Iemand als ik die niks bijzonders is, kan de wereld een béétje beïnvloeden

`Sinds Thomson in mijn leven is, is het allemaal zo boeiend. Letterlijk dag en nacht ben ik met hem bezig. 's Morgens begin ik mensen te schrijven, te mailen en te bellen. Daarna, als ik in de trein zit, ben ik de mails aan het lezen. En 's avonds ga ik verder met mailen. Tot drie, vier uur 's nachts. Heb ik jou de afgelopen weken 73 mailtjes gestuurd? Dat kan.

Twee jaar geleden is het begonnen. We hadden een etentje bij de ambassadeur van Albanië. Een etentje, ik heb een hekel aan dat woord, het klinkt zo snobistisch. Mijn man is longarts in het Bronovo-ziekenhuis in Den Haag en leerde daar de vrouw van de ambassadeur kennen, die kinderlongarts is. Tijdens het eten vertelde Qirjako Qirko, zo heet de ambassadeur, dat hij als 17-jarige jongen op poëzie gesteld was. En dat hij in de schoolbibliotheek De ballade van Thomson en de Draak vond. Toen vroeg hij aan zijn vader: wie is Thomson? Waarop zijn vader vertelde dat dat een Nederlander was die door koningin Wilhelmina voor de Eerste Wereldoorlog naar Albanië was gestuurd om het land te helpen zijn onafhankelijkheid te beschermen. Ik had daar nog nooit van gehoord. Ik dacht: wat een raar verhaal.

De ambassadeur vertelde dat hij in verband met de viering van de negentigjarige onafhankelijkheid van zijn land op zoek was naar nazaten van Thomson. Ik ben nogal hulpvaardig ingesteld. Dus ik zei: ik weet niks van Albanië, maar ik wil wel helpen zoeken. De volgende twee dagen zat ik aan een stuk te bellen met Thomsons in Nederland, in België, tot aan Tenerife toe. Ik vroeg ze: kent u een Thomson die in Albanië gesneuveld is? Een oude dame in een verzorgingstehuis zei: ja, dat was mijn grootvader. Maar ze vergiste zich.

Toen hoorde ik dat er in Groningen een beeld van Thomson zou staan, dus ik belde met de gemeente. Ja, zei een man van de gemeente: dat beeld staat hier op de Zuiderbegraafplaats. Waarom, vroeg ik? Nou, zei hij, daar ligt-ie begraven. Het beeld had vroeger bij de Rabenhauptkazerne in Groningen gestaan, die nu is afgebroken. Ik zei: daar ben ik m'n hele leven langsgefietst, op weg naar school! Ik had wel eens gezien dat daar `Durazzo' bij stond. Maar ik wist niet dat dat de oude naam was voor Durrës – daar is hij gesneuveld.

Ik vond een oud artikel uit Spiegel Historiael: `1913-1914 Thomson/De Veer naar Albanië, eerste Nederlandse vredesmissie naar Albanië'. Luitenant-kolonel Lodewijk Thomson ging in 1913 met zestien andere officieren naar Albanië. Dat land was in 1912 onafhankelijk geworden. De grote mogendheden waren bang dat de Serviërs of de Grieken er zouden binnenvallen. In 1913 was tijdens een vredesconferentie in Londen prins Wilhelm Zu Wied tot vorst benoemd. En die was familie van Wilhelmina. De Nederlanders gingen de Albanezen helpen een gendarmerie op te zetten voor de landsverdediging. Thomson werd uiteindelijk zelfs minister van Oorlog en opperbevelhebber van de Albanese strijdkrachten. Hij sneuvelde op 15 juni 1914 tijdens het beleg van Durrës. Hij was de eerste Nederlandse militair die stierf voor de internationale rechtsorde.

De vredesmissie stond onder leiding van kolonel De Veer. Bij Defensie zei iemand tegen me: u zou eigenlijk de inspecteur-generaal moeten bellen, die heet De Veer. Dus ik bellen. Ik wist niet dat de inspecteur-generaal een van de hoogste militairen is. Ik vroeg hem: heeft u wel eens gehoord van Thomson en De Veer. Hij zei: wel een beetje, dat is mijn oudoom. Een week later ontmoette ik de inspecteur-generaal op een receptie in Den Haag. Hij stak een sigaret op, en ik ook. We tutoyeerden elkaar. Ik was inmiddels bezig het beeld in Groningen herplaatst te krijgen op de oorspronkelijke plek, waar die kazerne had gestaan. Als hij wilde komen, dan zou dat mijn positie natuurlijk versterken. Hij gaf me toestemming om vier dagen te blokkeren in zijn agenda. Dat was een dag of veertien nadat ik voor het eerst van Thomson hoorde.

