Het meest afgelegen stukje Estland: Ruhnu

Jeroen Bult bezoekt het Estse eiland Ruhnu, waar hooguit zestig mensen wonen, waar prachtige bossen eeuwig ruisen, en waar de Baltische zee verlicht wordt door een vuurtoren ontworpen door Gustav Eiffel.

Als de piloot zijn vijftien passagiers laat weten dat Ruhnu (spreek uit Roegnoe) nadert en hij dadelijk de landing zal inzetten, dringt zich al snel de vraag op: waar zal die dan plaatsvinden? Inderdaad, Ruhnu Lennujaam (Airport) blijkt niet veel meer dan een hobbelig weiland te zijn, met een wit huisje als verkeerstoren en aankomst- en vertrekhal. Het vliegtuig, een oranjekleurige Antonov-26 uit vervlogen sovjettijden en eigendom van de maatschappij Air Livonia, was twintig minuten eerder opgestegen nabij Pärnu, Estlands populaire badplaats annex kuuroord. Na te zijn volgestouwd met lege bierflessen, vervolgt het zijn reis noordwaarts, naar het stadje Kuressaare op het eiland Saaremaa.

Ruhnu. Een geïsoleerd en bosrijk eiland van 5,5 kilometer lang en gemiddeld 3,5 kilometer breed in de Golf van Riga, 98 kilometer verwijderd van het Estse vasteland. Letland ligt slechts 37 kilometer verderop, maar heeft opmerkelijk genoeg nooit claims op Ruhnu doen gelden. Over de reden doen verschillende verhalen de ronde. Zo arriveerden de vertegenwoordigers van de Estse regering simpelweg eerder op Ruhnu dan hun Letse collega's en willigden zij prompt de voornaamste eis in van de eilandbewoners, het opkopen van hun voorraad zeehondenvet. Ook wordt beweerd dat de Letten in 1919, in ruil voor Estse hulp in hun strijd tegen de Duitse bezetter hebben beloofd af te zien van aanspraken op het eiland (de Duitse troepen werden verpletterend verslagen bij Cesis). Dit neemt niet weg dat Estland en Letland tot ver in de jaren negentig hebben gekibbeld over hun maritieme grens; in april 1995 ontaardde dit in een regelrechte crisis, toen de Estse kustwacht twee Letse vissersboten opbracht die hun netten in de visrijke wateren rondom Ruhnu hadden uitgeworpen.

`Moederland' Zweden

Officieel maakt Ruhnu deel uit van Estland – het behoort tot de provincie (maakond) Saaremaa – maar het is vooral de Zweedse cultuur geweest die een stempel heeft gedrukt op de geschiedenis van het eiland. Ruhnu (`Runö' in het Zweeds) werd in 1341 voor het eerst vermeld in een brief van de bisschop van Koerland, waarin deze de bewoners het recht gaf als vrije boeren onder de Zweedse wet te leven. Zes eeuwen lang wisten zij hun gebruiken, wetten, oud-Zweedse dialect en klederdracht in ere te houden. Op oude foto's vallen de grote witte doeken die de vrouwen om hun hoofd dragen direct op. Op 4 augustus 1944 kwam hieraan abrupt een einde. Op twee families na besloten de Ruhnu'ers de komst van Stalins Rode Leger niet af te wachten en op alles wat kon varen vluchtten zij naar `moederland' Zweden. Al hun bezittingen en vee lieten zij achter. Een lelijk betonnen en goeddeels vernield monument achter het lokale kerkhof herinnert nog altijd aan de heroïsche sovjetinvasie van Ruhnu.

