De grote verhuizing

Het opwarmende klimaat noopt sommige dieren en planten te verkassen. De venwitsnuitlibel heeft zijn langste tijd in Nederland gehad.

DE ZWANENMOSSEL kan niet tegen warmte. Hij begraaft zich 's zomers in de koele bodem. Maar als het water vlak boven die bodem opwarmt tot een graad of twintig, verliest de zwanenmossel het vermogen secuur zijn voedsel uit het water te zeven. Daardoor krijgt hij te veel blauwalgen binnen, die juist gedijen bij hogere temperaturen. Op dat giftige voedsel reageren de mosselen door omhoog te kruipen. In het warmere water gaan ze dood. In de zomers van 1994 en 1997 steeg de temperatuur van het bodemwater tot boven 24 °C en stierven de mossels massaal.

Vond zo'n effect voorheen slechts sporadisch plaats, in het gestaag warmer wordende klimaat zal het waarschijnlijk vaker voorkomen. Indien zulke warmwaterperioden regelmatig optreden, sterven zwanenmossels uit. Deze zoetwaterschelpen fungeren als kraamkamer voor bittervoorns. Die vissen leggen hun eitjes in de kieuwholte van de zwanenmossel. Waar de zwanenmossel uitsterft, heeft ook de bittervoorn het nakijken.

Ziehier een van de vele effecten die in meer of mindere mate te wijten zijn aan de recente klimaatverandering. Het boek Opgewarmd Nederland staat vol met zulke voorbeelden. In opeenvolgende hoofdstukken passeren de (mogelijke) effecten op vlinders, libellen, ander klein gedierte, vogels, amfibieën en reptielen, mossen, korstmossen en hogere planten de revue, alsmede de effecten op diverse leefgebieden: polders, rivieren, kust en zee, moeras, bos. Ook de landbouw komt aan de orde. Een aanvullende dvd bevat korte documentaires over flora, fauna en ecosystemen.

De grote verhuizing is begonnen, stellen de tientallen medewerkers van het boek. Een verhuizing van zuid naar noord. Dieren en planten die de zuidgrens van hun verspreiding in Nederland hebben, zijn aan het verdwijnen. Voorbeelden zijn Zweedse kornoelje, rendiermos en het veenhooibeestje (een vlinder). Uit het zuiden rukken nieuwkomers op als koninginnepage, wespenspin, dwergwratjesmos en bezemkruiskruid.

Het zou best kunnen dat Nederland er qua soortenaantal netto op vooruitgaat. Alleen al in de Zeeuwse delta zijn de laatste decennia 48 nieuwe soorten naaktslakken aangetroffen, allemaal afkomstig uit het zuiden. Maar dat is geen reden tot gejuich: dieren en planten die de opschuivende temperatuurgrenzen kunnen bijbenen zijn meestal flexibele, algemene en mobiele soorten. Korstmossen bijvoorbeeld verspreiden zich over grote gebieden via ragfijne sporen en slaan aan waar de omstandigheden gunstig zijn. Maar soorten die zich niet zo snel kunnen verplaatsen of die specifieke eisen stellen aan hun omgeving kunnen niet zomaar meeverhuizen. De venwitsnuitlibel bijvoorbeeld heeft waarschijnlijk zijn langste tijd in Nederland gehad. Als die libel al zo mobiel is dat hij jaarlijks noordwaarts opschuift, moet hij daar wel telkens een geschikt ven vinden. Daarbij dient het dier niet recht naar het noorden te verkassen, maar met een wijde Duitse bocht naar Denemarken.

Daarmee zijn we bij het belang van ecologische verbindingen. Opgewarmd Nederland hoopt dat landverhuizende soorten in ieder geval niet door onneembare landschappelijke barrières worden gestopt. Helaas komen de nadelen van zulke verbindingen niet aan de orde. Door het verbinden van grote kanalen hebben mensen niet alleen voor hun schepen, maar ook voor vissen en een scala aan waterbeesten een schitterend systeem van ecologische verbindingszones aangelegd. Met als gevolg dat roofblei en marmergrondel Nederlandse wateren koloniseerden. Ook treft men elk jaar mediterrane muggenlarven in de Rijn aan. Verbindingszones maken het kwetsbare, maar ook ongewenste exoten makkelijk. Als het rivierwater verder opwarmt zullen waarschijnlijk ook verwilderde aquariumvissen het redden. Nu zwemmen er rond koelwateruitlaten al guppen in de Rijn. De drie graden temperatuurstijging van het Rijnwater gedurende de twintigste eeuw komt voor tweederde op conto van industriële lozingen. Steeds maken de auteurs duidelijk dat klimaatverandering slechts één van de milieufactoren is die tot verandering en vaak teloorgang van de natuur leiden. Bij het korhoen bijvoorbeeld zou uit recent onderzoek blijken dat de combinatie van een zachte winter en een natte junimaand funest is voor die vogel. Waarom dat funest is en hoe men dat weet, staat er helaas niet bij. Het korhoen is bij uitstek een vogel die door biotoopverlies uit Nederland is teruggebracht tot een laatste kwijnende groep in Salland. Het kan zijn dat het genoemde klimaateffect de nekslag is, of de teloorgang versnelt.

Een langer groeiseizoen is een direct gevolg van de temperatuurstijging. Sommige dieren passen zich daaraan aan, andere niet. In de landbouw betekent dat een fikse stijging van de aardappel- en suikerbietenoogst, terwijl de fruitopbrengst vermoedelijk daalt omdat fruitbomen meer vorstschade oplopen. Die bomen botten steeds vroeger uit, met toenemend risico op nachtvorst. Een fruitproducent die juist profiteert van de warmte is de druivenrank. In rap tempo verschijnen in Nederland wijngaarden, zelfs in Friesland. De stijgende temperatuur zet een complex veranderingsproces in gang, zoveel is na lezing van Opgewarmd Nederland duidelijk.

Rolf Roos (red.), `Opgewarmd Nederland'. Stichting Natuurmedia, Jan van Arkel & Stichting Natuur en Milieu. Geïll., met aanvullende dvd. ISBN 9080815829, 224 blz. Prijs: €34,95.