DE BRUIDEN VAN BAGDAD

Saddams Irak was seculier. Vrouwen in Bagdad gingen goeddeels ongesluierd over straat. Maar het straatbeeld verandert. De vrouwen uit de middenklasse zijn bang voor ontvoering. En in de opstandige wijk Sadr City zien vrouwen hun pikzwarte gewaden als een bevrijding. De omgekeerde feministische revolutie in Bagdad.

Het lijken wel zeldzame tropische vogels zoals ze rondzwermen over het piekfijn onderhouden terrein binnen de hoge muren van de particuliere jachtclub in de wijk Mansor in Bagdad, het Beverly Hills van Bagdad - als er zoiets zou bestaan. In kleurige, schandalig strakke t-shirts, met donkere, golvende haren, feilloos geëpileerde wenkbrauwen en bloedstrakke jeans staan ze in groepjes bij elkaar na het meisjeszwemmen in het binnenbad. Ze wachten op hun familieleden die hen in limousines met getint glas ijlings zullen terugvoeren naar hun twee of drie verdiepingen hoge huizen achter zware, vergrendelde toegangspoorten.

Zo'n meisje op de foto krijgen is bijna net zo moeilijk als een wild dier vangen. Praten met een vreemdeling doen ze overigens graag: ze vragen welke muziek je leuk vindt, of je getrouwd bent, en hoe het voelt om in Bagdad rond te lopen, waar je gemakkelijk het slachtoffer kunt worden van ontvoerders. 'Ik heb wel andere Amerikaanse vrouwen zoals jij gezien', zei een meisje me na haar tennisles in foutloos Engels. 'Je ziet zó dat het buitenlanders zijn.' Gelukkig hebben ontvoerders minder kijk op kleding dan Bagdadse meisjes van zestien.

Aan het meest toeschietelijke meisje dat ik vandaag heb ontmoet, vraag ik of ik haar mag fotograferen, zonder naam, alleen maar een foto, niet voor een krant uit Bagdad. Ze weigert. Ze kijkt om zich heen om te zien wie haar met een journalist heeft zien praten. Naast hun verbluffend westerse uiterlijk is er één ding dat dit soort Iraakse meisjes allemaal gemeen hebben: angst.

In de ruim anderhalf jaar sinds de Amerikaanse inval heeft zich in Irak een explosieve toename voorgedaan van alle mogelijke vormen van misdaad en geweld: ontvoeringen, diefstal, moord, eerwraak en de voortdurende guerrilla tegen de bezetters en tegen iedereen die met hen of met de nieuwe regering te maken heeft. Naast de bezetters en hun voorlopige instanties zijn de rijken en de middenklasse het meest geliefde doelwit van hun Iraakse landgenoten. De eenvoudigste manier om de rijken hun geld af te pakken, is hun kinderen te ontvoeren. Als een Iraakse vrouw wordt ontvoerd, is het met haar eer voorgoed gedaan. Hoe westers de vrouwen er soms ook uit mogen zien, het culturele stigma van verkrachting - of zelfs maar de suggestie van verkrachting of iets anders onbehoorlijks - staat in sommige Iraakse families gelijk aan een sociaal en soms letterlijk doodvonnis. Het gebeurt nu vaker dan vóór de oorlog dat vrouwen door verwanten worden gedood om de eer en de goede naam van de familie te bewaren.

Lijfwachten

Janar Mohammed is een Iraakse die vele jaren in Canada heeft gewoond alvorens na de VS-invasie naar huis terug te keren. Zij gaat nooit de deur uit zonder bewapende lijfwachten. Janar is de oprichtster van de Organisatie voor de Vrijheid van de Vrouw in Irak, een groep die kantoorruimte en bepaalde ideologische opvattingen deelt met de Iraakse Communistische Partij. Janar behoort tot een groep van tamelijk westers ingestelde politiek actieve vrouwen in Irak. Ze organiseert demonstraties tegen de toenemende druk van conservatieve politieke leiders op vrouwen om hoofddoekjes te dragen op school en aan de universiteit, maar ze klaagt ook de Amerikaanse strijdkrachten aan, omdat die nauwelijks enige veiligheid hebben gebracht.

