Braaf en wat onzeker

Meisjes scoren jaar in jaar uit slechter dan jongens met rekenen op de Citotoets. Er is een oplossing, maar niemand lijkt echt geïnteresseerd.

AFGELOPEN voorjaar scoorden de meisjes van groep acht gemiddeld opnieuw slechter dan de jongens met rekenen op de Cito-eindtoets. Deze trend, die al zo'n twintig jaar gaande is, en waarin Nederland afwijkt van de meeste andere landen in de wereld, lijkt niet veel mensen te beroeren. Het Cito reageert vrij lauw: `Als u een verklaring heeft hou ik mij aanbevolen, we gaan dit nader onderzoeken', zei Gerrit Staphorsius van de Cito-groep eerder dit jaar in deze krant.

Marja van den Heuvel-Panhuizen, medewerker bij het Freudenthalinstituut dat onderzoek doet naar het wiskunde-onderwijs en hoogleraar `Didaktik der Mathematik' aan de Universiteit van Dortmund, heeft zich verbaasd over het zogenaamd onoplosbare raadsel. ``Wij hebben in 1999 een onderzoeksrapport gepubliceerd – het Mooj-onderzoek – waarin wij met verschillende verklaringen komen voor het gemiddeld slechter scoren van de meisjes. Voor dit onderzoek hebben wij nota bene gebruik gemaakt van gegevens van het Cito.''

braver

Het Freudenthalinstituut heeft op grond van de bevindingen van het Mooj-rapport met subsidie van het ministerie van Onderwijs een bijscholingscursus samengesteld voor leerkrachten, de `nascholingsmodule Meisjes-Jongens'. Wat leerkrachten er leren is dat meisjes en jongens meestal anders omgaan met de aangeboden lesstof. Meisjes zijn over het algemeen braver en iets onzekerder. Dat heeft tot gevolg dat ze het minder goed doen bij sommen waar het aankomt op een soort lef, zoals schatten en hoofdrekenen. Bij deze onderdelen ben je namelijk gedwongen om je minder aan vaste regels te houden en daar houden meisjes niet zo van. Een goed voorbeeld van een hoofdrekensom die door jongens vaak beter wordt gemaakt dan meisjes is `hoeveel is 600,25'. Meisjes zullen bij dit soort sommen eerder gaan cijferen. Zij zetten de getallen onder elkaar en reken het sommetje uit zoals ze dat geleerd hebben. Jongens zullen eerder naar andere oplossingsstrategieën kijken. Die delen bijvoorbeeld 60 door 4. Of ze denken 100,25 is 2,5 en 62,5 is 15. Ze goochelen als het ware wat meer met de getallen. ``Eigenlijk letten meisjes te goed op voor dit soort sommen'', zegt Van den Heuvel-Panhuizen. ``Ze zitten daardoor te veel vast aan de geleerde oplossingstechnieken.''

Wat er bij de `schat-sommen' vaak mis gaat is dat meisjes naast minder lef, ook nog eens minder kennis van maten hebben. Jongens blijken over het algemeen meer losse getallenfeitjes te kennen dan meisjes. Een meisje in het Mooj-onderzoek schat de afstand tussen Groningen en Maastricht op 60 kilometer. Het gewicht van een baby – `tussen de 300 en 500 pond?' vraagt het meisje, `3 kilo of zo', zegt de jongen. Het zijn individuele voorbeelden maar volgens het Mooj-onderzoek zijn ze illustratief voor wat er aan de hand is bij meisjes. Een verklaring hiervoor is dat meisjes meer gericht zijn op de kwalitatieve dan op de kwantitatieve aspecten van hun omgeving.

Als je wilt dat meisjes ook op deze rekenonderdelen goed scoren dan zal je als leerkracht twee dingen moeten doen. Je moet benadrukken dat je best van de geleerde rekentechnieken mag afwijken – bijvoorbeeld door verschillende oplossingsstrategieën te bespreken in de klas. En je zal bij meisjes harder moeten werken om hun maatkennis op een goed niveau te krijgen.

Wat verder een rol speelt bij de rekenprestaties van meisjes, is de veilige leeromgeving. Want op scholen waar jongens en meisjes het wél even goed doen, blijken er hele goede sociale regels zijn. Zo wordt er bijvoorbeeld niet gelachen om foute antwoorden en is er een ordelijke sfeer. Kortom, een leerklimaat waarin meisjes, die hun eigen rekenvermogen toch al lager inschatten dan van jongens, wél hun vinger durven op te steken om antwoord te geven op een vraag. Als een leerkracht het meisje dan ook nog eens een langere denkpauze geeft om haar antwoord te verbeteren als dat nodig is, is er veel gewonnen. Want in de praktijk blijkt dat jongens – vaak onbewust – langer de tijd krijgen om een fout te herstellen omdat van hen eerder wordt verwacht dat zij het antwoord uiteindelijk wel weten. Opvallend is dat meisjes op meisjesscholen, waar alle leerlingen op dezelfde manier benaderd worden en de `angst' voor de assertievere jongens niet wordt gevoeld, veel betere resultaten behalen bij wiskunde en rekenen dan meisjes op een gemengde school.

