DIERBARE DEMOCRATIE

Een maand geleden werd filmregisseur Theo van Gogh in Amsterdam vermoord door de jonge Marokkaanse moslimfundamentalist Mohammed B. Even brak paniek uit in Nederland. Ministers spraken krachtige taal, de discussie over de vrijheid van meningsuiting laaide op, sommige intellectuelen overwogen emigratie. In de dagen na de moord werden in heel het land branden en brandjes gesticht bij kerken, scholen en moskeeën.

Het buitenland keek verbijsterd toe. Paul Scheffer over het dilemma van de moderne democratie: hard optreden, maar populisme geen kans geven.

Opeens kwamen de herinneringen naar boven aan al die gesprekken in Sarajevo enkele jaren na het einde van de burgeroorlog. Mijn gedachten gingen terug naar al degenen die me verzekerden dat het geweld uit de lucht was komen vallen; hoe niets erop had gewezen dat buren die lang vreedzaam samen hadden geleefd, elkaar plotseling te lijf zouden gaan. Een jongen vertelde hoe hij en zijn vrienden een medescholier van het dak hadden gegooid, toen die plotseling als een wilde was gaan schieten op de winkelende menigte beneden in de straat. Pas toen de vijandigheden waren begonnen en er dag en nacht in de stad werd geschoten, had men zich een voorstelling kunnen maken van grootscheeps geweld.

Amsterdam is Sarajevo niet en Nederland is geen Bosnië. We mogen die werelden niet verwarren en toch is ongemerkt de afstand in de afgelopen weken kleiner geworden. We hebben een glimp gekregen van hoe het mis kan gaan, hoe het ene geweld het andere kan uitlokken. Nog steeds willen we ons geen voorstelling maken van een spiraal van geweld, maar toch knaagt de onzekerheid. Het gevoel dat er iets wezenlijks verloren gaat, dringt zich op en laat zich niet meer kalmeren.

We vechten altijd de vorige oorlog en met die oorlog zijn de naoorlogse generaties inderdaad erg lang bezig geweest. We stonden allemaal keurig op de Dam en zeiden elkaar na dat 'vrijheid moet worden onderhouden' en dat 'tolerantie de kern van alle beschaving is' en vooral telkens weer 'nooit meer'. Al die eindeloze 4 mei-herdenkingen in het centrum van de hoofdstad, het was hoop en bezwering ineen. Maar de frasen raakten versleten en verloren hun betekenis.

De achterliggende jaren zijn een lange burgerschapscursus geweest, nog nooit is zoveel gezegd over grondrechten en tolerantie. Toen Pim Fortuyn over artikel 1 van de Grondwet begon en vaststelde dat het non-discriminatiegebod misschien wel moeilijk te verzoenen was met de vrijheid van meningsuiting, waren de reacties niet van de lucht. Datzelfde gebeurde toen minister Donner na de moord op Theo van Gogh ineens een stoffige wetsbepaling over godslastering uit de kast haalde om een verzoenend gebaar te maken naar de moslims die vinden dat hun geloof wordt vernederd. De grondrechten worden opnieuw overdacht omdat iedereen voelt dat er iets is losgeraakt in ons land. Daarin staan we werkelijk niet alleen.

Zestig jaar vrede, gevoegd bij een lange geschiedenis van neutraliteit, hebben onze weerbaarheid flink aangetast. Daarom struikelen we nu over schrijvers die jeremiëren: 'Ik vind het niet meer leuk, ik ga weg, ik wil emigreren.' Wat is dat toch een verschrikkelijke koketterie van iemand als Harry Mulisch. Hoe moet een jonge schrijver als Hafid Bouazza, die met enig risico harde waarheden uitspreekt over de islam, kijken naar een van de belangrijkste schrijvers in ons land? De generatie die zichzelf tot in lengte van dagen op de troon van het eigen gelijk had geheven, laat het nogal afweten. Dezer dagen voltrekt zich een onuitgesproken afscheid: het is inderdaad hun toekomst niet meer waar we ons nu grote zorgen over maken.

