Een heerlijk monster

In het tweede deel van de nieuwe dvd-serie Moderne Europese Klassieken Mephisto van de Hongaarse cineast István Szabó. De collaborerende toneelspeler in een meesterlijke rol.

Het geweten is een zwarte vrouw, ongegeneerd in een onopgemaakt bed; macht is een scrotum, ongegeneerd in een strak gesneden uniformbroek. Het geweten verleidt, en wordt gedeporteerd.

De macht verleidt, en verplettert.

Tussen die twee manoeuvreert, opgetogen, een man. Hij is een kunstenaar. Een acteur.

Zo ziet het speelveld eruit in Mephisto (1981), de film die de Hongaarse cineast István Szabó maakte op basis van de roman van de Duitse schrijver Klaus Mann. Manns boek begint cynisch, met het eind, op een pompeus nazi-gala bevolkt door levende doden. Szabó kleurt het verhaal anders, hij kiest voor elan. Zijn film begint bij het begin, in het theater, met een springlevende, ultra-ambitieuze acteur.

Die toneelspeler, hij noemt zich Hendrik Höfgen, zit op de vloer in een hoek van zijn kleedkamer. Hij brult, smijt, spuugt, hij verbergt zijn gezicht, zijn hele hoofd, want uit de zaal dringt het gejuich door van de ovatie voor een beroemde collega en dat moet weg. Voor de spiegel komt hij tot zichzelf. Zo zullen we hem vaker aantreffen: voor de spiegel. Hartstochtelijk, geamuseerd, altijd in gesprek met zichzelf; meermalen zo gefilmd dat het verschil tussen spiegelbeeld en man wegvalt.

Klaus Maria Brandauer speelt Hendrik Höfgen zonder weerga, met onverzadigbare prikogen, een dansante motoriek en vol van de wils- en daadkracht die in het dierenrijk alleen de mens bezit. Creëren Szabó en Brandauer een aardige man? Nee. Hendrik Höfgen spreekt in monologen en maakt alles ondergeschikt aan wat hij beschouwt als zijn artistieke verantwoordelijkheid, terwijl hij in feite wordt gedreven door schroeiende eigenliefde. Het maakt hem behalve onaangenaam ook tragisch. Immers, eigenliefde is eenzame liefde, die wordt per definitie niet beantwoord. Net zomin als je jezelf kunt verrassen met een brief, zal het je lukken om jezelf wederliefde te bieden.

Höfgens echec is hem ingebakken. Je ogen staan verloren, zegt de zwarte vrouw die hem lessen in dansen en in de liefde geeft en hem en passant de waarheid zegt. Haar kamertje is een en al spiegel. Hij aanbidt haar, maar hij is een slechte leerling. Zijn dansen blijft bluf, de waarheid is te ingewikkeld en hij zet haar van zich af, ook al moet hij dan een beetje sterven. Maar zij is een compromitterend buitenbeen en hij moet verder.

Monumentale figuur

Het eerste uur van Mephisto besteedt Szabó aan een consciëntieuze schets van de vooroorlogse Duitse toneelwereld, een fontein van creativiteit, in de schouwburgen en nog meer in het subversieve avant garde-theater dat zich richtte op de verheffing van de arbeiders. Daarbinnen concentreert hij zich op het dilemma van een acteur, die niet het toneel als roeping ziet, maar zijn eigen rol daarin.

En wat een monumentale figuur scheppen Szabó en Brandauer, samen bieden ze Hendrik Höfgen alle ruimte voor exuberantie. Een monster is hij, een heerlijk monster.

István Szabó is een Hongaar, Mephisto is een Hongaarse film. De legendarische Hongaarse cameraman Lajos Koltai droeg zorg voor de kenmerkende, met gepoederde aardekleuren ondersteunde melancholie. Hij vertaalde Szabó's gevoel voor momentum door doorslaggevende gebeurtenissen op te rekken in curieus middelpuntvliedende close-ups, van een handkus, een pleitend gezicht, een bezorgd gezicht, een vorsende proletensmoel. Nagesynchroniseerde Hongaarse acteurs vervullen vrijwel alle rollen, afgezien van de belangrijke, historisch bijna herkenbare, personages. Daar koos Szabó voor Duitse native speakers, zoals de Oostenrijker Brandauer.

Brandauer maakt een tiran van Hendrik Höfgen in zijn drang tot het vervullen van de hoofdrol zowel binnen als buiten de schouwburg. Hoogst onaangenaam is hij, schaamteloos in zijn aandacht-afsmekerij - onverdragelijk, ergerlijk. En onweerstaanbaar, want weinig is zo verleidelijk als onmiskenbaar talent.

