Onbedoeld raadsel

In het fotoboek `anonymous' zijn foto's van onbekenden verzameld: dierenfoto's, erotische foto's, foto's van kinderen. Foto`s met een intrigerend geheim.

In de 19de eeuw bestond onder schilders de volgende vuistregel: `Als je goed wilt verkopen, schilder dan kleine meisjes. Gaat het niet snel genoeg, schilder dan een hond naast het meisje. Valt de verkoop nog steeds tegen, geef de hond dan een verbandje om zijn poot.'

Deze regel is nog steeds van toepassing, nu in de fotografie. Ik ben er zelf, ondanks een tamelijk diepgeworteld cynisme (`cynisch' betekent trouwens `honds'), niet ongevoelig voor. Zo ben ik een fan van het fotoboek anonymous van Robert Flynn Johnson, alleen al om de foto waarmee het boek besluit – te weten een grafsteen met daarop de volgende tekst: `Hier liggen begraven de circusponies Victor, Prince, Nancy, Rosie en Squibs, ook de zebra Charlie, omgekomen in de brand van 29 September 1935.' En dan daaronder, tussen aanhalingstekens: `We think they must have souls'.

Het is beschamend, maar niet te ontkennen: om die overtuiging dat dieren een ziel hebben en om het feit dat er mensen waren die het nodig vonden dat op een grafsteen te laten beitelen, ben ik een weerloze prooi voor die foto. Blijkbaar wordt er iets door uitgedrukt dat mij diep in mijn eigen ziel treft – en dat is merkwaardig, want ik geloof niet in zielen, sterfelijk of onsterfelijk, niet voor dieren en niet voor mensen. Zielen bestaan niet.

Wat is dan voor mij de diepere betekenis van dat geloofsartikel? Ik denk het feit dat die formule over de ziel au fond alleen maar een wanhopige en machteloze liefde uitdrukt. Machteloosheid, dat is immers de essentie van de liefde van mensen voor dieren: de vergeefsheid, de onmogelijkheid om het mee te delen. Wie een dier liefheeft is monddood, gekneveld, je kunt het hem niet zeggen. Of nou ja, je kunt het wel zeggen, maar het heeft geen betekenis. Dat is wat de inscriptie op die steen uitdrukt: we hadden jullie lief, jullie wisten het niet, maar het is de waarheid.

Van hier is het maar een stap om te denken: in het hiernamaals zal ik het ze eindelijk kunnen zeggen; dat is ook wat dat grafschrift in tweede instantie suggereert. Die gedachte had ik zelf als kind al, ik moet een jaar of elf zijn geweest toen ik er de godsdienstleraar van de zondagsschool naar vroeg, en die antwoordde dat er voor dieren geen hiernamaals bestond. Dieren, zo zei hij, vervielen tot stof na hun dood. Mijn eerste reactie was verdriet en ongeloof: dat kan toch niet, dingen die zo prachtig in elkaar zitten en waar zoveel subtiel gevoel in huist, dat die zomaar in het niets verdwijnen? Als dat waar is geldt het voor ons natuurlijk ook, dacht ik later, waarom zou het voor mensen anders zijn? En zo verloor ik het geloof – in God, in de onsterfelijke ziel en in het hiernamaals.

Onbekenden

Om het nu nog ingewikkelder te maken is het chapiter `dieren' eigenlijk niet eens in de eerste plaats wat dit boek anonymous opmerkelijk maakt. Zoals blijkt uit de ondertitel, `enigmatic images from unknown photographers', gaat het meer in het algemeen om foto's die niet door bekende fotografen maar door onbekenden gemaakt zijn, en die om een of andere reden de aandacht trokken van fotoliefhebbers. Aandacht voor zulke foto's bestond trouwens al eerder, zo verscheen al in 1989 Horus Archives van Sándor Kardos, een selectie uit de talloze foto's die deze Hongaarse cineast al sinds jaar en dag verzamelt – zoals ik dat zelf ook doe al vanaf de tijd dat ik nog op de middelbare school zat – foto's uit kranten en tijdschriften, uit archieven van opgedoekte firma's, uit familiealbums gekocht op de vlooienmarkt, of zelfs gevonden bij het grootvuil. Misdrukken, dubbel belichte foto's, per ongeluk gemaakte opnamen, bij elkaar honderden, duizenden, tienduizenden foto's, wonderlijke verzamelingen van de meest uiteenlopende onderwerpen – waar dan soms een selectie uit wordt gepubliceerd, onder namen als `vernacular photography', `toevallige foto's', `amateur snapshots', `anonymous photography', `naïeve foto's', `useful photography', `images trouvées', `röhögös' (Hongaars voor `lachfoto's'), etc.

