Leren doe je van de meesters

Bij het einde van dit jaar dat als een dronken corpsbal in je gezicht staat te toeteren is het tijd voor een heropvoeding van de ziel. Bob Dylans memoires doen daarbij dienst als `rough guide'.

Kerstmis komt dit jaar geen dag te vroeg. Als we dit weekeinde Sinterklaas nu even snel scheren en we ons in de weken daarna een beetje beperken in het achteromkijken, redden we het net. Persoonlijk kan ik na deze door messen en scherpe tongen verwonde herfst niet wachten tot de wereld een paar dagen dicht gaat. Een time out, graag – liefst zelfs een `time out of mind', maar daar kom ik nog op.

Toegegeven, het blijft een beetje duf gedoe, kerst, met die familieverplichtingen, maaltijdmarathons en zuurstofverslindend kaarslicht, maar het gaat om de grote lijn: de rood-met-groene draad die deze Kerstmis niet alleen verbindt met al onze vorige Kerstmissen – waardoor we als door een telescoop met één oogopslag de statiën van ons leven kunnen overzien maar vooral ook met wat er nog ergens achter ligt: de geboorte van een bevrijdende gedachte, een grote genade. Ook toegegeven: de verpersoonlijking ervan is er niet zonder kleerscheuren vanaf gekomen, en ook de institutionele uitwerking door de eeuwen heen is niet om over naar huis te schrijven, maar het gaat om het idee. Dat er een deur is in de duisternis, een open deur.

En als u nog iets zoekt voor onder de boom, dan is dit mijn tip voor jong en oud: Chronicles volume one, het even heldere en onthullende als diepzinnige en elegant geschreven eerste deel van de memoires van Bob Dylan. Een autobiografie niet in de banaal-lineaire, om niet te zeggen slaapverwekkend eendimensionale pasvorm van het chronologische en/of psychologische `en toen en toen en toen' (alsof het afwerken van de kalender op zichzelf al een betekenisvol verhaal op zou leveren, en alsof `ik' alleen maar het resultaat ben van een pingpongspel tussen erfelijke en maatschappelijke krachten). Maar – zoals ook C.G.Jung al deed in zijn Memories, Dreams, reflections – rondcirkelend, in de rondte en omhoog, vanuit een centraal punt: de ontwikkeling van zijn persoonlijke roeping, zijn daimon, zijn talent, inclusief grote crises. Een verhaal dat zich niet laat reduceren tot een privé-leven, en dat alleen goed uit de verf komt als het niet van voren naar achteren maar ook achterstevoren wordt verteld – omdat het niet gaat om een ontwikkeling in termen van groei, maar van vorm: de ontwikkeling van iets wat er in aanleg altijd al was, een bestemming. `Ik was van heel ver gekomen', kan Dylan dan ook al na twintig bladzijden over zijn toen nog slechts 19-jarige zelf zeggen, `en ik was helemaal van onderaf begonnen. But now destiny was about to manifest itself. I felt like it was looking right at me and nobody else.'

Roeping

Dat is alvast les één die we uit Dylans memoires kunnen trekken: hoe we ons levensverhaal terug kunnen veroveren op het soort beschrijvingen waarin ons gevoel van roeping – het gevoel dat er een speciale reden is dat jij bent die je bent – wordt weggezaagd op het procrustesbed van de chronologie, de psychologie, erfelijkheidsleer en sociologie. Alsof ons niets anders is gegeven dan troosteloos voort te ploeteren volgens een schema dat ons al ver vóór aankomst vertelt waar we geweest zijn. Een levensverhaal in de toekomstig voltooid verleden tijd, op basis van statistieken samengesteld door een vertegenwoordiger van een verzekeringsmaatschappij. Een verhaal zonder plot. Te saai voor woorden, laat staan voor muziek, dans, verf of film. Daar kan geen extreme make-over of welke andere vorm van `15 minutes of fame' op televisie dan ook iets aan veranderen.

En vervolgens doet Dylan in bijna Proustiaans gedetailleerd herinnerde geuren en kleuren uit de doeken hoe hij zich eerst in de folk- en bohemia-kringen van Minneapolis en later in de met boeken en kunst gevulde appartementen in het Greenwich Village van begin jaren zestig volpropte met alles wat zijn roeping maar kon voeden: van Tacitus en Thucydides (`how human nature is always the enemy of anything superior') via Nietzsche, Balzac en Clausewitz tot aan Byron en T.S. Eliot wier lange gedichten hij uit het hoofd leert om zijn verbale spanningsboog op te rekken en zijn visionaire geheugen te trainen.