Toen Janar blijf-van-mijn-lijfhuizen oprichtte waar vrouwen terechtkunnen wanneer binnen de familie hun leven gevaar loopt, werd zij ervan beschuldigd toevluchtsoorden, waarschijnlijk bordelen, te stichten voor verdorven vrouwen. Om deze huizen te beschermen, moest zij ze vestigen binnen de Green Zone, een uitgestrekt, afgesloten gebied waar de voorlopige Iraakse regering en de Amerikaanse ambassade gevestigd zijn, zwaar bewaakt door Amerikaanse troepen en geregeld het doelwit van mortiergranaten en autobommen.

Aan een demonstratie die Janar in september organiseerde, in de schaduw van het voetstuk waarop eens het standbeeld van Saddam Hussein stond, deden circa vijftig vrouwen mee. Op een kluitje, merendeels gekleed in lange zwarte abaja's, hielden ze een spandoek omhoog met het opschrift US troops out of Iraq. In het voorjaar trokken demonstraties voor de rechten van de vrouw honderden aanhangers, maar nu stond dit groepje onzekere, gesluierde vrouwen zwakjes leuzen te roepen, terwijl Janar, met rode lippenstift op en gekleed in een rood t-shirt met korte mouwen, door een megafoon riep: 'Meer veiligheid voor vrouwen op straat in Irak!' Het was een ongemakkelijk verbond tussen die conservatief geklede vrouwen en hun marxistisch ingestelde zusters.

Treurige sloppenwijk

Aan de andere kant van Bagdad, aan de overzijde van de Tigris, ligt de treurige sloppenwijk Sadr City, voorheen Saddam City. Overdag regelen in het zwart gestoken strijders van de militie van Muqtada Al Sadr er het verkeer en patrouilleren zij tegen criminelen; 's nachts verdedigen zij de wijk tegen Amerikaanse tanks. De beweging van Sadr, het zogeheten Mehdi-leger, bestaat grotendeels uit de shi'itische Irakezen die in 1991 en nogmaals in 1996 tegen Saddam Hussein in opstand zijn gekomen. Dit zijn mannen die samen in de gevangenis hebben gezeten en die wegens werkelijke of vermeende samenzweringen tegen de staat van Saddam zijn gefolterd in de politieke afdeling van de beruchte Abu Ghraib gevangenis.

In de gebieden waar het Mehdi-leger het voor het zeggen heeft krijgen handelaren in alcohol of porno, dieven en drugshandelaren slaag of erger.

Schoonheidssalons en bruidswinkels die vroeger hun diensten aanprezen met handgeschilderde platen van zwaar opgemaakte vrouwen met pruillippen en blote schouders, kregen van de militieleden het verzoek om die over te schilderen en om foto's uit glamourtijdschriften uit de etalage weg te halen. Voormalige

Ba'athisten, mensen die worden verdacht van spionage voor de Amerikanen, employees van de voorlopige Iraakse regering en Iraakse politieagenten die niet meewerken met de militie, worden bedreigd of geëxecuteerd. Voor wie niet tot die categorieën behoort is Sadr City veruit het veiligste deel van Bagdad. Hier kunnen meisjes - wijselijk conservatief gekleed natuurlijk - onbevreesd met hun vriendinnen naar school of in hun eentje naar de buurtmarkt lopen.

Kapster

We zijn een paar blokken verwijderd van de Al-Heqma moskee, het spirituele hart van Muqtada Al Sadrs beweging in Bagdad. Achter de matglazen ruiten van een kapperszaak aan de Chiwaderstraat zit een groep vriendinnen zwetend te praten in de verstikkende lucht, terwijl een kapster een bruid opmaakt voor haar bruiloft.

Het is niet te harden in het gewaad van zwarte nylon, een joeba, dat ik in deze conservatieve buurt als camouflage draag. In de kapperszaak kunnen wij ons hoofd ontbloten. Opgelucht trek ik het gewaad over mijn hoofd. De journaliste die mij vergezelt, en die gelukkig Arabisch spreekt, volgt mijn voorbeeld.

