Vijf grote liefdes en duizend bordelen

Toen enkele maanden geleden het derde deel van Norman Sherry's magnum opus werd aangekondigd leek er een zware leeslast op komst: 906 pagina's over Graham Greene's laatste zesendertig jaar. De eerste twee delen, over 1904 tot 1955, boden overdaad; te veel biografie, verzwaard met te veel samenvatting van Greene's romans. Dat Michael Holroyd vijftien jaar geleden Bernard Shaw in een driedelige biografie behandelde was plausibel, voor een literaire figuur die als een standbeeld oprijst uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Anderhalf maal zoveel pagina's en nog dikkere delen voor Greene, die heel goed was maar niet monumentaal, leek een teken van voortschrijdende inflatie in de biografie. Is men niet beter af met het ene deel van Michael Shelden uit 1994, The Man Within?

Het gemopper is ongerechtvaardigd. Al volhardt Sherry in het navertellen van de romans, hij doet dat minder uitvoerig dan tevoren, en hij beschrijft het leven zeer geanimeerd en persoonlijk. Hij heeft Greene vanaf 1976 gekend en ondervraagd en soms op reis vergezeld. Toch heeft hij een biografie geschreven waarin hij voor het grootste deel buitenstaander blijft, opgefleurd met passages waarin hij als interviewer en gespreksgenoot meedoet. Af en toe speelt hij een zelfde rol als Boswell, de stamvader van de Engelse biografen, tegenover Dr. Johnson, en incasseert hij vermaningen: zorg dat je de waarheid schrijft, voor of tegen mij, zegt de meester: ` [...] the truth, Norman, else I'll haunt you.' Sherry had zichzelf best een plaats in het naamregister kunnen gunnen, maar daar heeft hij van afgezien. Wél heeft hij zichzelf op de eerste plaats gezet van de 54 opgenomen foto's: te paard in Mexico, op literair onderzoek.

Sherry kijkt niet even hoog tegen de meester op als Boswell twee eeuwen geleden tegen de Doctor. Hij is natuurlijk een bewonderaar van de romans, maar daarom ziet hij de auteur nog niet als een bron van alle wijsheid. Dat was geen rol voor Greene. Zijn kracht lag in de uitbeelding van vreemde landen en de constructie van verhalen over verzonnen personen die verwikkeld raakten in conflicten en beklemd door hun stemmingen en emoties. De beklemming ontstond vaak door onzekerheid bij het ondervinden en toepassen van de katholieke geloofsleer. Ontkerstende lezers werden er nogal eens ongeduldig van, maar op den duur herkenden velen de onzekerheid toch ook in zichzelf.

Greene's oeuvre werd niet totaal overheerst door geloofszorgen. Die waren belangrijk in een aantal vroege en late romans, zoals The Power and the Glory, The Heart of the Matter, A Burnt-out Case, The Honorary Consul. Vanaf begin af aan diende zich ook een ander soort romans aan: de `entertainments', zoals Stamboul Train (1932) en Our Man in Havana (1958). In de tweede helft van het zestigjarige schrijverschap kwamen politieke voorkeuren meer in het zicht: een ongebonden linkse gezindheid met verontwaardiging over armoede en verdrukking en anti-Amerikanisme dat daar soms mee samenviel.

Na The Quiet American (1955), dat in de oorlog in Vietnam speelde, is de verhouding van Greene met de Amerikaanse publieke opinie nooit meer hartelijk geweest. Zijn visie op Haïti onder Duvalier in The Comedians (1966) kon men hem niet kwalijk nemen; later maakte hij de Amerikanen wél weer humeurig met zijn steun aan Panama inzake het Kanaal. Intussen had hij in 1967 zijn statuur als politiek commentator verzwakt door zijn wereldvreemde uitspraak dat als hij de keuze had tussen leven in de Sovjet-Unie of Amerika, hij meteen de Sovjet-Unie zou kiezen.

Er is aan zelfstandige ideeën, die los van hun context besproken en betwist kunnen worden, weinig te beleven in het werk van Graham Greene. Omdat zijn romanfiguren vaak beschreven worden in hun politieke conflicten en hun geloofsoverpeinzingen lijkt het erop dat hij een filosofie bij de hand had. Hij gaf daarover in 1989 een interview aan een theoloog van Oxford, Patrick Cornwell, dat Sherry uitvoerig citeert. Allemaal deskundige vragen van professor Cornwell, allemaal halve en schouderophalende antwoorden van de romancier. Wat hijzelf precies geloofde was niet zijn onderwerp; het ging hem om wat de romanfiguren beleefden. Bij een andere gelegenheid heeft hij gezegd dat hij alleen faith had, geen belief – te vertalen als `ik ben alleen gelovig – ik geloof niet.'

