Operatie Stalen Kaken kan eindelijk beginnen

De regeringen van Oeganda, Ethiopië en Congo nemen hun vluchtelingen terug in ruil voor kwijtschelding van een gedeelte van hun schuldenlast. Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken) noch Van Ardenne (Ontwikkelingssamenwerking) heeft zo'n plan geopperd, maar ze zouden dat best kunnen doen. Nederland heeft op het vlak van asiel tenslotte al ongeëvenaarde uitvindingen gedaan, zoals de in andere EU-landen zo bewonderde 48-uursprocedure.

In Pingeland, Moses Isegawa's groteske versie van het land waar hij in 1990 vanuit Oeganda terechtkwam, is dit plan bedacht door `de Afghaanse windhond', zoals hoofdpersoon Dismas Moesigoela de minister van Justitie noemt. De `proteïnezoekers', zoals de vluchtelingen worden genoemd, krijgen een dwangbuisachtig pak aan om letsel bij schermutselingen te voorkomen; braken wordt ontmoedigd door een speciaal bit. Onder de muziek van een blaaskapel worden de `geëscorteerden' de vliegtuigtrap opgedragen, terwijl hoogwaardigheidsbekleders goedkeurend toekijken. Eindelijk is `Operatie Stalen Kaken' een feit, en zijn de kiezers bediend.

De vijftigjarige Moesigoela is als proteïnezoeker in het stadje Bevert terechtgekomen, dat alles weg heeft van Isegawa's woonplaats Beverwijk. Hij helpt er andere proteïnezoekers, slikt medicijnen tegen het dodelijke virus dat hij draagt en dat hij De Regelaar noemt, en geniet maandelijks zijn uitkering. Voor werk, zo houdt hij bij de sociale dienst stug vol, is hij `niet inzetbaar'. Voor iets anders wél; op gezette tijden doet Moesigoela samen met een partner aan brandstichting. Hun laatste wapenfeit is het in lichterlaaie zetten van het Nationale Onderzoekscentrum. Dit gebouw is het prestigeproject van twee bekende Bevertenaren: de keiharde, charismatische zakenman Rekken Trent en de al even beroemde virusspecialist professor Bot Best. Regelmatig zijn beiden te gast in het tv-programma Eliteklas, waar de presentator, in wie we zonder moeite Harry Mens herkennen, ze de hemel in slijmt.

Isegawa is een toonbeeld van integratie. Voor zijn portret van Nederland kiest hij dezelfde onderwerpen als willekeurig welke hier geboren cabaretier of columnist: links idealisme – nergens meer salonfähig –, televisie, hypes, Pim Fortuyn, politici die met het oog op de peilingen om het hardst zero-tolerance roepen. Maar de passages waarin Moesigoela dit soort zaken onder vuur neemt, zijn niet de sterkste uit Voorbedachte daden. Ook de plot heeft iets geforceerds. Door de `escortatie' van twee van zijn vrienden verruimt Moesigoela zijn ambitie. Brandstichting voldoet niet langer, het wordt tijd hogere `kunst' te gaan bedrijven. Hij heeft vooral een appeltje te schillen met professor Bot. Diens theorie dat aids de wereld in is geholpen door apen, beschouwt Moesigoela, net als veel Afrikanen, als het toppunt van hypocrisie. In werkelijkheid is aids door westerse wetenschappers als Bot Best en zakenlieden als Trent verspreid. Het virus houdt Afrikanen waar ze zijn; hongerlijdend in de marge van de wereldeconomie. In zijn essay Twee Chimpansees uit 2001 gaat Isegawa nagenoeg net zo ver.

Laten we Dismas Moesigoela ondertussen goed begrijpen. Het is niet de vermeende misdaad zelf die hem stoort, maar de schijnheiligheid eromheen, het feit dat openlijke misdaad niet past in het westerse morele zelfbeeld. Hierin schuilt de constante – en het on-Nederlandse – van Isegawa's romans. In zijn debuut Abessijnse Kronieken (1998) beschreef Isegawa hoe de twintiger Moegezi zich vanuit Afrika een weg omhoog vocht naar het paradijs van een met tientallen medesurvivors gedeelde Bijlmerflat. Voor Moegezi bestond geen goed en kwaad, alleen kracht en zwakte, overleven of ten onder gaan. Bij de vijftiger in Voorbedachte daden is deze amorele moraal geraffineerder geworden, maar de kern is onveranderd. Ook Moesigoela erkent alleen de wet van Darwin. Westerlingen liggen boven, logisch dus dat ze Afrikanen eronder willen houden. Omgekeerd is voor een Afrikaan alles geoorloofd om op gelijke hoogte te komen. Hetzelfde geldt voor de strijd tussen mannen onderling; zij troeven elkaar af met auto's en vrouwen. `Honden zijn mensen in vermomming', verdedigt Moesigoela de darwinistische hiërarchie. En Europa is net Afrika, het wil het alleen niet weten.

Voor Moesigoela zijn de heren Best en Rekken Trent daarom meer waard dan alle hypocriete Pingelanders bij elkaar. Zij zijn tenminste geduchte tegenstanders. De moord op één van hen wordt zo een daad van liefde; `volmaaktheid en vernietiging' ineen. In de gevangenis, keurig verzorgd door de Nederlandse staat, kan Moesigoela met pensioen. Zijn geurvlag is geplant, hij en zijn slachtoffer zijn verenigd in onsterfelijke roem.

In zaken van liefde en dood veroorlooft Isegawa zich daarnaast een snufje Céline. Er zit veel stront in dit boek; de `rectumtaal' is de enige waarin tenminste niet gehuicheld kan worden. Liefde ziet Moesigoela als niets anders dan het overwinnen van walging, maar hier doet hij zich stoerder voor dan hij is. Veruit het meeste leven, humor en zelfs tederheid zitten namelijk in de passages over de verhouding tussen Moesigoela en zijn vrouw Bogodisiba. Elders leest Voorbedachte daden stroef; afstandelijk als de strategie van Moesigoela. Het ontbeert de urgentie en de duizelingwekkende vaart van de Abessijnse Kronieken.

Desondanks blijft Isegawa's genadeloze wereldbeeld de moeite waard om kennis van te nemen. Misschien is dat beeld overdreven, net als zijn schets van softe Pingelanders. Maar waar niet-proteïnezoekers het één lezen als overbekende satire, biedt het ander hun zicht op een onbekende werkelijkheid.

Moses Isegawa: Voorbedachte Daden. Vertaald uit het Engels door Frans van der Wiel en Joop van Helmond. De Bezige Bij, 347 blz. €19,90