Zachte krachten, aan het werk

Links loopt leeg, sneert rechts. Paul Kalma doet een poging het erfgoed van de gelijkheidsdenkers te herijken voor de nieuwe tijd.

Het is bekend dat Frits Bolkestein geen intellectueel wil worden genoemd, maar veel langer zal hij hieraan niet kunnen ontkomen. Na zijn afscheid van de Brusselse politiek is hij aan twee universiteiten bijzonder hoogleraar geworden, en gaat hij een boek schrijven over de rol van linkse intellectuelen in de wereldpolitiek.

We zullen moeten afwachten of Paul Kalma in dit boek een plaatsje krijgt. Je zou denken van wel. Kalma kan met recht worden beschouwd als een van de meest invloedrijke linkse intellectuelen in Nederland. Socioloog van huis uit, directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA (Wiardi Beckman Stichting), oudgediend redacteur van Socialisme & Democratie: geen wonder dat Kalma bij rechtse critici bekend stond als prominent voorganger van de `linkse kerk'. Onder hen bevond zich een opgewonden Elsevier-columnist, die door de auteur al in 2000 werd neergezet als de `ontketende kaaskop': de aanstichter van wat Kalma nu beschrijft als de `postmoderne hufterigheid' die in Nederland salonfähig is geworden.

Met De illusie van de `democratische' staat (1982) en Het socialisme op sterk water (1988) forceerde Kalma een debat over de idealen en de koers van de PvdA dat aanzienlijke gevolgen heeft gehad. In het laatste boek bepleitte hij een zakelijk sociaal-liberalisme dat afscheid nam van het socialisme-oude-stijl. In de jaren van ideologische kaalslag onder Kok zal Kalma wel hebben verzucht dat de partij zijn advies om het socialisme `op sterk water' te zetten iets te letterlijk had genomen. Alsof hij iets goed te maken heeft, pleit hij nu in zijn jongste boek voor een nieuwe linkse beginselpolitiek, zonder de eerdere liberale toonzetting van zijn socialisme te verloochenen. De heldere en trefzekere samenvatting van zijn recente `gedachtegoed' kan dan ook worden gelezen als teken van een hernieuwd zelfvertrouwen van links, dat de grootste verwarring voorbij is en veel minder `leeg' is dan vaak wordt gedacht.

Tegen de neoconservatieve tijdgeest in, die vraagt om hardheid en zekerheid, om snelle beslissingen en simpele oplossingen, heeft Kalma de moed om aandacht te vragen voor de zachte krachten, de bescheidenheid, de vertraging en de nuance. De historische kracht van democratisch links schuilt volgens hem paradoxaal genoeg in zwakte, of ambivalentie. Links heeft de productieve dynamiek van het moderniseringsproces altijd afgewogen tegen de destructieve effecten ervan: het had zowel oog voor mogelijkheden als voor bedreigingen van de economische en technologische ontwikkeling. De sociaal-democratie heeft (in een definitie die Kalma ontleent aan socioloog J.A.A. van Doorn) altijd strijd geleverd tegen onze afhankelijkheid van economie en technologie en tegen de heerschappij van het geld over de mens en zijn leefomgeving. In die zin is de politieke tegenstelling tussen links en rechts nog onverminderd relevant.

Het terzijde schuiven van die polariteit heeft de sociaal-democratie afgesneden van haar historische ervaring en haar ideologische tradities. Die continuïteit wil Kalma in ere herstellen. Hij grijpt daarbij terug op Den Uyl en De Kadt, en het PvdA-rapport De Weg naar Vrijheid (1951). Het individualistisch getinte cultuursocialisme verdedigt het primaat van de individuele vrijheid, en ziet het streven naar gelijkheid als belangrijkste instrument om die vrijheid voor iedereen ook materieel te realiseren. Tegenover het smalle en `introverte' vrijheidsbegrip van liberale denkers, die het individualisme reduceren tot het najagen van eigenbelang en `de vrijheid van de supermarkt', reanimeert Kalma een breder sociaal-democratisch idee van vrijheid, dat de maatschappelijke voorwaarden en inbedding van het individualisme veel sterker onderstreept, en meer oog heeft voor de schaduwzijden van het moderne vrijgevochten burgerschap (zoals onverschilligheid, onmatigheid en gebrek aan respect). In de bekende formule van De Kadt (die Kalma vergeet aan te halen) heet dit: `socialisme terwille van het individualisme'.