Suad Mizher, een beeldschone vrouw van 21 jaar in een Assepoesterjurk van goudlamé, leunt achterover in een stoel van zwart vinyl. Van haar voorhoofd tot aan het lage decolleté van haar jurk is ze bedekt met een dikke laag witte make-up. Haar ogen zijn opgemaakt met brede, zwarte eyeliner, regenboogkleurige oogschaduw en fonkelende glittertjes. Haar toekomstige echtgenoot heeft haar instemming, maar ze heeft nog nooit met hem gesproken - wat in de conservatieve kringen van Sadr City gebruikelijker is dan in de rijke buurt Mansor. Zij kent hem uit de verte. Ze zijn vluchtig aan elkaar voorgesteld, maar toen was zij te nerveus om iets tegen hem te zeggen.

Wij vragen Suad waarom vrouwen bij deze smoorhitte toch de traditionele zwarte abaja dragen. 'De vrouw is net als andere kostbaarheden die je kunt kopen', antwoordt zij, 'net als goud, en je moet haar beschermen. Als zij zichzelf beschermt, zal haar echtgenoot haar ook beschermen.'

Wat is er sinds de oorlog voor deze vrouwen veranderd? 'Wij hebben nu meer geloofsvrijheid, vooral in Sadr City', zegt Suad. Ze vertelt dat als een vrouw vroeger conservatieve islamitische kleding droeg, er in het archief van Saddams geheime dienst 'een uitroepteken achter haar naam kwam'.

En wat vinden zij van het Mehdi-leger? Noal Nagem Saad, een vrouw van 28 met een stralende huid en roze lippenstift - zij heeft een universitaire opleiding en is bevoegd lerares - antwoordt: 'Wij willen allemaal een shi'itische regering, niet meer en niet minder. Onze religie heeft alles, wetten en een regering.' De kapster draait een stijve krul, spuit er haarlak op en zegt: 'Ja, wij willen geen wereldlijke regering, zoals Turkije.'

Wanneer de make-up van de bruid af is, wordt er even overlegd wat er nu moet gebeuren. Een van de vrouwen haalt een kussensloop te voorschijn en doet dat over het hoofd van de bruid. Daarna opent ze de deur van de kapsalon. De blinde bruid wordt aan haar ellebogen naar buiten geleid en zonder veel omhaal achterin een wrakke, gele auto met kapotte ruiten gezet, die met een familielid achter het stuur wegrijdt.

Zeven zwarte vrouwen

Een paar dagen later lukt het me eindelijk om enkele vrouwen van het legendarische Mehdi-leger te fotograferen, wat ik al een maand lang heb proberen te regelen. Op het afgesproken tijdstip worden mijn vertaalster Zahraa en ik door een lid van het Mehdi-leger naar het huis van een plaatselijke sjeik gebracht. Daar mogen wij plaatsnemen in een diwan (ontvangstruimte). In een hoek staat een reusachtig, kunstig geschilderd portret van Muqtada Al Sadr. Zeven geheel in het zwart gestoken vrouwen, hun gezichten bedekt met een boesjija, zitten aan de andere kant van het vertrek op een rij tegen de muur. Wanneer wij binnenkomen, staan zij op en begroeten ons in koor. Wij gaan met z'n allen op kussens op de grond zitten en krijgen een glas cola aangeboden. Een van de vrouwen, die zwarte handschoenen draagt, houdt haar ondoorzichtige sluier onhandig dicht tegen haar gezicht om beter te kunnen zien. Zo maakt ze de fles open. Die glipt uit haar handen, valt op de grond en bespat het kleed en het portret van Muqtada. De vrouwen slaken kreten, en een paar van hen springen op om met de zoom van hun abaja het schilderij schoon te vegen. Kennelijk zijn deze gewaden niet geschikt voor bedienend personeel; ze zijn bedoeld om in het openbaar te worden gedragen, niet thuis in gezelschap van naaste familie.

