Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Deze week zocht ik István op. István ging op 22-jarige leeftijd vanuit Hongarije naar Tanzania. Toen hij 24 was had hij zijn eigen safaritourbedrijf en op zijn 26ste sloeg hij 's nachts met een landrover over de kop waardoor hij drie dagen in coma lag en aan één zijde volledig verlamd raakte.

Nu is hij 48, heeft een baan op de reptielenafdeling van de Boedapester dierentuin en woont in een wijk waar ik nog nooit geweest was – een Oostblok variant van de Bijlmermeer. Hoge, dertig jaar oude flats, daartussen stukken niemandsland waar de wind snijdend doorheen blaast. Het is koud en donker. Op de parkeerplaats tussen de twintig verdiepingen hoge flats staat temidden van de Skoda's, de Japanners en een enkele Trabant een landrover met een metalen imperiaal.

In het bleke licht van de hal van het afgetakelde flatgebouw wachten twee mannen. In het betongetto gelden, of je het wil of niet, de wetten van de jungle. In een fractie van een seconde besluit ik dat ze geen gevaar vormen. De een is te dik, de ander te lang. Ik kan me met een gerust hart omdraaien naar de honderden brievenbussen, om te zien op welk nummer István woont.

Dan komt de lange man naar me toe. Het ís István. Hij sleept met zijn rechterbeen en geeft me zijn linkerhand. Hij heeft een Hemingway-achtige baard en wakkere ogen. Hij begeleidt me naar de lift. In zijn flat sluit hij met de linkerhand de deur met verscheidene zware grendels. Direct links na de voordeur is een badkamer waar je je kont niet kan keren. Daar moet ik naarbinnen. István toont me opgetogen twee schilderingen op de witte badkamertegels: een met olifanten bij een boom en een met leeuwen in de savanne.

,,Hukoo van Laawieck'', zegt hij met zachte stem terwijl hij het douchegordijn opzij houdt en naar de olifanten knikt. De schilderingen zijn gemaakt naar foto's van de beroemde Nederlandse natuurfilmer met wie hij in Tanzania bevriend was. In zijn ogen en stem ligt zo'n liefde en verlangen dat ik wenste dat ik kon toveren.

We gaan naar de zitkamer, enkele passen verder. Het is tevens zijn slaapkamer, in de hoek staat een bed. Aan de muur is een groot metalen toestel bevestigd om spieroefeningen te doen, verder hangt er een landkaart van Tanzania en een peniskoker. Bij het raam staan vele planten en glazen bakken met reptielen.

Een schaaltje met zoutjes staat, heel Hongaars, al op me te wachten. István maakt Tanzaniaanse thee voor me. Hij laat foto's van Tanzania zien: hijzelf als jonge jongen met lange haren met in zijn armen de twee jonge leeuwen die hij thuis hield, de dierentuin van Dr. Nagy (de Hongaar bij wie hij de eerste twee jaar in Tanzania werkte), safaritochten met de landrover en terreinauto's van `Dice Safaritours'.

Als ik hem vragen stel, kost het hem tijd om te antwoorden. Hij moet zich inspannen om zich in het Engels uit te drukken, maar mooier Engels heb ik in Hongarije nog nauwelijks gehoord. Hij vertelt dat hij na het ongeluk alle talen die hij geleerd had in één keer kwijt was; Engels, Duits, Swahili. Dat laatste had hij in Tanzania binnen een half jaar vloeiend leren spreken.

Aan één zijde volledig verlamd, vijftien verdiepingen hoog in een afgeleefde flat in een kille buitenwijk van Boedapest, duizenden kilometers verwijderd van zijn geliefde land heeft István het binnen een half uur voor elkaar dat ik naar Tanzania wil. Ik vraag wanneer ik moet gaan, mijn zonen zijn misschien nog te klein.

,,Now! You must go now'', zegt hij en hij steekt zijn linkerduim omhoog zoals hij dat steeds doet om de schoonheid van Tanzania, de goedheid van de Tanzanianen en de kwaliteit van Landrovers te onderstrepen: ,,Nice, very nice!''

Hij vertelt dat hij dol was op hard rijden, dat hij Jane Goodall in Boedapest heeft ontmoet en dat je je ogen langdurig met melk moet uitspoelen als een cobra zijn gif erin heeft gespuugd. In de terraria bij het raam slapen de slangen, schildpadden en reptielen die zo klein zijn dat ik ze niet ontdekken kon.

Dan valt het licht uit. Ik loop naar het raam. In de hele omgeving is het licht uitgevallen, ook de lantaarns op straat. Boedapest ligt ineens midden in Afrika. Het is stikdonker. Ik informeer of dit vaak gebeurt.

,,No, not so often'', zegt István doodgemoedereerd, half liggend op bed: `Only the elevator does not work.' Hij ondergaat zijn lot met flegmatische lichtvoetigheid die eerder een Engelsman past dan een Hongaar. Na enige minuten gaat de computer weer aan en dan volgen de lichten.

Als ik niet lang daarna wegga, zeg ik, met één voet in de lift, dat ik hoop dat de stroom niet nog eens uitvalt.

István stelt me gerust: ,,No, that will not happen.'' Dan begint hij te glimlachen en voegt er malicieus aan toe: ,,Maybe.''