Ik ging op zoek naar geld. Maar fondsen zeiden dat zij niet betaalden aan particulieren. Er moest een stichting worden opgericht, dus dat deed ik toen. Op een gegeven moment was een van mijn bestuursleden in München. Daar ontmoette hij de minister van Defensie van Albanië. Hij vertelde hem het verhaal van het Berendsen-beeld. De minister wist niet waar hij het over had. Maar hij ging er wel mee naar de president van Albanië, Alfred Moisiu. Die is nu 76 jaar en was vroeger generaal geweest. Hij wist alles van Thomson, want hij woonde vroeger in een dorpje in de buurt van Durrës. Toen hebben ze besloten dat hij postuum de Gouden Adelaar, de hoogste onderscheiding, zou krijgen.

Op 28 maart 2003 werd het beeld van Thomson in Groningen herplaatst op zijn oorspronkelijke plek, in bijzijn van de Albanese minister van Defensie en De Veer. En op 16 juni 2003, op een dag na zijn sterfdag, is de bronzen replica van dat Groninger beeld in Durrës onthuld. Maar om die replica in Durrës te krijgen, dat viel niet mee. Met de diplomatieke post bleek niet mogelijk. Op de dag dat het beeld moest vertrekken heb ik de knoop doorgehakt en het op eigen kosten door een verhuizer naar Albanië laten rijden.

Omdat het dit jaar 90 jaar geleden is dat Thomson sneuvelde organiseerde ik met hulp van de gemeente, defensie, buurtbewoners en een school een herdenkingsceremonie met kransleggingen en een militaire erewacht bij het Thomsonmonument op het Thomsonplein in Den Haag op 15 juni. De Koninklijke Militaire Kapel speelde de Majoor Thomson vredeshymne, die ik heb laten componeren.

Ik kan ergens heel erg warm voor lopen. Ik heb vaker projecten gehad waar ik me intens mee bezighield: een huis voor daklozen, een jeugdstrijkorkest. Toen koningin Beatrix het station van Groningen heropende na een restauratie, heb ik een privé-vliegtuigje geregeld om ervoor te zorgen dat m'n dochter – die op de Antillen zat – op tijd terug was om daar in een kwartet te spelen. Met politie-escorte zijn we erheen gereden, we waren net op tijd. M'n familie verbaast zich er wel over dat mijn enthousiasme deze keer zo lang duurt.

Naarmate ik meer over Thomson te weten kwam, werd ik meer door hem gegrepen. Maar het moment waarop het een missie werd, herinner ik me nog goed. Dat was op 3 januari 2003. Dankzij een oproep op de radio had ik de kleinzoon gevonden van zijn oude adjudant. Die had nog zeven brieven van hem, en daar zag je aan dat die twee mannen een bijzondere band hadden gehad. Ze hadden allebei hun moeder jong verloren, en ze hadden allebei een dochter. Thomson schreef zijn adjudant: `Ach Gosses, men krijgt het in het leven niet altijd zoals men het hebben wil. Hij eindigde altijd met: je toegenegen oud-chef. Ik dacht: wat een aardig mens.

Wat me heel erg in hem aanspreekt: hij kwam op voor de zwakkere. Op de KMA kreeg hij al een aantekening omdat hij zo goed om kon gaan met zijn minderen. Ik heb een artikel gevonden in de Militaire Spectator waarin stond dat hij tegen het ereduel was. In 1899 werd hij als waarnemer naar de Boerenoorlog gestuurd en daar concludeerde hij: als je mensen op hun eigen terrein hun gang laat gaan, dan vechten ze het best. Maar de Zuid-Afrikaanse generaals bleken geen strategisch inzicht te hebben. Zo ontwikkelde hij zijn ideeën over democratisering van ons leger. Na zijn bezoek aan Zuid-Afrika pleitte hij voor invoering van een volksleger naar Zwitsers voorbeeld.

Van Cees Fasseur, de biograaf van Wilhelmina, heb ik een aantal dagboekfragmenten gekregen van premier Gerbrandy. Die diende onder Thomson. Gerbrandy beschrijft hoe Thomson tegen zijn manschappen, nadat die waren afgemat, zegt: `We laten de rest van de oefening zitten. Als de kolonel komt, dan komen we het bos uitstormen en dan is hij tevreden. Want oorlog is in het echt heel anders.' Gerbrandy schrijft ook over een soldaat die te moe is om zijn rugzak te dragen. Thomson neemt hem van hem over – voor een officier héél ongebruikelijk in die dagen.