Behalve de Horus Archives bestaan er ook nog andere gepubliceerde collecties, zoals FLOH, van Tacita Dean, Other Pictures van Thomas Walther en Mia Fineman, Useful Photographs (3 delen verschenen) van Hans Aarsman et al., en dan natuurlijk het onderhavige boek, anonymous van Robert Flynn Johnson. Wat bij al deze collecties – je zou in feite kunnen spreken van een nieuw genre – een voorname rol speelt, is niet zozeer de kwaliteit van de foto's zelf als die van de selectie. Voor het talent van de kunstenaar-fotograaf is in feite een ander talent in de plaats gekomen, namelijk het talent van degene die de keuze maakt.

Geen opwindender bezigheid dan grasduinen in zulke archieven: het is of je door de ogen van de verzamelaar kijkt, of je doordringt in zijn of haar persoonlijkheid: evenwichtig of geobsedeerd, nuchter of sentimenteel, platvloers of fantastisch, genereus of egocentrisch, preuts of libidineus, ironisch of humorloos, speels of angstvallig, bezorgd of ongeremd – fanatiek, monomaan, dwangmatig, infantiel, bang, wreed, sadistisch – en soms meerdere van die dingen tegelijk. Het is een van de meest verrassende vormen van expressie die ik ken, maar dat komt misschien doordat het om recente ontdekkingen gaat, om een genre dat nog nieuw is en de kans nog niet heeft gekregen om banaal te worden.

Raadselachtige foto's – alle dierenfoto's hebben iets raadselachtigs, je zou geneigd zijn te zeggen: hoe minder er geprobeerd is te selecteren op mysterie hoe beter. In anonymous staan 18 dierenfoto's, sommige heel amateuristisch, maar andere volstrekt niet. Zo zijn er bijvoorbeeld een paar klassiek-naïeve hondenportretten, gemaakt door hun trotse eigenaars in de 19de en 20ste eeuw; maar er is bijvoorbeeld ook een foto van een orang-oetan, tamelijk professioneel gefotografeerd van binnenuit zijn kooi, zodat het lijkt of het de toeschouwers zijn die in een kooi zitten. Zoiets is nu juist een voorbeeld van een niet-toevallige foto: een voor de hand liggende omkering en daardoor niet zo bijzonder. Het raadselachtige is beperkt tot het enige dat niet door mensen geënsceneerd is: de gezichtsuitdrukking van de orang-oetan.

Dat wil niet zeggen dat geënsceneerde foto's niet raadselachtig kunnen zijn. Zo is er een foto uit de jaren twintig van een man met gleufhoed, met een dom en hinderlijk zelfingenomen lachje zittend op de rug van een struisvogel. Ook is er een heel aangrijpende foto van een jongetje dat aan tafel zit met drie apen. Bij die apen is er één waarop ik niet uitgekeken raak: hij zit gebogen over de tafel en kijkt ongerust, niet als een mens maar als een dier dat iets onbegrijpelijks ziet – of misschien toch zoals een mens, een zakenman die niet zeker weet of hij in de maling wordt genomen. Dan is er ook, daar viel niet aan te ontkomen, een dood dier: hier een kind met een groot doodgeschoten konijn. Het drukt op de gangbare manier (waar ik nooit aan zal wennen) het onherstelbare uit, maar het onbedoelde mysterie is het gezicht van het kind. De foto was, denk ik, vrees ik, oorspronkelijk bedoeld als een jachttrofee.

