Ministerie: Hirsi Ali had thuis wel beveiliging

Het ministerie van Justitie ontkent in een gisteren uitgebracht persbericht dat het Kamerlid Hirsi Ali (VVD) in de nacht na de moord op Theo van Gogh geen persoonsbeveiliging zou hebben gehad, zoals NRC Handelsblad in een hoofdredactioneel commentaar op 30 november stelde.

In het commentaar `Falende beveiliging' meldt de krant dat Hirsi Ali in de nacht van 2 op 3 november ,,gewoon op haar normale adres'' verbleef, ,,zonder persoonsbeveiliging''. Daar werd zij vervolgens gestoord door een onbekende man, die gedurende enige tijd bij haar aanbelde. De man werd kort daarna aangehouden.

In een persbericht schrijft Justitie dat Hirsi Ali ten tijde van de moord op Van Gogh al werd beveiligd. Na de moord op de cineast is de bewaking ,,geïntensiveerd, wat onder meer heeft geresulteerd in het daadwerkelijk voorzien van persoonsbeveiliging in haar woning gedurende de nachtelijke uren.''

Volgens hoofdredacteur Folkert Jensma is de bewering dat Hirsi Ali alleen in het huis verbleef gebaseerd op de mededeling van het Kamerlid aan deze krant dat ze telefonisch contact heeft opgenomen met de bewaking, toen de man aanbelde. ,,Indien je als bedreigd Kamerlid naar de bewaking moet bellen, dan word je niet beveiligd'', aldus Jensma. De hoofdredacteur stelt dat NRC Handelsblad pogingen heeft ondernomen navraag te doen bij Hirsi Ali, maar dat dit nog niet is gelukt, omdat zij haar telefoon niet mag gebruiken. Jensma: ,,Een Kamerlid beweert iets, en Justitie iets anders. Dat willen we eerst controleren.''