Schim tussen de levenden

Wie meent dat wij nu het tijdperk van de Verlichting meemaken houdt geen rekening met Helmut Krausser. Deze nog vrij jonge Duitse auteur geeft in zijn romans het moderne leven steeds een verrassende draai waardoor we het rijk van het bovenzinnelijke, het onverklaarbare, het fantastische binnentreden. De wetten van het nuchtere verstand zijn daar buiten werking gesteld en ervoor in de plaats komen duistere driften.

Als een ware nazaat van de Duitse Romantiek spoort Krausser de nachtzijde van de mens op, zijn demonische, getikte kant, afgesplitst van het alledaagse bewustzijn waaraan hij te zeer lijdt. Kraussers protagonisten zijn psychopaten van de exquise soort, gevoelig tot in het merg en even vatbaar voor muziek als voor misdadigheid. De alchemist Castiglio in Melodieën is zo obsessief op zoek naar de Stem Gods in melodieën dat hij de grens van goed en kwaad ongemerkt overschrijdt. De jongeman Stanislaus Nagy in Der grosse Bagarozy houdt zoveel van de zangeres Maria Callas dat hij in de duivelse gedaante van een zwarte poedel affectie bij haar zoekt. En de wetenschapper Konrad Johanser in Thanatos begaat een moord om niet vervolgd te worden voor vervalsing – van romantische dichters die hij grenzenloos bewondert.

Thanatos, al in 1996 in Duitsland verschenen, is er eindelijk in een Nederlandse vertaling – een goede, van Ria van Hengel. De woorden schurken niet te erg tegen het Duits aan en toch is de couleur locale behouden. Dorpen heten bij Van Hengel nog steeds `Bullbrunn' of `Überach' en de `Schwäbische Alb' blijft de `Schwäbische Alb'. Johanser zoekt er zijn toevlucht omdat zijn leven in de grote stad is mislukt. Zijn werkgever heeft hem ontslagen, zijn vrouw kijkt op hem neer en zijn minnares, een stille junkie, is spoorloos verdwenen.

Konrad trekt bij familie in. Een provinciale idylle: vader, moeder en kind in een huis met tuin. Alleen doet het kind nogal lelijk. De puberzoon steekt zijn vijandschap jegens de indringer niet onder stoelen of banken. In navolging van de laat-romantische fantasy-schrijver E.T.A. Hoffmann speelt Krausser met het enge motief van de dubbelganger. Benedikt Henlein lijkt sprekend op Konrad toen die zestien was. Evenveel pukkels, even intelligent en net zo opstandig. Ook Konrad groeide in de Zuid-Duitse provincie op, en zijn ouders hielden de idylle al net zo krampachtig in stand als de ouders van Benedikt.

Maar Konrad was liever een kind van de Henleins geweest dan van de Johansers, die hem mishandelden. Zijn innesteling in de schoot van het Henlein-gezin is niet in de laatste plaats een poging om een kromgegroeide kindertijd recht te zetten en in zoverre wint Konrad onze sympathie. Hij steelt ook het hart van de vrouw des huizes. Marga valt voor de `fijnzinnigheid', de `meelevendheid' en de `oprechtheid' van haar neef en juicht bij elk besluit van hem om zijn logeerpartij nog een beetje te verlengen. Weet zij veel dat Konrad bezig is de plaats van haar zoon in te nemen. Weet zij veel dat hij die zoon op een dag om zeep helpt omdat hij gevaarlijk voor Konrad wordt.

Nóg een motief van de Romantiek speelt Helmut Krausser uit: dat van de bekrompen filister versus de mateloze kunstenaar. De Heinleins zijn vastgelopen in een doodsaai huwelijk; moeder de vrouw heeft zichzelf tot sloofje gedegradeerd en haar vroeg gepensioneerde echtgenoot sluit zich de godganse dag in de kelder op achter zijn radiozender. Tegenover dit afgestompte paar zet Krausser de veelzijdigheid van Konrad Johanser. Een gecompliceerd karakter, gevoelig en bruut, zorgzaam en roofdierachtig, wetenschappelijk-precies en artistiek-onbegrensd. In plaats van zich op zijn burgerlijke rollen vast te leggen probeert hij zichzelf in verschillende gedaantes uit – als klassieke-muziekvriend en hoerenloper, als kroegschuimer en natuurliefhebber, als mensenvermijder en mensenkenner, als schuwe verliefde en erotisch routinier.

Dat alles in de comfortabele luwte van zijn schuiladres. Zit deze Johanser 's ochtends nog naar de serveerster in het café te staren, 's middags zwerft hij uren door de sprookjesachtige streek. En daar, in de eenzaamheid van de natuur, ver weg van de reglementerende civilisatie, krijgt de fantasie vleugels. Tussen de bomen van het bos verstopt Krausser een kluizenaar. De oude zonderling onderhoudt intense contacten met gene zijde en misschien is hij wel Thanatos, de God van de Dood uit de titel.

Voor romantici is de vorm van een kunstwerk nooit volmaakt. Ze moet een verterend verlangen uitdrukken en daarom geeft men de voorkeur aan open vormen zoals fragmenten en improvisaties. Krausser laat de vorm van zíjn kunstwerk dan ook zorgvuldig uit de hand lopen. Een tijdje na de moord vlucht Johanser naar de grote stad terug en daar desintegreert zijn geest. Wat hij dan nalaat is een reeks vage `Brokstukken'. De dader wordt niet gepakt maar hij bestraft zichzelf. Als een schim doolt hij door het rijk van de levenden. Het rijk van de geesten staat voor hem nog niet open. Hij hoort nergens bij en komt nergens aan – hoe anders dan zijn slachtoffer dat rustig huiswaarts keert.

Tegelijkertijd pleegt Krausser met de desintegratie van de vorm een daad van romantische ironie: de roman lost op in het niets en de illusie van een begrijpelijk verhaal, een verhaal met kop en staart, wordt baldadig verstoord. Zo verkent deze schrijver de grenzen van het vertelbare en het onuitsprekelijke, van normaliteit en waanzin, van dag- en nachtdromen. Ineens begrijpen we de betekenis van het Duitse woord `verrückt'. Daar zit ver-ruk-king in, een ruk naar een andere staat van bewustzijn, geen platte gekte maar iets in de buurt van extase. Die staat kan poëzie voortbrengen of muziek of, Johansers specialisme, creatieve literaire vervalsingen. Ze kan echter ook doden. De zwarte humor van Helmut Krausser zet kunstenaars en moordenaars gevaarlijk dicht bij elkaar.

Helmut Krausser: Thanatos. Het zwarte boek. Vertaald uit het Duits door Ria van Hengel. De Geus, 507 blz. €24,90