Ik heb een zwak voor Defensie. Mijn vader was tijdens de Tweede Wereldoorloghoofd van de Binnenlandse Strijdkrachten op de WestVeluwe. En een van mijn zoons was, terwijl ik met Thomson bezig was, op vredesmissie in Bosnië. In januari vertrekt hij naar Afghanistan.

Wat ik wil bereiken is aandacht voor de vredesmissie naar Albanië, en van Thomson die opkwam voor de zwakkeren in de samenleving, ook al zat hij in een militair keurslijf. ik geloof heilig in onderwijs. Een doorsnee iemand als ik, een godsdienstjuf uit Groningen, iemand die niks bijzonders is, kan de wereld een béétje beïnvloeden. Don't curse the darkness, but light a candle. Daarom ga ik ook naar scholen om over Thomson te vertellen.

Tijdens de oorlog in Atjeh in 1897 kreeg Thomson de militaire Willemsorde voor moed, beleid en trouw. Hij moet daar vreselijke dingen hebben gezien. Of hij misschien ook gruwelijke dingen heeft gedaan? Het was een oorlog. Hij zal zijn handen niet schoon hebben kunnen houden. Daar heb ik geen moeite mee. De stuurlui aan wal oordelen altijd. Daarom ligt de geschiedenis van Eric O. me ook zeer na aan het hart. Als je zo redeneert, kun je militairen niet ergens heen sturen.

Thomson ging overal tegenin. Hij was eigenlijk anti-oorlog. In 1903 werd hij namens het kiesdistrict Leeuwarden Kamerlid voor de Liberale Unie. Hij versloeg Wibaut en Troelstra. Er waren in die tijd maar drie Kamerleden die vonden dat Nederland moest stoppen met het schrikbewond op Atjeh. Thomson was één van hen.

Gisteren heeft Nebahat Albayrak, Kamerlid voor de PvdA en voorzitter van de vaste Kamercommissie Defensie, een beeld van Thomson onthuld op de KMA in Breda. Daarmee is voor mij de cirkel rond. Het is een erkenning van hem als militair én politicus, want dat was hij. Maar ik ben nog niet klaar. De missie naar Albanië bestond uit zeventien militairen, van zeven van hen heb ik nog geen nabestaanden gevonden. Die hebben misschien nog materiaal. Ik wil een boek schrijven over Thomson. En de tentoonstelling die vorig jaar in Den Haag over hem te zien was moet gaan reizen.

Thuis plagen ze me er wel mee. Als m'n broers en zussen me mailen dan schrijven ze: Hé Mrs. Thomson, hoe gaat het? Vorig jaar september waren we 25 jaar getrouwd, mijn man en ik. Hadden ze via via een uniform gevonden uit de tijd van Thomson. Halverwege de avond zei Henk, m'n man: er komt een onverwachte gast. Ik was stomverbaasd: daar stond Thomson. M'n broer had dat uniform aangetrokken – compleet met snor en zwaard.

M'n kinderen waren niet zo enthousiast toen ik zei dat ik de botten van Thomsons weduwe wel in een flanellen zak mee wilde nemen op de achterbank van onze oude Volvo. Ik was er eigenlijk vanuit gegaan dat zij al bij hem lag. Totdat een redacteur van TV Noord – die maakten een documentaire over Thomson –vroeg: waar is de weduwe? Ik heb haar gevonden in Baarn, net op tijd. De beheerder zei: ze staat op het punt naar een knokengraf te gaan, want de grafrechten zijn verlopen in 1983. Dat is het ook, denk ik: ik heb het gevoel dat ik steeds net op tijd ben om nog iets van de geschiedenis te redden.

Ik was vroeger nogal feministisch ingesteld. Nu dacht ik: die vrouw heeft altijd in zijn schaduw geleefd en nu ligt ze hier in een anoniem graf met een paaltje. Terwijl in Groningen een enorme zerk is, net de helft van een onbeslapen bed. Ik vond dat haar recht gedaan moest worden. Maar de notaris zei dat dat niet zomaar kon. Toen bleek dat de executeur-testamentair een achterkleinzoon van Thomson was. Ik had hem niet eerder gevonden omdat de dochter van Thomson na het overlijden van haar man was hertrouwd. Haar drie dochters hadden een andere naam gekregen.

Op 22 juni vond de herbegrafenis plaats van Jet Thomson in Groningen. De achterkleinzoon kwam ook. Hij had een aktetas bij zich met twee brieven uit 1914. Ik schoot in de tranen. Er was een vergeelde brief bij van een collega van Thomson aan de minister van Oorlog. Die schreef wat er was gebeurd en vroeg of er een oorlogsschip kon worden gestuurd om het stoffelijk overschot op te halen. Het was alsof ik zijn dood voor het eerst kreeg aangezegd.''