Voorsprong

Dieren kunnen niet bedriegen en geen pose aannemen: dat is wat alle dierenfoto's geheimzinnig maakt, zelfs de meest banale. Andere foto's profiteren niet van deze voorsprong. Wat er het dichtst in de buurt komt zijn foto's van kinderen, gevolgd door foto's van mensen die iets doen dat ze belet om te poseren, bijvoorbeeld luidkeels zingen of proberen zich het leven te redden. Dit boek bevat daar enkele onvergetelijke voorbeelden van, `giving insight in human secrets' zoals de uitleg in het boek het noemt. Niet dat je van zo'n insight veel wijzer wordt. Eigenaardige en verrassende vertegenwoordigers van het genre zijn de foto's waar iemand twee keer op staat, al of niet door trucage. Het effect is heel anders dan de verdubbeling van een stereofoto. Het boek bevat er twee voorbeelden van, ik heb ze zitten bekijken met een vergrootglas. Een ervan, daterend uit ca. 1910, toont twee keer een jonge vrouw in een witte jurk. Je komt er niet achter of het een montage is van twee keer dezelfde foto of van twee foto's met heel weinig verschil, maar de herhaling van de gelaatstrekken draagt sterk bij tot een peilloze ondoorgrondelijkheid. Het riep bij mij de herinnering op aan een dominee uit mijn jeugd die beweerde dat je aan het gezicht van een meisje kon zien of ze nog `onschuldig' was, `want dan had ze nog niet das Gewisse in haar ogen'. En waarachtig, van die orde is het verschil tussen de twee versies, links duidelijk met een gezicht van `ik weet van niks' en rechts met een glimlachje van `je hoeft mij niets te vertellen' – zonder twijfel verschillend van uitdrukking, en toch zou rechts dezelfde foto als links kunnen zijn, alleen maar met meer detail.

Een bijkomstig resultaat is dat ik dat rechtermeisje met verliefdere ogen bekijk dan dat van links: ach wat een engel, met dat wonder van het Gewisse in haar ogen en die omhelsbereide lege armen. Dat mag er aan herinneren dat ook de erotiek vertegenwoordigd is in dit genre van anonieme foto's. Er is dan ook in het boek anonymous ampel plaats voor ingeruimd, met 16 foto's. Intussen lijken ook die weer niet allemaal een product van blind toeval. Sommige zijn zuiver anatomisch – wat niet betekent dat ze niet het vermogen hebben om aandoenlijk te zijn – maar de vreemdste is een Amerikaanse foto uit 1880, van een naakte vrouw die kijkt alsof ze al haar kleren nog aan heeft, anders kan ik het niet beschrijven. Het is alsof ze zeggen wil: `Ik ben dan wel bloot maar dat doet er niet toe.' Eigenlijk zie je alleen haar ogen, en die zijn juist weer heel libidineus.

De ogen, dat is ook wat in kindergezichten de dienst uitmaakt, niet alleen van kleuters maar zelfs van zuigelingen. Een van de raadsels is hier de bekende vraag hoe een gezicht tussen jeugd en volwassenheid de sporen van slechtheid verwerft, hoe het kan veranderen van aanbiddelijk in weerzinwekkend. De mooiste kinderfoto in dit boek is wat mij betreft die van een jongetje gefotografeerd omstreeks 1925 tegen de achtergrond van een auto van het type `runabout'. Hij kijkt of hij zich wil verontschuldigen en je weet dat dat niet hoeft, maar dat het niettemin toch nooit zal lukken. Misschien zal hij zo dadelijk in tranen uitbarsten. Zo roepen sommige van die foto's een soort noodlot op, op een manier die soms aan de korte verhalen van Maarten Biesheuvel doet denken.

