Overwinning in beeld

Het zal ongeveer een jaar geleden zijn dat in Amerika de eerste foto's van lijkkisten met in Irak gesneuvelde Amerikanen in de grote kranten en op de televisie verschenen. Plechtige foto's, de kisten bedekt met de Stars and Stripes. Aan die publicatie was veel vooraf gegaan. De regering wilde dergelijke beelden niet in de media. De terugkeer van de gesneuvelden in het vaderland was al met de scherpste discretie omgeven. Een fotograaf met uitzonderlijk doorzettingsvermogen was doorgedrongen tot een ruimte waar een stuk of twaalf kisten stonden, gereed voor de begrafenis. Hij verkocht zijn werk aan de Daily Mail die één foto gebruikte om de voorpagina te vullen. De verontwaardiging was onbeschrijfelijk.

Toen de oorlog in Irak begon en Nederland zich bij de Coalitie had gevoegd, heb ik hier voorgesteld dat onze regering een schilder of een tekenaar zou meesturen. Een oorlog zonder beelden is geen oorlog. Sinds de mens afbeeldingen kan maken, heeft hij zich erop toegelegd, taferelen van moord en doodslag en verwoesting weer te geven. Ik dacht toen aan Peter Klashorst. Hij had zijn onverschrokkenheid al in andere werelddelen bewezen, hij werkt snel, heeft een dramatische touch en hij zou dus geknipt zijn geweest om rijksschilder in Irak te worden. Den Haag wilde niet luisteren. Een kans verzuimd om vaderlandse geschiedenis te schrijven. De Britse regering heeft toen wel kunstenaars naar het front gestuurd. Hun eerste producten hebben intussen het thuisfront bereikt. Er is geen schandaal ontstaan.

In tijden van oorlog hoort het tot de plichten van opperbevel en regering om het thuisfront wijs te maken dat alles goed gaat, terwijl de media alles moeten proberen om de mensen thuis te laten weten wat er werkelijk gebeurt. Daaruit ontstaat het grote vraagstuk. De mensen thuis willen niet alles weten, en veel media zijn dan zo verstandig om daarmee zorgvuldig rekening te houden. Zo ontstaat de regisseerde nieuwsvoorziening.

In de eerste Golfoorlog hebben de generaals Schwarzkopf en Powell het grondig aangepakt. De verslaggevers mochten niet naar het front, ze gingen iedere avond naar de woestijntent waar een generaal de persconferentie van de dag hield. Dat liep gesmeerd. De New York Times en de Washington Post hadden wel bezwaren gemaakt, waren een rechtszaak tegen het Pentagon begonnen, maar de oorlog was al afgelopen voor de eerste zitting gehouden was.

Om deze keer de critici voor te zijn, had de leiding een andere methode bedacht: embedded reporters die met de troepen meegingen, in de voorste linies. Hoe was men daarbij gekomen? Ik vermoed door een zeer grote overdosis optimisme. Het opperbevel moet dusdanig van zijn superioriteit overtuigd zijn geweest – niet alleen militair als overwinnaars, ook politiek en humanitair, als bevrijders en wederopbouwers – dat het risico van de embedding kon worden genomen.

Een vergissing, die nu langzamerhand tot de wereld doordringt. Net als destijds in Vietnam komt nu in Irak een verslaggeving tot ontwikkeling die de werkelijkheid van de oorlog na het einde van de officiële oorlog (op 1 mei 2003) laat zien. Verslaggeving in The New Yorker en de New York Times en nog een paar kranten en tijdschriften die zich niet voor de kar van de propaganda lieten spannen. Maar beelden bleven schaars, terwijl we toch meer dan ooit in de eeuw van het beeld leven.

In dat tekort is onlangs enigszins voorzien door de Nederlandse fotograaf Geert van Kesteren, met zijn boek Why Mister, Why? Irak 2003-2004. Een grote verzameling foto's die zonder propagandistische bijbedoelingen laat zien wat er in dat land dagelijks werkelijk gebeurt. Van Kesteren werkt voor Newsweek; het voorwoord tot zijn werk is van Michael Hirsh, redacteur van dit weekblad. Het boek is uitgegeven door de internationale vredesbeweging Pax Christi. Ik ben wel nieuwsgierig of Van Kesteren eerst nog andere, commerciële uitgevers heeft benaderd, maar Pax Christi heeft het mooi gedaan. Geen klacht.

De overheersende boodschap van dit boek is dat in deze oorlog geen zege meer valt te behalen. Het begint met het opgraven van de slachtoffers van Saddam. Dan verandert de bevrijding in de bezetting en uit de bezetting ontstaan het verzet, de terreur en het begin van de burgeroorlog. Het thema is de angst, van de Irakezen voor de bevrijders. Van de bevrijders voor alles en iedereen die verdacht is. En op den duur is er practisch niets en niemand onverdacht. Er is relatief weinig geweld in deze verzameling. Het zijn de gevolgen, de resultaten van het geweld.

In zijn voorwoord schrijft Hirsh over de Amerikaanse soldaten: `Ik besefte dat de regering Bush echt geen idee had van wat ze in Irak deden. (...) Als een verborgen generator liet de bezetting zelf het verzet voortduren.' Of zoals we ook wel zeggen: je moet erbij zijn om erover te kunnen oordelen. Nu wil ik graag weten, hoe Falluja er na de recente bevrijding uitziet.

`Why Mister, Why?' is uitgegeven Pax Christi, 2004, €24,95