Populair van bioscoop tot Concertgebouw

Anton Kersjes, die gisteren op 81-jarige leeftijd in Blaricum overleed, was rond 1960 de populairste dirigent in Nederland. Honderddertig keer verscheen hij bij de KRO op tv met zijn Kunstmaand Orkest, waarbij Wouter Paap uitleg gaf. In een tijd waarin nog maar één tv-net was, maakten velen zo voor het eerst kennis met klassieke muziek. Kersjes was daarmee de personificatie van de naoorlogse cultuurpolitiek.

Kersjes werkte zich hogerop in een tijd waarin rangen en standen in de orkestwereld en onder de muziekliefhebbers nog streng waren gescheiden. Hij begon in de Amsterdamse bioscoop Tuschinski met het vier keer per dag begeleiden van variété-optredens en stond later zelfs voor het Concertgebouworkest. Bij zijn officiële afscheid in 1983 kreeg hij in het Concertgebouw voor het slechten van de drempels naar de `hogere kunst' zilveren penningen van de stad Amsterdam en van het Concertgebouw.

Anton Kersjes, op 17 augustus 1923 geboren in Arnhem, begon op zijn 19de als eerste violist bij de Arnhemse Orkestvereniging. Na de oorlog trok hij naar Amsterdam en werkte tien jaar in Tuschinski. In 1953 maakte Kersjes zijn `klassieke' debuut met de Matthäus Passion bij het Overijssels Philharmonisch Orkest. Kort daarop kreeg hij de leiding van het kamerorkest van het Amsterdamse festival Kunstmaand, waarmee hij langzaam prestige kreeg in de gevestigde muziekwereld. Hij begeleidde Nederlandse solisten van naam als sopraan Erna Spoorenberg en violist Herman Krebbers en ook de wereldberoemde sopraan Elisabeth Schwarzkopf.

Het Kunstmaand Orkest groeide uit tot het Amsterdams Philharmonisch Orkest, Albert Heijn wierf publiek en Kersjes hield praatjes voor hij begon aan de muziek. Hij bracht deels populair repertoire, veel Nederlandse premières en geleidelijk aan ook `zware' muziek van Bruckner, Mahler en Sjostakovitsj. Uiteindelijk ging het orkest op in het Nederlands Philharmonisch Orkest.

In 1965 dirigeerde Kersjes het Concertgebouworkest en volgens Hans Reichenfeld in het Algemeen Handelsblad was zijn ,,superieure Beethoven-avond een ware sensatie''. Een jaar later werd hij teruggevraagd. Kersjes dirigeerde achttien keer bij de Nederlandse Opera, waaronder in 1980 een persoonlijke triomf: de wereldpremière van Thijl (1940) van Jan van Gilse. Hij had daarvoor jarenlang gepleit met concertante uitvoeringen van Thijl-muziek.

Kersjes was bijna nooit tevreden en zei in 1983 in deze krant slechts enkele momenten van groot geluk te hebben beleefd. ,,Met het Kunstmaand Orkest speelden we het Pianoconcert in bes van Mozart met George van Renesse. Het slot van het tweede deel, dat was volmaakt, dat heb ik nooit meer bereikt.''

In 1991 dirigeerde Anton Kersjes voor de allerlaatste keer. Hij werd daarna docent aan het conservatorium Maastricht en vervulde verder allerlei bestuurs- en adviesfuncties. Met zijn Kersjes Fonds op basis van het ruime vermogen van zijn echtgenote, was hij op het gebied van de klassieke muziek de meest genereuze mecenas in Nederland.

Jaarlijks worden aan jonge musici twee geldprijzen van elk 50.000 euro toegekend, naast studiebeurzen en subsidies voor vele culturele initiatieven. Ook schonk Kersjes zeven ton voor de renovatie van de dirigentenfoyer in het Amsterdamse Concertgebouw. Zijn geschilderde portret hangt daarnaast, met op de zijkanten twee kersjes.