Höfgen wint. Berlijn ligt aan zijn voeten, het publiek, de elite, zijn collega's, de vrouwen. In een tollende montagesequentie laat Szabó hem vol panache voorbijflitsen in de grote rollen van alle grote toneelschrijvers. Personages van Shakespeare, Schiller en Ibsen herkende ik in de gauwigheid, maar er is veel meer. Er ontbreekt er één in deze serie, want die wordt apart verteld: Mephistofeles in Faust van Goethe. (En Brandauers aandeel daarin is van onschatbare waarde - mamma mia, wat een groot acteur).

Hitlerjeugd

Szabó zet Duitsland kortaf neer met gedrilde Hitlerjeugdjongetjes, in een parafrase van de nationaalsocialistische propagandafilm Triumph des Willens.

Hendrik Höfgen hoont weg wat hij niet wil zien, niettemin zijn er meer en meer bruine uniformen, rancuneuze discussies en mouwen met hakenkruisen, ook in de artiestenfoyer.

Mephisto bekijkt hoe lang het mogelijk is om uitvluchten te verzinnen. Höfgen ziet op straat dat de SA een jood in elkaar tremt. Hij wendt zich af en zegt: die zijn hartstikke dronken. Klaar. Adolf Hitler, overigens nooit bij name genoemd, komt aan de macht. De acteur verschuilt zich achter de kunst: 'Dit is mijn antwoord: Hamlet!' Klaar. Velen emigreren, vluchten, ook zijn eigen vrouw, in dit verziekte Duitsland kunnen ze niet meer bestaan. Höfgen kan niet weg, zegt hij, want: ik heb de Duitse taal nodig. Klaar. Verzet? Nee, niets voor hem, want 'zuerst sind wir Schauspieler'. Klaar.

Hij weet zelfs te rechtvaardigen dat hij, op uitnodiging van de actrice Lotte Lindenthal, wier naam niet voor niets zijn cadans deelt met die van Leni Riefenstahl, bewust voet aan de grond zet in nazi-Berlijn. En natuurlijk legt Szabó die voet nadrukkelijk vast.

Höfgen acteert Mephistofeles, baldadig in zijn roodgevoerde cape, onkwetsbaar onder zijn glimmend masker van witte schmink. En tot genoegen van Lindenthals verloofde, de minister-president van Hitlers regering. In de pauze wordt hij ontvangen in hun loge en nu zoekt hij geen uitweg meer. Niet langer stelt hij zich passief op, hij treedt toe tot het theater van de nazi-autoriteiten. En de hele zaal kijkt toe. Hij wordt beloond.

Hij krijgt macht, aanzien. Uitvluchten kunnen nu niet meer, excuses slaan nergens op. Als schouwburgintendant steekt hij dezelfde toespraak af als tien jaar terug voor zijn communistische theatervrienden, en de exact gelijke woorden uit exact dezelfde mond krijgen een compleet andere lading. Net als vroeger zal hij Hamlet spelen, maar wie oplet beseft dat hij 'zijn of niet zijn' opvat als 'doen of niet doen'.

Ter propaganda uitgezonden naar Parijs, kijkt hij omhoog langs de daken in de herfstzon, naar het art-déco van het straatmeubilair, naar een wereld van onbekommerde schoonheid en vrij denken. 'Freiheit? Wozu?' Hij draait zich om en duikt de metrotrappen af, onder de grond. Het volgende beeld, waar hij als het ware weer bovengronds komt, biedt door dikke tralies zicht op een villa in Berlijn, op een feest vol pijnlijk omzichtige gasten. Levende doden.

Höfgen denkt dat hij Mephistofeles is. Hij vergist zich, hij is een acteur die een rol gestalte geeft. Hij sjacherde, maar hij kocht niets. Hij deed zijn ziel van de hand en de koper is de man van wiens gunsten hij nu afhankelijk is: de minister-president.

Hoe meesterlijk onbehouwen speelt (de Duitse) Rolf Hoppe die duivel in uniform. Hij weet het, hij wasemt het uit, wat hij zegt doet er weinig toe, het gaat om zijn houding: ik ben de baas, jij niet. Macht maakt wellustig. Onderuitgezakt, gelaarsde voet over de knie geslagen, open hemd en provocerend strak in de broek. Höfgen zit recht en geeft pootjes. De duivel aait zijn schedel en zegt dat hij zijn revolver trekt bij het woord cultuur. De acteur krijgt te verstaan dat hij een knecht is, 'mijn Mephisto'. Hij is een mot die naar believen in een potje gestopt kan worden. Een mot die door spotlights wordt geëxecuteerd, terwijl hij jankt: Wat willen jullie toch van me? Ik ben een toneelspeler!

Volgende maand: Cría Cuervos van Carlos Saura