Nu is er vraag naar de weerbaarheid van de gematigden. Ongeacht hun herkomst zouden ze kunnen besluiten tot een gemeenschappelijke toekomst. Waar we nu dringend behoefte aan hebben, zijn woorden die de ervaringskloof tussen ingezetenen en nieuwkomers, tussen gelovigen en ongelovigen, kunnen overbruggen. Politici als Willy Brandt die zei toen de Muur viel: 'Jetzt wachst zusammen, was zusammen gehört.' Brandt zocht de woorden om de breuk in zijn land te helen. Zulke politici zijn er weinig in het hedendaagse Europa en dat is ook het falen van een generatie, de generatie die in de jaren zestig is opgegroeid. Tony Blair is een van de weinigen die lijken te zijn opgewassen tegen de druk van deze tijd en ook hij gaat van crisis naar crisis. Dat is geen geruststellende gedachte, nu het moslimterrorisme ook in onze straten is opgedoken.

II

Wat is nu eigenlijk de aard van de bedreiging die van de politieke islam uitgaat? Marcel Kurpershoek, de Nederlandse ambassadeur in Pakistan, heeft gelijk wanneer hij schrijft dat de dreiging het sterkst is in de moslimwereld zelf: 'Wat we in werkelijkheid ervaren zijn schokken die door de islamitische wereld gaan: misschien de voortekenen van nog meer politieke melt down en chaos. We weten het niet. Als gevolg van historische omstandigheden en zijn wereldomspannende macht ondervindt de westerse wereld er de nare gevolgen van. Maar vergeleken met de beproevingen die Allah zijn volgelingen oplegt is het weinig'.

Die relativering moeten we ter harte nemen. Het is inderdaad waar dat het grote drama zich elders afspeelt, in landen als Pakistan, Egypte, Saoedi-Arabië en niet te vergeten Irak. En het is evenzeer waar dat de islamitische wereld ten diepste verdeeld is. Nu domineert een politieke islam de publieke ruimte. De malaise is groot en laat een onvermogen zien om met de uitdagingen van de moderniteit om te gaan.

We moeten de verscheurdheid van de gelovige gemeenschap van de anderhalf miljard moslims vooropstellen en in zijn uitwerking serieus nemen. Ook al omdat dit onbehagen in de islam met de migranten naar onze contreien is gekomen en ons voor de nijpende vraag stelt hoe een open samenleving moet reageren op deze gemeenschappen in haar midden.

Er is dan ook alle reden voor een nader onderzoek naar de beelden van het Westen die in de hoofden van veel traditionele moslims rondspoken. Onlangs verscheen een korte studie van Ian Buruma en Avishai Margalit, Occidentalism, een eerste aanzet tot een antwoord. De stad als belichaming van het kwaad is een kernthema in de beeldvorming. Buruma en Margalit schrijven over de aanval op New York: 'Deze weloverwogen daad van massamoord verwees naar een oude mythe - de mythe over de vernietiging van de zondige stad.' De klassieke vorm van deze mythe is de val van Babylon, het hoerige Babylon dat in zijn hoogmoed de goden tartte.

Deze afwijzing van het Westen heeft zich ook genesteld in de wereld van de naar schatting 30 miljoen moslims die de Europese Unie in 2020 zal tellen. Dat is een enorm probleem waarvan politici als de Vlaamsblokker Filip de Winter dankbaar gebruikmaken wanneer ze zeggen: de immigratie is het paard van Troje van de islam, de islam is het paard van Troje van de politieke islam, de politieke islam is het paard van Troje van het terrorisme. Ergo, in elke migrant schuilt een potentiële terrorist.

Het antwoord op deze populistische verleiding is zwak geweest, omdat het politieke en intellectuele establishment de liberale critici van de islam niet heeft willen horen. Deze dissidenten - of het nu de Franse Chahdortt Djavann is of de Canadese Irshad Manji of de Nederlandse Ayaan Hirsi Ali - die onbarmhartig de waarheid over de intolerantie binnen de islam uitspreken, worden meer en meer gezien als mensen die huisvredebreuk plegen en de vreedzame coëxistentie ondermijnen. Ach, wat doet dat denken aan vroeger toen de dissidenten van het communisme er vooral door dezelfde sociaal - democraten van werden beschuldigd het spel van de ontspanning niet mee te spelen.