Het gelijkheidsstreven wordt door Kalma dus beschouwd als het belangrijkste middel om een grotere culturele verscheidenheid en sociale pluriformiteit te scheppen. Gelijkheid en verschil zijn niet alleen verzoenbaar: het een vormt een onmisbare voorwaarde voor het ander. Terecht gaat Kalma hier in tegen de neiging van de huidige PvdA-leider Bos om de gelijkheid te willen inruilen voor idealen als gelijkwaardigheid en participatie. Maar zelf roept hij een onnodig misverstand op door te blijven spreken over gelijkheid als core business van de sociaal-democratie. Zoals hij zelf herhaaldelijk duidelijk maakt is vrijheidsvergroting de kern, en `eerlijk delen' de weg ernaartoe. Dit eisenpakket staat haaks op de nivelleringsdrang die de PvdA sinds de jaren zeventig door rechts vaak is aangewreven. Kalma suggereert dat die drang zich inmiddels heeft verplaatst van politiek links naar rechts, en van het sociaal-economische naar het culturele vlak: zij manifesteert zich nu in de roep om verregaande aanpassing van immigranten aan een vermeende westerse eenheidscultuur.

Kalma houdt vast aan het reformistische ideaal van een sociale inbedding van de markteconomie. Hij verdedigt een `coöperatief' of Rijnlands kapitalisme, dat het belang inziet van `geduldig kapitaal', tragere groei en ecologische duurzaamheid, tegenover het Angelsaksische vechtkapitalisme. Hij bekritiseert het doorgeschoten marktdenken en de overhaaste privatiseringen in de publieke sector, en maakt zich sterk voor een brede, voor iedereen toegankelijke verzorgingsstaat die is ingericht op basis van een eerlijke lastenverdeling. In dit verband schrikt hij er niet voor terug te pleiten voor een progressiever belastingtarief en voor het aftoppen van de hoogste inkomens. Hij neemt het op voor de veelgeplaagde professionals in de zachte sector, die lijdt aan meritocratische verharding. Ook bij de bestrijding van de criminaliteit wijst hij terecht op de gevaren van een eenzijdig repressief beleid dat de lange termijn-oorzaken vergeet. Ook moet de sociaal-democratie het ideaal van de multiculturele samenleving in zijn ogen niet zomaar opgeven, maar vanuit haar sociale vrijheidsgedachte juist consequenter toepassen.

Kalma's pleidooi voor de `zachte krachten' geeft de linkse burger moed in een rechts klimaat van berekenend eigenbelang, marktfixatie, schreeuwerigheid en cynisme. Op één cruciaal punt schiet zijn sociaal-liberalisme echter te kort: hij onderschat het democratisch gehalte van de nieuwe populistische politiek. Kalma heeft gelijk wanneer hij zich verzet tegen een `opvliegend' populisme dat alleen maar `zegt wat de mensen denken' en dat `het land wil teruggeven aan de burgers'. Te veel afstand tot de kiezers is een probleem, maar te weinig is minstens zo ernstig. Hij is echter ook, ten onrechte, negatief over een ander populistisch element dat openingen biedt voor verdere democratisering: de tendens tot personalisering. Deze doet in zijn ogen het onderscheid tussen politiek en amusement te veel vervagen en verhaast het einde van de politieke partijen in hun huidige vorm. Hun programmatische functie de selectie van kandidaat-politici op basis van een specifiek programma verdwijnt volledig naar de achtergrond, terwijl de kwaliteit van de democratie juist afhankelijk is van de strijd tussen visies op het algemeen belang. Door de personalisering aan te moedigen `ondergraaft de PvdA haar eigen bestaansrecht'.

Hier ontpopt Kalma zich helaas als een ouderwetse partijman die te weinig oog heeft voor de wijze waarop die functie van diagnose en debat steeds meer via andere fora, met name de massamedia, wordt uitgeoefend. Enigszins krampachtig houdt hij vast aan de traditionele beginsel- en programpartij. Maar de mediademocratie is méér dan een drama of een slechte soap. Zij biedt juist nieuwe mogelijkheden voor politiek debat en herkenning dan wel erkenning, en versterkt op die manier de representatieve democratie. Het nieuwe politieke individualisme kan ook goed worden ingepast in het raamwerk van onze evenredige vertegenwoordiging. In die zin moet het populisme niet worden beschouwd als gevaar voor de democratie, maar moet het juist verder worden geïnstitutionaliseerd.

De vraag blijft hangen: welk publiek heeft Kalma met dit boek voor ogen gehad? Hij werpt zich op als woordvoerder van de sociaal-democratie, maar vereenzelvigt die rijke traditie onmerkbaar en enigszins imperialistisch met die van zijn eigen partij. Dat doet onrecht aan de tradities en het debat in de andere progressieve partijen, met name in GroenLinks. Kalma zit in feite veel dichter bij Femke Halsema's linkse liberalisme in GroenLinks dan bij het nieuwe PvdA-beginselmanifest. De PvdA is niet de `enige echte' erfgenaam van de sociaal-democratie in Nederland. Kalma's boek is dan ook geen boek voor de partij, maar eerder een boek voor een linkse doorbraak. Zo bezien is het geen groot verlies als de PvdA zou worden opgeheven om op te gaan in een breder progressief verband. Mits onafhankelijke linkse intellectuelen als Kalma maar blijven denken, en schrijven.

Paul Kalma: Links, rechts en de vooruitgang. Mets en Schilt, 381 blz. €20,–