Hartverscheurend

Een begeleidend verschijnsel bij het bekijken van `anonieme' foto's als deze, is dat je voortdurend probeert het genre te definiëren. Wat karakteriseert ze, wat is hun essentie? Zijn het curiositeiten? Ja ook, maar dat is bijkomstig, daar gaat het niet om. Zijn ze anekdotisch? Symbolisch? Troostend? Documentair? Humoristisch? Neem bijvoorbeeld een foto die in dit boek gepresenteerd wordt in de categorie `signs and messages': wat je ziet is een glooiend landschap waarin een aantal in het wit geklede figuren, ik denk leerlingen van een of andere High School, zo op de grond zitten dat zij het jaartal 1916 vormen. De cijfers hebben iets houterigs. Wat biedt zo'n foto? Hij is in feite niet mooi als foto, niet knap, niet vindingrijk. Verderop in het landschap grazen wat schaapjes en je kijkt onwillekeurig of die ook een jaartal vormen. Wat roept het op? Het geheugen doet zijn best en komt met: `1916, slag bij Verdun.' Of was het de slag bij Kamerijk? Zinledig en hartverscheurend.

Ik vergat nog een categorie: onbestaanbaar. De Chinees die de carrosserie van een open auto op zijn rug draagt. `Zulke open auto's zag je in Indië in mijn jeugd nog wel', denk je in je verwarring, alsof dat iets verduidelijkt.

Eén ding staat als een paal boven water: met esthetiek heeft het niets te maken. Het zijn nooit `kunstfoto's', nooit foto's die `voor het mooi' gemaakt zijn. Dat verduidelijkt veel, maar ook dat schiet tenslotte tekort als definitie. Er zijn namelijk ook wel foto's van professionele fotografen die er aan beantwoorden, ik denk bijvoorbeeld aan de fascinerende en raadselachtige beelden uit het Nederlandse platteland van Hans van der Meer, waarvan er enkele in deze krant op de Achterpagina hebben gestaan: kortgeleden in boekvorm gepubliceerd onder de titel Achterland. Ook de twee deeltjes in almost every picture van Erik Kessels voldoen min of meer aan deze omschrijving: respectievelijk honderden snapshots die een minzieke Spanjaard van zijn vrouw heeft gemaakt (2001), en automatische foto's van dieren, in de natuur gemaakt met behulp van een bewegingsmelder (2004). Boeken die ook in dit verband genoemd worden zijn La vie impossible van Christian Boltanski en Art Images van Hans-Peter Feldmann.

Waar het ook niet toe is te herleiden is `objets trouvés' van het type grillig gevormde keien en zonderlinge boomwortels. Het gaat wel degelijk om menselijke intenties, maar het zijn intenties die op een of andere manier verborgen zijn en niet gemakkelijk aan het licht kunnen worden gebracht. Je voelt hun aanwezigheid, maar wat is hun realiteit? Zo zijn wij terug bij het begrip dat zo behulpzaam was bij het categoriseren van waarnemingen en gevoelens, en dat helaas niet naar iets bestaands verwijst: het begrip ziel.

Niet alleen mensen en dieren hebben een ziel, maar ook foto's. Dat is het geheim van de foto's die ik al sinds zo lang verzamel. Er was iets dat mij aantrok in de foto's die ik uit kranten knipte en opviste uit papierbakken: wat was dat, wat hadden ze gemeen? Ze hebben een ziel – dat is de kortst mogelijke omschrijving. Sommige foto's hebben iets dat andere niet hebben en dat zich moeilijk laat benoemen: geestkracht, leven, een geheim, mysterie. Ze zijn bezield, dat is de samenvatting van iets waar anders veel meer woorden voor nodig zijn.

Het is nodig om hier duidelijk te maken dat ziel iets anders is dan kunst, de kwaliteit waar de officiële kunstwereld altijd op uit is. Je hebt straathonden van foto's die een ziel hebben, en omgekeerd zijn er kunstfoto's zonder ziel. Misschien is het net zoiets als we daarstraks al zagen met Victor, Prince, Nancy, Rosie en Squibs, en niet te vergeten Charlie: een liefdesverklaring. Die laat zich niet altijd motiveren. In de sectie `dieren' van het boek anonymous staat een adembenemende foto van een paard met vleugels. Een echt paard, met echte paardenoren en echte paardenogen. Het staat op een voetstuk en het heeft vleugels. Pegasus. Het is misschien geen groot kunstwerk, maar het heeft iets dat grote kunstwerken vaak missen: het heeft een ziel en het kan vliegen.

Robert Flynn Johnson: `anonymous, enigmatic images from unknown photographers'. With an introduction by William Boyd. London, Thames & Hudson 2004.