Mythe gaf Bernhard alle ruimte

Prins Bernhard kon na verschijning van het Lockheed-rapport zijn gang blijven gaan omdat hij wist dat hij een achterban had die was blijven geloven in zijn mythe, meent Ben van der Velden.

De relatie tussen prins Bernhard en de Nederlandse bevolking is een merkwaardige combinatie geweest van een mythe en van botte onverschilligheid. Bij de Lockheed-affaire van 1976 werd dat bijzonder duidelijk. De grote Bernhard-aanhang weigerde aanvankelijk te geloven dat hun held omkoopbaar was. Toen onomstotelijk vaststond dat de Bernhard om steekpenningen had gebedeld, deed de prins alsof het hem niets kon schelen. Zijn bewonderaars herstelden daarna het beeld van de prins-gemaal die alleen in het belang van het vaderland een wereldwijd netwerk van relaties had gemaakt.

Nederland reageerde ongelovig toen in 1975 in de Amerikaanse pers de eerste berichten kwamen over steekpenningen die vliegtuigfabrikant Northrop aan de prins zou hebben gegeven. Toen de Wall Street Journal aan het einde van dat jaar meldde dat de prins miljoenen aan steekpenningen zou hebben ontvangen van vliegtuigfabrikant Lockheed, die aan de Koninklijke Luchtmacht F-104 Starfighters had verkocht, waren ook velen ervan overtuigd dat hiervan niets kon kloppen. Bernhard zelf zei tegen de toenmalige premier, J. den Uyl, dat hij nooit steekpenningen had gekregen.

Toch vroeg Den Uyl aan drie `wijze' mannen onder leiding van A.M. Donner, rechter van het Europees Hof van Justitie, de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Er waren twijfels ontstaan of Bernhard zich wel altijd aan de normen hield die van een Nederlandse prins-gemaal verwacht konden worden. Journalist Friso Endt had onthuld dat het met de vrienden van de prins, die hij gebruikte voor de Nederlandse zakenbelangen, niet altijd zuivere koek was. Zo ontving Bernhard de Amerikaanse mafioso Robert Vesco op Soestdijk.

Terwijl de Commissie-Donner zijn werk deed, bleven veel Nederlanders overtuigd van Bernhards onschuld. Hij was in hun ogen een held uit de Tweede Wereldoorlog, die door oud-strijders en het voormalig verzet op handen werd gedragen. De voorzitter van de Landelijke Bond van Christelijke Oranjeverenigingen, ds. C.M. Graafstal, beweerde stellig dat Bernhard iemand was die op zijn woord geloofd diende te worden. Hans Wiegel, VVD-fractieleider, waarschuwde dat onderzoekende journalisten vooral geen hetze tegen de prins moesten beginnen. De fractieleider van de toenmalige Christelijk-Historische Unie, R.J.H. Kruisinga, had geen belangstelling voor alle opwinding over de prins. Alleen Ed van Thijn, PvdA-fractieleider, en de antirevolutionair W. Aantjes, hielden er rekening mee dat er toch iets mis was.

Toen kwam in augustus 1976 het rapport van de Commissie-Donner. Het was vernietigend voor Bernhard. Hoewel verschillende sporen duidelijk in zijn richting wezen, kon de commissie niet bewijzen dat Bernhard persoonlijk geld van Amerikaanse vliegtuigfabrikanten had gekregen. Maar de Commissie was wel twee brieven op het spoor gekomen waarin Bernhard in 1974 aan Lockheed eerst enkele miljoenen dollars commissie vroeg, en later schreef één miljoen dollar ook genoeg te vinden, als de Nederlandse Marine Orion-toestellen van Lockheed zou kopen.

,,Toen door de Commissie aan de Prins de tekst van de door hem geschreven brieven werd voorgelegd, was één van zijn eerste opmerkingen, dat hij, wanneer deze hem niet was getoond, het voor onmogelijk zou hebben gehouden dat hij zo iets had kunnen schrijven. Ter verontschuldiging voegde hij eraan toe, dat die tekst hem door anderen was voorgesteld en dat zijn geheugen slecht begon te worden. De hele zaak was hém, zei hij, om een flinke bijdrage voor het World Wildlife Fund begonnen. De Commissie moest evenwel vaststellen dat van de zijde van Lockheed alleen aan de Prins is gedacht; ,,noch de brieven, noch de daarbij horende aantekening, maken melding van het W.W.F'', meldde het Donner-rapport.

Op grond van het rapport stelde het kabinet-Den Uyl vast dat Bernhard de belangen van de staat had geschaad. Justitiële vervolging van de prins zou ernstige gevolgen kunnen hebben voor de positie van het staatshoofd. Daar werd dan ook vanaf gezien. Bernhard moest wel zijn functie van inspecteur-generaal van de krijgsmacht opgeven en hij mocht geen militair uniform meer dragen.

Was dat pijnlijk voor de prins? Toen Endt hem begin 1976 vroeg of de beschuldigingen over smeergeld op waarheid berustten, reageerde hij: ,,Ik sta hierboven.'' Toen Endt aandrong en vroeg of hij kon zeggen dat hij geen steekpenningen had ontvangen, zei de prins: ,,Dat kan ik niet zeggen, dat ga ik niet zeggen. Ik sta boven dit soort zaken.'' Precies zo gedroeg hij zich na het oordeel van de Commissie-Donner en van het kabinet. Hij deed alsof het hem niet interesseerde en ging gewoon zijn gang. Hij kon dat doen omdat hij wist dat hij in Nederland een achterban had die was blijven geloven in zijn mythe. De wereld met Bernhard in de hoofdrol was in feite ook hun eigen mythe. Daarom wilden oud-strijders en Oranjeverenigingen zo snel mogelijk doen alsof er nooit iets aan de hand was geweest.

De prins was geen inspecteur-generaal van de krijgsmacht meer, maar hij ging door met het bezoeken van het kantoor van de inspecteur-generaal. Hij gaf zijn mening als vanouds en werd niet de deur uitgezet. In 1979 al kreeg hij toestemming van de toenmalige premier Van Agt om gekleed in het uniform van de Koninklijke Marine in Londen de begrafenis bij te wonen van Lord Mountbatten, die hij uit de Tweede Wereldoorlog kende. In 1991 meldde het kabinet het op prijs te stellen wanneer Bernhard bij gebeurtenissen als de jaarlijkse herdenking van de Duitse capitulatie in Wageningen, weer een uniform zou dragen. Volgens het kabinet zou dat velen plezier doen.

In Den Haag en in Amersfoort werden standbeelden van Bernhard in uniform onthuld. In 1995 verleende de universiteit Nijenrode de prins een eredoctoraat in de bedrijfskunde. Dat was om zijn verdiensten als Nederlands meest vooraanstaande reizende ambassadeur. Juist in die functie had hij zich in een milieu van financiële scharrelaars begeven. Maar dat deed er niet meer toe. Bernhards mythe was tot vreugde van het Oranjevolk allang hersteld.

Ben van der Velden schreef in 1976 samen met J.H. Sampiemon in NRC Handelsblad over de Lockheed-affaire.