Al waren zijn politieke opvattingen duidelijker, er was ook niets baanbrekends bij. Als man van uitzonderlijke begaafdheid moeten we ons Greene romanschrijvend voorstellen en niet filosoferend. Het schrijven was een van de twee activiteiten waarmee hij zich over de depressies heen kon zetten die hem telkens overvielen. Hij was soms suïcidaal (zijn katholicisme verbood hem wellicht daar aan toe te geven); in mildere stemmingen had hij last van onuitstaanbare verveling, waarover hij zich ook vaak heeft uitgesproken. De makkelijkste remedie was reizen: ergens heengaan waar hij een boek kon bedenken, dan het schrijven en daarna keerde de verveling terug.

Nu lijkt het er zo langzamerhand op dat er eigenlijk weinig aan hem te ontdekken is in een biografie. Dat valt mee, voor een deel dankzij een andere vorm van activiteit tegen de verveling: het seksuele leven. Greene was daar energiek in en heeft een onberekenbare score bereikt in eenmalige bevredigingen, met betaalde of onbetaalde partners. Ik ben trots dat ik in de ogen mag kijken die duizend bordelen van binnen gezien hebben, zei een medegast tegen hem op een ontvangst. Niemand beweerde dat dat overdreven was, maar routine was het wél. Greene's grote liefdes, vijf in totaal afgezien van zijn vroege huwelijk, hebben hem ieder op hun beurt in beslag genomen. De langst durende relaties waren die met Catherine Walston en Yvonne Cloëtta, heel bijzondere vrouwen met bijzondere achtergronden, namelijk gezinnen.

Catherine was de vrouw van een aanzienlijke Midlander, Harry Walston, van wie gezegd werd dat hij zich nooit opwond, dus ook niet over Greene met wie hij wel sprak en correspondeerde. De liefdesrelatie, begonnen in 1946, begon omstreeks 1955 uit te dunnen; de mooiste tijd ervan staat dus voornamelijk in Sherry's deel II. Uitdunnen betekende niet dat de minnaars genoeg van elkaar hadden, alleen dat zij minder gretig de afstanden aflegden om samen te zijn. Greene's helft van hun correspondentie bleef nog jaren lang intens en toegewijd. Die van haar waarschijnlijk ook, te oordelen naar zijn antwoorden. Haar brieven zijn er niet meer, wat zijn schuld moet zijn: over haar leven, dat lang niet eenkennig was, vertelde ze weinig.

De briefwisseling met Catherine hield nooit helemaal op, tot haar dood in 1978, toen haar plaats als minnares allang was ingenomen door Yvonne Cloëtta, een Française die in Antibes woonde waar Greene in 1965 om belastingredenen ook zelf een appartement nam. Yvonne heeft hem tot zijn dood toe gezelschap gehouden, meestal

's middags in de tijd dat hij niet op reis was. Zij staat op een foto van zijn begrafenis samen met haar dochter Martine, wier scheiding van een louche echtgenoot de aanleiding is geweest tot een kleine, late politieke uitbarsting van Greene: J'Accuse (1982), over criminele invloeden in het stadsbestuur van Nice.

Wie zich Greene schrijvend, reizend en minnend heeft voorgesteld moet voor de volledigheid het beeld nog aanvullen met zijn ruime drankgebruik. Hij kon er goed tegen, en het is wel geopperd dat de aftakeling van Catherine's gezondheid verhaast is doordat zij met hem meedeed.

Nog een karakteristiek om aan het beeld toe te voegen: zijn manier van lachen, vriendelijk met een natuurlijke bescheidenheid, `rare in the truly famous', schrijft Sherry. En V.S. Pritchett, zijn leeftijdgenoot onder de romanschrijvers, had plezier in zijn `vlakke, samenzweerderige, lachende stem' aan de telefoon.

Zo wordt de man enigszins zichtbaar en hoorbaar. Helemaal een bekende wordt hij niet, ook niet uit de meer dan 2.500 pagina's in drie delen. De suggestie iemand ontmoet te hebben komt soms sterker naar voren uit compactere biografieën, van een pagina of driehonderd. Een levensbeschrijving die veel langer doorgaat versterkt op den duur het besef dat we zoveel juist niet te weten komen. Zeven-en-tachtig jaar, meer dan 30.000 dagen: wie zou het hele kriskras verloop daarvan kunnen bevatten? Niemand natuurlijk. En wie dat op zijn eigen leven met vrienden en bekenden betrekt, kan in een serene stemming raken, als achtergrond van wat Sherry in zijn derde deel allemaal aan het licht heeft gebracht.

Norman Sherry: The Life of Graham Greene. Volume III, 1955-1991. Jonathan Cape, 906 blz. €49,95