Tussendoor loopt hij alle folkclubs af en ontleedt hij op bijna mathematische wijze de zang-, speel- en songschrijftechnieken van zowel de kleine concurrenten als de grote voorgangers op het terrein van zijn religie, de folk music (`a reality of a more brilliant dimension.'). Het ging elk menselijke begrip te boven, en als het je bij zich riep, kon je er in worden weggezogen zonder een spoor achter te laten. En hij gaat naar de bibliotheek om daar kranten te lezen uit de tijd van de Amerikaanse Burgeroorlog: `Amerika is toen aan het kruis geslagen, gestorven, en wederopgestaan. Daar was niets kunstmatigs aan. The god awful truth of that would be the all-encompassing template behind everything that I would write.' De kruisiging en wederopstanding van Amerika als de mal waarin Dylan zijn hele werk zou gieten? Een uitspraak die even onthullend/verhullend is als die over de sleutelrol van het lied `Seeraüber Jenny' van Bertolt Brecht en Kurt Weill dat hij vergelijkt met de Guernica van Picasso en dat zijn `little shack in the universe' bij toverslag doet uitdijen tot `some glorious cathedral, at least in songwriting terms.'

Leren doe je van de meesters. Dat is les twee, of eigenlijk: nog een les één. Stap achteruit weg van de waan van de dag, terug in jezelf en buiten de tijd; leg naast je horloge een instrument dat om met de titel van een Dylan-album te spreken – de `time out of mind' aangeeft: de grote klok van mensenheugenis, oftewel het oude nieuws dat het nieuws van de dag zijn plaats wijst. Het nieuws van de dag dat nu harder dan ooit vierentwintig uur per dag als een dronken corpsbal in je gezicht staat te toeteren en op hoge toon een mening eist. `En jij, wat vind jij, zeg op! Wou je soms beweren dat er niets aan de hand is!' Kortom, de via de media tot op boembox-sterkte opgeblazen gesprekken van de dag zoals Dylan die in Chronicles samenvat als `all that psycho polemic babble', al dat dolgedraaide polemische gezwets. Voer voor vampiers. Ik loop liever een blokje om.

Afgegraasde weide

Waar elke polemiek dol van draait en uiteindelijk explodeert is de letterlijkheid, het onvermogen van partijen om de afgegraasde weide van hun eigen gelijk te verlaten en in te zien dat ze vaak allebei een andere kant van dezelfde zaak vertegenwoordigen. Neem religie en paranoia, zoals die nu zo vaak aan tafel tegenover elkaar zitten. Beide gaan uit van de openbaring van een sturende maar onzichtbare orde achter de waarneembare werkelijkheid – ook al spreken we doorgaans alleen in het tweede geval van een waanvoorstelling. Inhoudelijk is er moeilijk verschil aan te wijzen, ze zijn beide oncorrigeerbaar, draaien allebei om een gebeurtenis die alle andere gebeurtenisen begrijpelijk maakt, en hebben allebei de neiging hun omgeving te terroriseren zodra ze het terrein van de subjectieve ervaring verlaten.

Waar het om gaat is de aard van de relatie tot het onzichtbare, hoe je omgaat met een openbaring: wordt ze letterlijk genomen als waarheid, gebod, profetie of is er ruimte voor interpretatie, tijd voor een time out? Met andere woorden: mag de verbeelding meedoen of brengen we haar om zeep?

Misschien zijn we toe aan een heropvoeding van de ziel – met de nadruk op voeding, en met Dylans zelfportret van de kunstenaar als jonge man als blauwdruk en `rough guide'.

Les één, nummer drie. Op een gegeven moment heeft Dylan ze bijna allemaal bij elkaar, de elementen die, weet hij, als bouwstenen zullen dienen voor zijn eigen songs: het werk van de grote denkers en dichters, het visionaire Amerikagevoel en de dito bewustzijnsstroom van de Beat Generation, de mal van de Burgeroorlog, `Seeraüber Jenny', de door archetypen bevolkte wereld en het muzikale stramien van de folk, de songs van Woody Guthrie, Hank Williams en Robert Johnson (`sounding like a guy who could have sprung from the head of Zeus in full armor') en de zielenroerselen van de jongen die als Robert Allen Zimmerman was aangekomen in New York. Maar het valt allemaal pas op zijn plaats wanneer hij het gedicht onder ogen krijgt van de Franse symbolistische dichter Arthur Rimbaud waarboven staat: `Je es un autre'. Jawel, de ik van alledag, de ik als de pompbediende van het bewustzijn, de ik van het `en toen en toen en toen' is niet de ik van de verbeelding, het oog van de storm in zijn songs, de ik waartoe hij is voorbestemd. Sterker nog: ik is helemaal niet ik, ik is een ander. Ik is iedereen.

Er zijn nog eenentwintig koopdagen tot Kerstmis.

Bob Dylan, `Chronicles. Volume One' is verschenen bij uitg. Simon and Schuster, €24,95. De vertaling door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes verscheen onder de titel `Kronieken' bij uitg. Nijgh en Van Ditmar, €19,90.