Apentaaltje

Ik weet dat het geheugen een verraderlijk mechanisme is. Vandaar de bescheiden opening: ik meen me te herinneren. Op de achterpagina. Uit de serie IK@NRC.NL. Over een jongen die op een kantoor stage loopt en een mevrouw helpt die problemen heeft met haar computer. De jongeman gedraagt zich uitermate beleefd, spreekt keurig met twee woorden en als hij wil opmerken dat een bepaald probleem inderdaad heel lastig is, beaamt hij dat met: dat is ook heel erg kut, mevrouw.

Vreselijk. Vreselijk sneu, bedoel ik, voor die jongen die niet geleerd heeft dat die term in die situatie volstrekt ongepast is. Dat heeft hij blijkbaar niet van huis uit meegekregen en op school is hem dat naar het schijnt ook niet duidelijk gemaakt. Voor veel kinderen van immigranten geldt dat ze de fijnere kneepjes van de omgangsvormen thuis niet leren. De kennis van hun ouders is daartoe in de regel ontoereikend. Zo hoorde ik onlangs in de tram hoe een meisje haar vriendin `kankerhoer' toevoegde. Niet als scheldwoord, maar veeleer speels, zo van: doe niet zo raar jij. Zo klonk het althans en zo was het, getuige de reactie van de vriendin, ook bedoeld, want vrolijk kwebbelde het tweetal verder.

Hier moest ik aan denken toen ik afgelopen weekend in het Zaterdags Bijvoegsel het dagboek las van Rob Malasch. Deze Amsterdamse galeriehouder, die ooit in een ver verleden de opleiding tot onderwijzer had gevolgd, had zich onlangs aangemeld voor een opfriscursus voor herintredende leerkrachten. Niet met de bedoeling om weer in het onderwijs te gaan werken maar uit nieuwsgierigheid. Hij wilde weten waarover iedereen het heeft, als het over zwarte scholen gaat. Daartoe is hij stage gaan lopen op een basisschool in de Amsterdamse achterstandswijk Geuzenveld, op een school die voornamelijk bevolkt wordt door moslimkinderen met een Marokkaanse of Turkse achtergrond.

Malasch vertelt over de lessen die hij volgt bij meester Maarten die groep zes, kinderen dus van een jaar of 10, onder zijn hoede heeft. Als meester Maarten opdracht geeft iets op te schrijven in goed Nederlands voegt hij een van de leerlingen toe: `In gewone mensentaal, Jaouad! Niet in dat apentaaltje dat jullie thuis brabbelen.' Als de kinderen rumoerig zijn maant meester herhaaldelijk tot stilte met `Koppen dicht!'

Meester Maarten, dat blijkt duidelijk uit het verhaal, is geliefd en heeft hart voor de kinderen. Maar wat ik nou misschien ook juist daarom niet begrijp, is dat hij zich bedient van dit soort taalgebruik. Thuis spreken de kinderen allemaal Marokkaans, Turks of Berbers. Voorzover ze met de Nederlandse taal in aanraking komen is dat dus een beetje op straat en voor de rest op school. Toen ik onlangs met mensen hierover sprak, werden ze boos. Omdat ik daar kritiek op durfde hebben. Je zou er maar voorstaan. Het is toch een soort leeuwen temmen. Dan moet je duidelijk zijn. Thuis worden ze heel wat harder aangepakt. Dat zal ongetwijfeld waar zijn, maar ik vind dat we ons ervoor moeten hoeden daarin mee te gaan. Apentaaltje en koppen dicht is nergens voor nodig. Dat bewijst ook het boek `Juf met Staarten' van Eefje Pleij dat gaat over haar ervaringen op een vergelijkbare school. Zij benadert haar leerlingen niet anders dan op een gewone school gebruikelijk is. Pleij laat daarmee zien dat het ook anders kan. Dat leidt soms tot bittere teleurstellingen, maar ze krijgt er ook heel veel voor terug. Juist omdat zij oog heeft voor die beide zijden van de medaille, zou haar boek verplichte lectuur moeten zijn voor iedereen die zich bezighoudt met onderwijs aan immigrantenkinderen, en uiteraard voor al diegenen die interesse hebben in dit onderwerp.

lgm.prick@worldonline.nl