De islam in Europa die miljoenen gelovigen omvat vertegenwoordigt een unieke historische ervaring. Nooit eerder migreerden zovele moslims naar westerse landen, waar ze zichzelf moeten hervinden als minderheid in een seculiere samenleving. Dat is een moeilijke aanpassing voor een geloof dat in de landen van herkomst sinds mensenheugenis een verpletterende mederheid vormt. Vandaar dat zovele moslims vinden dan hun geloof hier wordt vernederd: ze kunnen zich eenvoudigweg niet voorstellen dat hun heilige boek onderdeel is van een democratische meningenstrijd. Tegen dat gevoel werken nog geen tien wetten op godslastering.

Het valt te bezien of de Franse islamdeskundige Gilles Kepel gelijk krijgt met zijn stelling dat de strijd om een Europese islam van beslissende betekenis zal zijn voor de modernisering van de islam wereldwijd. Het is inderdaad een grote vraag wat zal komen na het echec van de politieke islam, die nu al in Iran aan zijn wereldlijke ambities lijkt te bezwijken. Maar misschien is het wel een vorm van eurocentrisme om te denken dat deze verscheurdheid hier in de buitenwijken van Lyon, Amsterdam of Birmingham zal worden overwonnen.

III

Wat staat er tegenover deze dreiging van een moslimwereld, die in een diepe crisis verkeert en het monster van de politieke islam heeft gebaard? Allereerst Amerika, vervolgens een hele tijd niks en dan het innerlijk verdeelde Europa.

Amerika gaat voorlopig verder op de ingeslagen weg onder nog eens vier jaar Bush. Daarbij kijken velen naar de buitenlandse politiek, maar het is minstens zo interessant om de binnenlandse confrontatie te volgen, die in steeds schrillere tonen wordt uitgevochten. Uit voorlopige analyses blijkt dat morele kwesties een belangrijke rol hebben gespeeld in zijn herverkiezing. Conservatieve christenen zouden de doorslag hebben gegeven. Na Clintons 'It's the economy, stupid', nu dan 'It's the morality, stupid' van Bush. Het is zo langzamerhand een cliché geworden om het religieuze fundamentalisme in Amerika te spiegelen aan het fundamentalisme in de islam. Duidelijk is in ieder geval geworden dat het stemgedrag in onze wereld niet alleen door sociale belangen wordt bepaald, maar ook door culturele en morele belangen, die misschien voor veel mensen wel zwaarder wegen. Juist in een wereld waarin de verandering zo snel gaat kunnen kwesties die aan identiteit raken beslissend zijn.

Het is niet te veel gezegd dat de omgang met de moderniteit overal voor grote onzekerheid zorgt, maar het verschil tussen beide werelden waarin het fundamentalisme zich openbaart kan in één woord worden samengevat: democratie. Dat is het vermogen om de diepe onvrede van bevolkingsgroepen tegen te gaan door in een openbaar debat nieuwe samenhang tot stand te brengen.

Kijk eens naar Amerika anno 2004: de scherpe verkiezingsdebatten tussen Bush en Kerry terwijl de oorlog in Irak gaande is; rijen bezoekers voor de film van Michael Moore, die als Amerikaan de scherpste criticus van zijn regering blijkt te zijn; een hearing in de Senaat over 9/11 en de fouten die zijn gemaakt door de veiligheidsdiensten in de bestrijding van het terrorisme, enzovoorts. Ondanks alle kritiek zijn de Verenigde Staten een levende democratie, waar het zichtbare fundamentalisme van de born-again christenen niet mag worden onderschat, maar uiteindelijk is dat toch een minderheid, die vooralsnog onderdeel is van het politieke en culturele pluralisme van het land.

Ondanks deze cruciale verschillen tussen het ene en het andere fundamentalisme mogen we de ogen niet sluiten voor de culturele verkramping, die maakt dat aanzienlijke delen van de Europese en de Amerikaanse bevolking in een diep wantrouwen leven tegenover de eigen politieke elites en de grote wereld in het geheel niet ervaren als een uitnodiging maar als een bedreiging.

