Het verraad van de Pijnboomstraat

`Boekenkopers lijken alleen maar geïnteresseerd in non-fictie,' schreef The Observer drie maanden geleden. Bij het begin van het nieuwe boekenseizoen stelde de Britse krant dat het voor uitgevers steeds moeilijker wordt om een nieuwe roman te verkopen. De concurrentie van biografieën en andere (historische) studies is groot, te meer doordat er nogal wat non-fictie-auteurs zijn opgekomen die alleen al op basis van hun naam goed zijn voor een bestseller. Het succes van het laatste boek van Claire Tomalin – een biografie van de dagboekschrijver Samuel Pepys – illustreert volgens The Observer dat het kopers niet in de eerste plaats gaat om het onderwerp, maar om `de nieuwe Tomalin.' De non-fictieschrijver, die altijd in de schaduw van de veel glamoureuzere romanciers heeft gestaan, is een ster geworden.

Het Observer-artikel was geschreven door Philip Hensher, de auteur van een aantal in schoonheid gestorven romans. Maar zelfs al is hij jaloers, hij heeft een punt. Ook in Nederland is een aantal non-fictieschrijvers uitgegroeid tot een ster van het kaliber Mulisch of Palmen. Van `de nieuwe Geert Mak' werden dit jaar meer dan tweehonderdduizend exemplaren verkocht; de schrijver won een maand geleden de NS Publieksprijs, met een straatlengte voorsprong op romanciers als Arthur Japin en Renate Dorrestein. Frank Westerman wordt met zijn laatste literaire reportage El Negro en ik van het ene interviewprogramma naar het andere gesleept. En de nieuwste Nederlandse klapper in de boekhandel is Sonny Boy, een gewone-mensenbiografie die het in de eerste plaats moet hebben van de status van de schrijfster: de mediagenieke Annejet van der Zijl, schrijfster van de succesbiografie van Annie M.G. Schmidt.

De `wonderlijke levensgeschiedenis' van Waldemar Nods, een zwarte Surinamer die in de crisistijd een relatie krijgt met de zeventien jaar oudere Rika van der Lans (moeder van vier kinderen), is volgens het nawoord `een verhaal dat rondzwierf en graag verteld wilde worden.' Van der Zijl noteert dat ze aanvankelijk met de gedachte speelde om er een historische roman van te maken, maar dat ze al snel besefte `dat tegen het leven zelf niet op te verzinnen valt – in elk geval niet door mij.' Niettemin heeft ze het archiefmateriaal en de oral history aangevuld met de basisingrediënten uit het keukenkastje van de wereldliteratuur: flashbacks en flashforwards, innerlijke monologen en perspectiefwisselingen, metaforen en spiegeleffecten. Een mooi voorbeeld van het laatste is te vinden aan het eind van Sonny Boy, wanneer de zoon van Waldemar en Rika de herinneringen aan zijn ouders wil boekstaven. Hij probeert het als feitelijk verslag, als roman, en in briefvorm, maar `telkens weer liep hij vast.' Zijn situatie was vergelijkbaar met die van Van der Zijl, maar zij heeft de woorden wel kunnen vinden.

Middenstandsdochter

In recensies van romans is het een goed gebruik om niet te veel van het verhaal na te vertellen. Bij non-fictie is een ruime samenvatting geen bezwaar, en Sonny Boy leent zich daar uitstekend voor. De roman begint met een mooie schets van de werelden die na een bladzijde of vijftig bij elkaar komen: het Suriname vol getaande glorie van de in welstand opgegroeide Waldemar en het burgerlijke Nederland van de rebelse middenstandsdochter Rika. Waldemar komt als `ocean swimmer' (West-Indische immigrant) in 1927 in Den Haag terecht om er te studeren, Rika is daar net een pension begonnen nadat ze de calvinistische man heeft verlaten voor wie ze zestien jaar eerder een conflict met haar katholieke familie op de koop toe nam. Nog vóór Rika de strijd om de voogdij over haar vier kinderen van haar wraakzuchtige ex-man definitief heeft verloren, is ze al zwanger van de mooie Surinamer die in haar huis aan de Azaleastraat is komen wonen.