In de sovjettijd streken nieuwe bewoners, daartoe al dan niet gedwongen door de autoriteiten, op het eiland neer. De meesten van hen waren afkomstig van twee andere eilanden, Kihnu en Saaremaa, waar een grote militaire basis uit de grond werd gestampt. Een hevige storm vernielde in 1969 de lokale kolchoz en de haven, waarop een groot aantal mensen Ruhnu weer verliet. Bedroeg het inwonertal in 1966 nog 220, in 1972 was dat niet meer dan 98. Na de implosie van de Sovjetunie in 1991 (de laatste Russische militair verliet het eiland kort voor Kerst 1992) kwam het probleem van de oude Zweedse eigendomsrechten om de hoek kijken. De families van de oorspronkelijke bewoners hebben in de loop van de jaren negentig hun onroerende goederen teruggekregen – 41 huizen met bijbehorende grond zijn weer in Zweedse handen. Slechts twee Zweden, van wie één inmiddels is overleden, zouden daadwerkelijk naar Ruhnu verhuizen. Veel (Estse) pachters mopperen echter over het gebrekkige onderhoud aan de woningen en schuren en eisen van het gemeentebestuur dat het de Zweden hierop zal aanspreken.

Strandhotel

De voornaamste toeristische bezienswaardigheid treft men aan in het dorpje Ruhnu, in het midden van het eiland. Onmiddellijk springen de twee pal naast elkaar staande kerken in het oog. De kleinste van de twee is typisch Zweeds, rood en geheel van hout, en dateert uit 1644, de ander is wit en van steen en is in 1912 gebouwd naar een ontwerp van de Letse architect Oto Hofmanis. De houten kruisen op de begraafplaats zijn elk voorzien van een soort puntdakje. Opmerkelijk zijn de in de kruisen gekerfde runentekens – iedere familie op Ruhnu had een eigen symbool, dat bijvoorbeeld ook op boten stond afgebeeld. Achter de kerken begint het paddestoelrijke bos dat zich uitstrekt tot aan de oostkust en waar onder meer, bovenop een heuvel, een fraaie vuurtoren staat, die volgens een trotse eilander is ontworpen door niemand minder dan Gustave Eiffel. Een stevige boswandeling wordt beloond met schitterend uitzicht op de zee. Ook nu blijkt weer dat de Baltische stranden tot de mooiste van Europa behoren.

In de verte klinken timmergeluiden. Vier medepassagiers zijn druk bezig met het bouwen van wat een strandhotel moet worden en zeggen drie maanden op Ruhnu te zullen blijven. Ze maken zich nuttiger dan drie andere bekenden uit het vliegtuig, die zeggen voor een telefoniebedrijf in Tartu te werken en reeds vanaf de vroege ochtend alle soorten Saku-bier aan het uitproberen zijn. Een café heeft het eiland niet. Bier en andere onontbeerlijke levensmiddelen moet men aanschaffen in het winkeltje van Luise-Maria en Mart, dat tevens het sociale centrum van het eiland vormt. Ze kochten het vijf jaar geleden. Luise-Maria komt oorspronkelijk uit Tallinn en Mart, die ook directeur van het Ruhnu Museum is en alles van de lokale geschiedenis weet, komt van Saaremaa. Ze vertellen dat er jaarlijks zo'n 3.000 Estse en 100 buitenlandse toeristen een bezoek brengen aan Ruhnu. Onder hen veel Letten die het eiland aandoen tijdens een soort cruise. Een deel van de 60 Ruhnu'ers verdient zijn brood met het toerisme, de rest met landbouw en veeteelt. Verder is het eiland van veel gemakken voorzien, zoals een school (met internetaansluiting), een bibliotheek (waar veel boeken van Theun de Vries in de kast staan) en een medische post.

Op de terugreis naar Pärnu spoken de schoonheid en het unieke karakter van Ruhnu door mijn hoofd. De drie zatte telecom-experts vertellen moppen, terwijl het regenwater de Antonov-26 binnendruppelt.

Voor meer informatie kan men contact opnemen met info@visitestonia.com. Zie ook www.ruhnu.ee en www.airlivonia.ee. Enige kennis van de Estse taal strekt tot de aanbeveling.

Jeroen Bult is publicist. Hij schrijft o.a. voor de Estse krant Eesti Postimees.