Aan de ene kant zien we elites die zichzelf opvatten als wereldburgers en zich steeds meer losmaken van een territoriale gemeenschap. Die onthechting aan de bovenkant is gespiegeld in een onthechting aan de onderkant en in delen van de middenklasse die zich niet meer door deze bovenlaag beschermd en vertegenwoordigd voelen. In één zin: ondoordacht kosmopolitisme roept populisme op.

Samuel Huntington heeft in zijn boek Who are we?, over de vraag wat Amerika bijeenhoudt temidden van de enorme culturele diversiteit, gewezen op het gevaar van een etnisering van de blanke bevolking. In landen waar de multi-etnische samenleving wordt bezongen is het gevaar reëel dat niet alleen minderheden zichzelf als gesloten subcultuur gaan zien, maar ook de meerderheid zichzelf steeds meer in etnische zin gaat opvatten. Zeker als die meerderheid op tal van plaatsen in een minderheidspositie komt te verkeren.

Wanneer we het gevaar van het populisme in Europa nader beschouwen, dan moeten we vaststellen dat het geen marginaal verschijnsel meer betreft. In tal van Europese landen hebben politici als De Winter, Haider, Bossi, Le Pen, Blocher, en wijlen Fortuyn, sinds kort 'de grootste Nederlander', flinke delen van de kiezers weten aan te spreken. De sprakeloosheid van het politieke establishment kon niet beter zichtbaar worden dan in het verbod van het Vlaams Blok in België. Wat met woorden niet lukte, moest toen maar met een beroep op de wet.

De immigratie is een symptoom van de globalisering die veel gevestigde zekerheid loswoelt. Het hele debat in Europa over de hervorming van de verzorgingsstaat moet ook in die contekst worden gezien en is wezenlijk voor een begrip van de defensieve reflex die overal zichtbaar is. De vakbonden voeren een achterhoedegevecht en proberen de illusie overeind te houden dat de Europese economieën op dezelfde manier kunnen blijven concurreren in een wereld die in toenemende mate zal worden gevormd door opkomende landen als China. Alle schattingen laten zien dat we misschien nog twintig jaar de boventoon zullen voeren, maar die nieuwe wereld werpt nu al zijn schaduwen vooruit.

Het schrikbeeld van onze tijd is dat tegenover een bovenlaag van wereldburgers een groeiend aantal burgers zich in de steek gelaten voelt en zich wrokkig opsluit in een 'eigen volk eerst'. De etnisering waar Huntington over schrijft, zien we ook in Europa: overal trekken mensen zich terug uit naam van een idee over de nationale identiteit die wordt bedreigd. Wanneer we tegen de moslimgemeenschap zeggen dat ze zich ten volle verantwoordelijk moet voelen voor het geweld dat uit naam van de islam wordt bedreven, ontkomt de Nederlandse samenleving er niet aan om het geweld tegen moskeeën of islamitische scholen, bedreven uit naam van een Nederland waar geen migranten thuishoren, volkomen serieus te nemen en niet af te doen als vandalisme.

Wanneer de kwestie van 'wie zijn wij nu nog' niet binnen een democratische omgeving aan de orde wordt gesteld, zal het antwoord op die vraag door anderen op een rauwe, onverdraagzame manier worden gegeven. Dat zien we overal gebeuren. De Franse filosoof Alain Finkielkraut schreef ooit dat hij niet wilde kiezen tussen loyaliteit aan een gemeenschap en tolerantie tegenover anderen, niet wilde kiezen tussen de koestering van het culturele erfgoed en openheid tegenover andere culturen. Maar hoe kunnen we loyaliteit en tolerantie bijeenhouden, anders gezegd: hoe kan voorkomen worden dat het erfgoed en de openheid tegenover elkaar komen te staan?

Het evenwicht moet worden hervonden na jaren van cultuurrelativisme en dat is volop gaande. We zien nu bijvoorbeeld een levendige belangstelling voor de eigen geschiedenis, die niet meer wordt afgedaan als nostalgie, zoals dat tien jaar eerder nog wel gebeurde. Juist in een seculiere samenleving zoeken meer en meer mensen houvast in het verleden, wat een niet-religieuze manier is om een verhouding tot de doden te vinden. Die continuïteit is zowel een bron van bescheidenheid - er is immers zoveel aan ons voorafgegaan - als een uitnodiging tot betrokkenheid - er ligt immers nog zoveel voor ons.