Het lijkt een gedoemde liefde, de kloof tussen Romeo en Julia was heel wat smaller; maar Waldemar en Rika laten zich door de bekrompen buitenwereld niet uit het lood slaan. Ook niet door de slechte economische omstandigheden trouwens. Twee weken voor de geboorte van hun zoon Waldy, bijgenaamd `Sonny Boy' (naar een liedje van Al Jolson), crasht in New York de beurs. Zonder een vangnet van familie en vrienden slaagt Rika er glansrijk in om haar nieuwe gezin door de crisis van de jaren dertig heen te loodsen. Haar pension groeit uit tot een geliefd vakantieverblijf in Scheveningen, en de echte moeilijkheden beginnen pas tijdens de Bezetting, wanneer de Duitsers in het kader van de Atlantikwall de mondaine badplaats veranderen in een betonnen vesting. In het nieuwe onderkomen van `Pension Walda' in de Haagse Pijnboomstraat blijven de gasten weg; hun plaatsen worden ingenomen door vier joodse onderduikers en een Nederlandse SS-deserteur. In januari 1944 worden die verraden, en ook het gezin Nods wordt opgepakt. Waldy wordt vrijgelaten; Rika belandt via kamp Vught in Ravensbrück, waar ze eind december sterft; Waldemar komt via concentratiekamp Neuengamme terecht op een vluchtelingenschip, dat in de laatste oorlogsdagen door geallieerde bommenwerpers naar de kelder wordt gejaagd.

Cadeautjes

Van der Zijl wisselt de grote drama's – crisis, oorlog, verraad – behendig af met vreugde en ellende op kleinere schaal. Hoe schokkend de martelingen van verzetsstrijders in het Scheveningse `Oranjehotel' ook zijn, ze maken minder indruk dan de vergeefse strijd die Rika voert om contact te houden met de kinderen uit haar eerste huwelijk. Ze schrijft brieven en koopt cadeautjes van iedere cent die ze overhoudt (zie kader), maar haar ex zorgt ervoor dat ze de kinderen niet vaker dan één keer per jaar ziet – en dan niet eens alle vier. Tegelijkertijd maakt Van der Zijl duidelijk dat ze meer wil dan alleen een spectaculair verhaal vertellen. Naar aanleiding van het – niet opgehelderde – verraad van de Pijnboomstraat merkt ze op dat de `grens tussen zwart en wit' moeilijk te trekken is. Om die grens gaat het haar in Sonny Boy; Waldemar en Rika hebben hem geslecht, hun leven raakt `aan twee van de zwartste, meest met taboes beladen bladzijden in de Nederlandse historie, namelijk de slavenhandel en de jodenvervolging.'

Als geschiedenis is Sonny Boy – ondanks de soms vérgaande romantisering – geslaagd. De lezer krijgt een sfeervol beeld van Nederland en Suriname in de eerste helft van de twintigste eeuw, en alleen een kniesoor let op een vreemde verschrijving als Fulljude (waar Volljude bedoeld zal zijn) of op de foute datering van de dood van Mussolini (niet rond kerstmis 1943, maar pas 16 maanden later). Toch bekroop mij op verschillende momenten het gevoel dat ik over hetzelfde levensverhaal liever een roman gelezen had. Zo lukt het Van der Zijl niet om de armoede voelbaar te maken die Rika en Waldemar in het begin van hun relatie lijden. En ook de motor van het verhaal, de liefde tussen Waldemar en Rika, blijft in het vage. Een romancier, met iets meer vrijheid, had daar beter mee overweg gekund; het lijkt er dan ook op dat in Sonny Boy de handen van Van der Zijl af en toe jeukten. Meer dan eens verliest de biografe zich in uit de toon vallende romanzinnen als `terwijl de herfstzon haar rode haren nog steeds fel deed oplichten [...] was ze als onderduikster een grijze schim geworden'. Als Van der Zijl in het slothoofdstuk een mooie impressie geeft van de laatste, ongedocumenteerde momenten van Waldemar, besef je dat ze zichzelf misschien té veel geweld heeft gedaan door niet te kiezen voor een historische roman.

Annejet van der Zijl: Sonny Boy. Nijgh & Van Ditmar, 236 blz. €17,50.