTG) bij het bepalen van de huisartsentarieven nu nog uitgaat van een `normpraktijk' van 2.350 patiënten, is de praktijk vaak een stuk groter. Westerman begon 14 jaar geleden met 2.100 patiënten, nu heeft hij er 2.675. Hij vindt het eigenlijk teveel: ,,Ik moet nu soms in vijf minuten tien beslissingen nemen, tijd voor reflectie is er niet.''

Het nemen van een grotere praktijk is een gevolg van het huisartsentekort van de afgelopen jaren, zeggen huisartsen. Volgens huisarts Vollenberg is dat tekort verleden tijd. ,,Er is op dit moment een overschot.'' Het Capaciteitsorgaan (dat voor het ministerie onderzoek doet naar toekomstige behoefte aan zorgverleners) voorspelde vorig jaar nog een tekort van 2.400 huisartsen voor 2014. Maar Vollenberg, die de afgelopen drie jaar als waarnemend huisarts bij allerlei praktijken inviel bij ziekte of vakantie, hoort van collega's dat er landelijk nauwelijks meer vraag is naar waarnemende artsen.

Werkdruk, zeggen de meeste artsen, is een groter probleem dan financiën. Het gaat ook niet alleen om de hoeveelheid tijd. Greeven legt uit: ,,Steeds meer mensen kiezen ervoor om thuis te sterven, maar nu is het niet langer de geestelijke verzorger maar de huisarts die aan het ziekbed zit. En een patiënt wordt na een hartinfarct al na drie dagen naar huis gestuurd, waarna de hulp van de huisarts gewenst is. Het is emotioneel allemaal heel zwaar.''

Toch is geld voor de huisartsen wel een probleem. Ze hebben een bruto jaarinkomen van 100.103 euro (daar gaan nog belastingen, werkgevers- en pensioenlasten vanaf). Dat inkomen gaat uit van een huisarts die 2.350 patiënten heeft, die hij 3,3 keer per jaar ziet, en waarvoor hij 97.566 euro aan praktijkkosten uitgeeft. Op basis van die gegevens bepaalt het College Tarieven Gezondheidszorg de huisartsentarieven.

Maar volgens veel huisartsen halen zij het norminkomen in de praktijk bij lange na niet. De standaardberekeningen houden geen rekening met hoge huren (in grote steden), aanvullende investeringen in praktijken (waar beginnende huisartsen mee te maken krijgen) en een hogere frequentie van patiëntencontacten, zeggen de huisartsen. Aanvullende gelden die dat moeten opvangen, voldoen in hun ogen niet.

Ook de wensen van de minister kosten meer geld dan hij eraan wil uitgeven, zeggen de huisartsen. Hoogervorst zelf schreef in een brief aan de Tweede Kamer dat hij de problemen in de eerstelijnszorg ,,vooral ziet als een organisatievraagstuk en in mindere mate als een financieringsvraagstuk''. Hij wil onder meer dat huisartsen meer samenwerken, zich meer richten op preventie en behandeling van chronische ziekten, en meer moeten aansluiten op de behoeften van burgers. Maar samenwerkingsverbanden bijvoorbeeld leveren hogere managementkosten op. Voor complexere handelingen in de eerste lijn moeten huisartsen zich bijscholen. Onderhandelingen met verzekeraars kosten ook tijd, en dus geld.

,,Als ik bloeddruk meet, vraag ik hoe het met de familie gaat, je moest eens weten wat voor ellende je dan soms over je uitgestort krijgt.'' Petra Kroes, huisarts in Hoogvliet, koos dertien jaar geleden bewust voor een kleine praktijk. Omdat ze voor haar patiënten ook een vertrouwenspersoon wilde zijn. Ze is bang dat zulke momenten, en daarmee de aandacht voor de psycho-sociale aspecten van ziekte, door opgedrongen schaalvergroting en bijkomend tijdsgebrek verdwijnen. En dat zou een verlies zijn voor het `allermooiste beroep' dat er bestaat.

mmv Karin de Mik en Martin Steenbeeke