IV

Het gaat natuurlijk niet alleen om een cultureel vraagstuk, om een strijd over de vraag 'wie zijn we nu nog?' Naast een veel diepgaander overdenking van de toekomst van de sociale zekerheid gaat het om kwesties van veiligheid. Zonder een verdediging van het geweldsmonopolie van de staat heeft het geen enkele zin om te proberen tolerantie opnieuw te overdenken. Onveilige burgers zijn namelijk onverdraagzame burgers. Dat is de crisis van onze tijd: door de verwaarlozing van de rechtshandhaving is langzaam maar zeker een wijdverbreid gevoel van onveiligheid ontstaan. Daarom is het moslimterrorisme zo giftig in zijn maatschappelijke uitwerking: culturele onzekerheid over de vraag of de islam in onze open samenleving kan worden opgenomen, vermengt zich met een al langer bestaand gevoel van onveiligheid die in veel wijken van de grote steden tot een verwijdering heeft geleid. Die combinatie schept afstanden die steeds moeilijker te overbruggen zijn. Het maakt de wereld van veel mensen kleiner, laat een steeds kleiner grondgebied over, waarop mensen zich terugtrekken.

De strijd tegen het moslimterrorisme zal ook de moslimgemeenschap voor problemen plaatsen. Wat weegt zwaarder, zo vroeg de Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb: loyaliteit jegens de eigen gemeenschap of loyaliteit jegens de rechtsstaat, waaraan men zijn vrijheden ontleent? Wanneer moslims niet voelen dat de Nederlandse rechtsstaat ook van hen afhankelijk is, blijft de afstand in de samenleving groot. Die vaststelling is een uitnodiging om zich te mengen in de Nederlandse samenleving, om invloed uit te oefenen.

De aanslagen zijn ook een aanslag op de integratie van moslims in Europa, ze zijn een waarschuwing aan het adres van de meer vrijzinnige moslims dat het leven dat ze hier leven leidt tot een corrumpering van hun geloof. Dat ze afstand moeten houden tegenover een decadente samenleving, waarin geld en zedeloosheid hoogtij vieren. Maar dat zou er toch toe moeten leiden dat deze twijfelende moslims nu kiezen: ze hebben een enorm belang bij deze samenleving die het mogelijk maakt hun geloof in vrijheid te praktiseren, zoals moslims me vaak verzekeren. Uiteindelijk zullen ze aan waarheidsvinding in eigen kring moeten doen.

Maar hoeveel waarheid kan de mens verdragen? Het is al te pijnlijk om te moeten erkennen dat de meeste humanitaire catastrofes hebben plaatsgevonden uit naam van een geloof - of dat zich nu richt op een hiernamaals of een seculiere utopie najaagt. Dat is moeilijk onder ogen te zien en toch kunnen we die waarheid niet vermijden. Het vermogen tot zelfbespiegeling en zelfkritiek is uiteindelijk het enige dat een cultuur tot ontwikkeling aanzet.

Veel moslims hebben grote moeite om te aanvaarden dat het merendeel van de hedendaagse terreur uit naam van hun geloof wordt uitgeoefend. Ze willen het geloof vrijwaren van alles wat er misgaat, terwijl het goede als vanzelfsprekend voortvloeit uit datzelfde geloof. Dat het huis van de islam sinds mensenheugenis ook wordt bewoond door gewelddadige stromingen, wordt om begrijpelijke, maar daarom niet minder afkeurenswaardige redenen verdrongen.

Wat zouden deze moslims zeggen wanneer de grote meerderheid van de Europeanen zou menen dat de kruistochten niets met het christendom te maken hebben? Of dat alom zou worden gevonden dat het kolonialisme geen relatie heeft met een christelijk geïnspireerde bekeringsijver? Wanneer we de woorden zouden vergeten van de beroemde ontdekkingsreiziger en missionaris David Livingstone. Op 4 december 1857 sprak hij over de opstand tegen het Britse gezag, die was uitgebroken in het verre India: 'Ik denk dat we een grote fout hebben gemaakt door handel met India te drijven en tegelijktijd ons te schamen voor ons christelijk geloof. Deze twee brengers van beschaving - christendom en commercie - zouden altijd als één geheel moeten worden gezien.'