We weten dus hoe het komt dat meisjes slechter presteren en er is een cursus om het probleem aan te pakken. Waarom is er dan niets veranderd? Volgens Erica de Goeij, die als medewerker van het Freudenthalinstituut én leerkracht betrokken was bij het tot stand komen van de nascholingsmodule `Meisjes-Jongens', heeft het te maken met een gebrek aan animo. ``Leerkrachten gaan liever naar een nascholingscursus over pesten of ADHD. Als leerkrachten al een vakinhoudelijke nascholingscursus willen volgen, dan kiezen ze liever voor het lees- en taalonderwijs. Rekenen staat bij de meesten onder aan het lijstje en `meisjes en rekenen' helemaal.'' Dat laatste komt waarschijnlijk omdat de meeste leerkrachten er van overtuigd zijn dat zij geen onderscheid maken tussen jongens en meisjes. De Goeij: ``Bij de eerste try-outs werkten we met een aantal docenten die niet bewust voor de cursus gekozen hadden. De meesten vonden het aanvankelijk dan ook onzin. Of ze vonden het logisch dat die verschillen er waren; `jongens spelen van jongs af aan met blokken, dat is nu eenmaal zo'.''

De aanvankelijke scepsis van de eerste groep proefcursisten maakt hun positieve reactie ná de cursus des te opmerkelijker. De Goeij: ``Veel leerkrachten vonden het een echte eye-opener. Op zich herkenden zij best de verschillen tussen jongens en meisjes maar ze hadden het niet voor mogelijk gehouden dat het ook maar iets met hun eigen manier van lesgeven te maken zou kunnen hebben.'' Mevrouw Sobha Mangroe, leerkracht op de Shri Saraswatieschool in Rotterdam, volgde de cursus en kwam ook tot dit inzicht: ``Toen ik eens kritisch naar mijn eigen manier van lesgeven ging kijken moest ik eerlijk toegeven dat ik geneigd was om de moeilijke sommen door jongens te laten oplossen, gewoon omdat ik dacht dat zij dat beter aan zouden kunnen. Dat doe ik nu niet meer, ik geef nu bewust de meisjes ook een beurt. En dan geef ik ze ook wat meer tijd om over het antwoord na te denken. Het leuke is dat ik zie dat het werkt. De meisjes presteren nu echt beter.''

De Goeij is blij met iedere verbetering maar waarschuwt dat je niet te vroeg moet juichen. De cursus wordt gevolgd door individuen. Die kunnen wellicht voor een iets betere situatie in hun eigen klas zorgen. Maar als de school niet helemaal achter de nieuwe aanpak staat, zal het nog lang duren voordat je de resultaten terugziet in de uitslagen van de Citotoets.

Lianne de Vet, pabo-docent aan de Hogeschool Inholland Haarlem – een van de aanbieders van de nascholingscursus – plaatst de problematiek in een breder kader. ``Er wordt in Nederland ten onrechte geconcludeerd dat de vrouwenemancipatie inmiddels wel voltooid is – zo is een aantal jaren geleden de subsidie voor de werkgroep `vrouwen en wiskunde' stopgezet. Maar er is echt nog veel te doen. Het is toch raar dat we jaar in jaar uit de betere prestaties van jongens met rekenen als een gegeven beschouwen. Ik weet nog dat in Nieuw Zeeland het omgekeerde speelde. Daar waren de meisjes opeens beter. En dat haalt dan wel alle kranten.''

zes of zesje

Er zijn nog meer voorbeelden van de vanzelfsprekendheid waarmee wordt aangenomen dat meisjes minder goed kunnen rekenen. De Vet: ``Als mijn dochter een zes haalt voor wiskunde vindt de docent dat prima, als mijn zoon een zes haalt, moedigt de docent hem aan toch wat meer zijn best te doen.'' De gevolgen van deze manier van optreden zijn merkbaar tot aan de universiteit; de populariteit van bètavakken onder vrouwen is in het buitenland veel groter dan hier, zo constateerde de onderwijsinspectie in een recent rapport. In Zweden en Groot-Brittannië bijvoorbeeld is het aantal afgestudeerde vrouwelijke bèta's van 20-29 jaar bijna tweemaal zo hoog als in Nederland.

Wat is nu de oplossing voor dit probleem? Moeten we terug naar sekse-gescheiden onderwijs? Volgens De Vet niet. ``Dat past helemaal niet in de Nederlandse samenleving. Ik denk dat leerkrachten op dit vlak gewoon wat meer hun best moeten doen. Daarnaast zou het heel nuttig zijn als scholen en beleidsmakers meer aandacht zouden besteden aan het rekenen. Om te beginnen zou iedere school een vaste rekencoördinator moeten aanstellen. Nu is dat een taakje dat een of andere enthousiasteling er een beetje bij doet, maar het is geen officiële functie. Verder zou het rekenonderwijs meer kunnen profiteren van de interne begeleiders die op steeds meer scholen zijn aangesteld. Deze mensen observeren leerkrachten en geven hun feedback over hun manier van optreden. Gelukkig zie je dat leerkrachten steeds vaker positief reageren op deze feedback. Dat geeft hoop voor de toekomst.''