Gedwongen

Na een paar inleidende vragen krijg ik te horen dat dit de vrouwen uit de militie van Sadr zijn, met hun vriendinnen. Door de boesjija's en de aanwezigheid van mannen is de sfeer erg gedwongen. Daarom vraag ik mijn mannelijke begeleiders van het Mehdi-leger of zij zo goed zouden willen zijn ons alleen te laten, opdat wij over 'vrouwenonderwerpen' kunnen praten. Hoffelijk voldoen zij aan mijn verzoek. Zodra de deur achter hen dichtvalt, rukken de vrouwen hun sluiers af, als een kamer vol bruiden op hun trouwdag. Het vertrek lijkt ineens een stuk lichter te worden. Zij kijken elkaar en ons aan met een brede glimlach op hun jonge tot middelbare gezichten. Enkelen van hen zijn, zonder make-up, verbluffend mooi; het is een grote verandering na het niets waar ik daarstraks tegenaan keek.

Ik vraag of zij de boesjija graag dragen. 'Wij hebben ons altijd zo willen kleden', zegt Leyla, een bekoorlijk meisje van twintig met een ovaal gezicht en amandelvormige ogen dat ik al eerder had ontmoet. Doordat zij voor mij instond, kon ik de anderen te spreken krijgen. 'Maar onder Saddam was het niet mogelijk, wij zouden zijn gevolgd en hij zou aan de weet zijn gekomen dat onze mannen tegen hem waren.'

En is hun rol veranderd? Strijden zij nu samen met de mannen tegen de Amerikanen? 'Op dit moment strijden wij niet', zegt de mooiste vrouw, met de zwartste ogen, 'maar als onze mannen ons nodig hebben, staan wij klaar, als onze echtgenoten martelaren worden en er niemand over is om te strijden.'

Op mijn vraag of iemand van hen een vuurwapen weet te hanteren, antwoordt Faiza (31 jaar, niet getrouwd) dat ze laatst van een buurman heeft geleerd met een kalasjnikov om te gaan. 'Wij dienen als reserve voor de mannen. Voor als ze ons nodig hebben.'

Een andere vrouw zegt dat de Amerikanen in de moskee in Kufa, waar Muqtada zelf preekt, gevangengenomen vrouwen die de militie van Sadr steunden, de borsten hebben afgesneden. Ik vraag of iemand van hen dit zelf heeft gezien. Dat is niet het geval, maar ze zijn er toch tamelijk zeker van.

Ik vraag of ik een foto mag maken. De sluiers komen weer te voorschijn en één vrouw haalt uit een achterkamer een automatisch geweer. Ze formeren zich rond het portret van Muqtada. Het jongste meisje, dat een jaar of tien is, durft niet goed op de foto. De andere vrouwen beknorren haar, duwen haar het geweer in handen en poten haar voor het portret. Ze verbergt haar gezicht, bijna in tranen. Ik zeg haar dat het wel goed is zo, dat ik haar foto niet nodig heb. Ze verdwijnt als een haas.

Later spreek ik met Leyla alleen, in het huisje waar ze met haar moeder en haar broer woont. Haar vader is gesneuveld in de oorlog tussen Iran en Irak. De piepkleine woonkamer hangt vol met portretten van Muqtada Al Sadr.

Anders dan de meeste jonge vrouwen die ik heb ontmoet, weifelt Leyla over het huwelijk. 'Ik ben een strijder, en ik trouw alleen als mijn echtgenoot daarmee akkoord gaat', zegt zij. Op mijn vraag of ze een geweer kan hanteren, zegt ze van ja, maar niet erg goed. Hoe ga je dan strijden, vraag ik. Zij zegt dat ze explosieven kan ombinden en een zelfmoordaanslag kan plegen. En als je daarbij ook onschuldige mensen doodt?, vraag ik. 'Ik zal zorgen dat er alleen maar Amerikaanse of Iraakse troepen in de buurt zijn', antwoordt ze. 'Ik bid iedere dag dat ik een martelares mag worden.'

Leyla's moeder kijkt hulpeloos toe, alsof ze iets zou willen zeggen. Maar ze houdt haar mond.

Vertaling Jaap Engelsman

Kael Alford is een Amerikaanse fotografe. Ze werkte de afgelopen drie maanden in Irak.