Wat zouden ze zeggen wanneer we Hitler en de holocaust buiten de Europese geschiedenis zouden plaatsen en zouden zeggen: 'Dat heeft niets met onze cultuur te maken.' Als we zouden menen dat het antisemitisme buiten het christelijke geloof staat, dat immers doordrenkt is van het verlangen naar naastenliefde? Het is toch wezenlijk geweest dat de Duitsers zich al die vragen wel hebben gesteld, dat een boek als dat van Daniel Goldhagen over de handlangers van Hitler tot grote discussies heeft geleid?

Die pijnlijke waarheidsvinding zou je graag aan al die moslims willen voorhouden die nu krampachtig vol- houden dat er niets valt aan te merken op hun geloof, die ontkennen dat de hedendaagse terreur onderdeel is van de geschiedenis van de islam. Nee, dan toch liever de Franse schrijver Paul Valéry, die na de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog de beroemde zin neerschreef: 'Wij, cultuurvolkeren weten nu dat we sterfelijk zijn.' Europa is de geboortegrond van twee wereldoorlogen, van twee totalitaire stelsels. Het is juist de kracht van de huidige Europese eenwording dat deze breuk in de beschaving ten volle tot iedereen is doorgedrongen en is omgevormd tot een streven naar 'eeuwige vrede', zoals dat ooit de Duitse filosoof Kant voor ogen stond.

Dat moeten we zeggen tegen degenen die op hoge toon beweren dat de westerse cultuur superieur is: het voornaamste verschil ligt in het vermogen tot zelfkritiek, in het voortdurende gesprek dat we met elkaar voeren, in het besef dat een open samenleving kwetsbaar is. Het diepgewortelde inzicht dat cultuurvolkeren sterfelijk zijn en dat de beschaving die we zeggen te delen breekbaar is, inspireert de zoektocht naar verbetering.

Philip Roth schrijft in zijn laatste boek The plot against America een 'if-history': wat als de vliegenier en nationale held Charles Lindbergh president was geworden van de Verenigde Staten in 1940 en niet Roosevelt? Lindbergh was een uitgesproken antisemiet en reisde in zijn leven verschillende keren naar nazi-Duitsland waar hij vergoelijkende woorden over sprak. Hij hekelde in toespraken de Amerikaanse joden, die het land in een oorlog wilden meetrekken. Roth laat op een huiveringwekkende manier zien hoe een geassimileerde bevolkingsgroep stap voor stap uit de samenleving wordt weggedrongen.

Zijn boek kun je op twee verschillende manieren lezen. We weten dat Amerika, anders dan verschillende Europese landen, niet de kant van de dictatuur is opgegaan. De alternatieve mogelijkheid die Roth laat zien, dwingt ons ertoe om de historische vitaliteit van de Amerikaanse democratie onder ogen te zien, een kracht die Europa tot tweemaal toe heeft gered en niet lang geleden in Joegoslavië de moslims van Bosnië en Kosovo uiteindelijk heeft beschermd.

Tegelijkertijd is de roman van Roth zo meeslepend dat hij de verbeeldingskracht van de lezer verruimt. We zien plotseling de mogelijkheid van een beschavingsverval in de machtigste democratie van onze tijd. En we beseffen: er zijn geen eenvoudige garanties. In een wereld die zo in beweging is en waarin zoveel mensen zich in onzekerheid vastklampen aan een eigen identiteit als wrakhout op een onstuimige zee, in zo'n wereld is meer mogelijk dan we ons nu kunnen voorstellen.

Paul Scheffer is publicist en bijzonder hoogleraar Grootstedelijke Problematiek aan de Universiteit van Amsterdam.

[streamers]

Amsterdam is Sarajevo niet en Nederland is geen Bosnië.

Veel moslims kunnen zich eenvoudigweg niet voorstellen dat hun heilige boek onderdeel is van een democratische meningenstrijd.

In één zin: ondoordacht kosmopolitisme roept populisme op.

We zien plotseling de mogelijkheid van een beschavingsverval in de machtigste democratie van onze tijd.