Het spoor van vernieling

Céline schreef antisemitische pamfletten, Gerrit Achterberg vermoordde zijn hospita en Gerard Reve was in de persoonlijke omgang – op zijn zachtst gezegd – geen makkelijk mens. En Arthur Rimbaud? Die ejaculeerde eens in een glas melk nadat de eigenaar ervan de kamer even had verlaten.

Het zijn verhalen die de mythe in stand houden van de schrijver als een mens met twee gezichten. Het creatieve genie én de gek, de gevoelige kunstenaar én de antisociale maniak. Het leven van Arthur Rimbaud, een van de grondleggers van de moderne poëzie, voldoet als geen ander aan dit romantische cliché. `Mortel, ange et démon' (sterveling, engel en demon), zo zou zijn voormalige minnaar Paul Verlaine hem jaren na hun relatie karakteriseren.

Het levensverhaal van Rimbaud is bekend: rebelse adolescent uit een provinciestadje maakt op zijn zestiende al faam met vernieuwende – later zelfs baanbrekende – poëzie en vertrekt naar Parijs, waar hij berucht is vanwege zijn onhandelbare gedrag. Hij raakt verwikkeld in een sadomasochistische relatie met de tien jaar oudere dichter Verlaine, die voor de laatste bijna dodelijk afloopt. Op zijn twintigste – hij heeft dan `alles gezegd' – houdt Rimbaud de poëzie voor gezien. De rest van zijn leven is een rusteloze zwerftocht over de wereld, die eindigt met een bestaan als wapenhandelaar in Afrika. Hij wordt ernstig ziek, en keert op zijn 37ste ziek terug naar Frankrijk, waar hij sterft in een ziekenhuis.

Dit leven van poëzie, alcohol, drugs en seksuele excessen maakte van Rimbaud tot ver na zijn dood een uitermate aantrekkelijk rolmodel voor romantische jongeren. Jim Morrison, de `sjamaan-zanger' van The Doors, was een verklaard bewonderaar en omarmde diens credo dat de dichter 'ziener' moet worden door een `lange, immense en beredeneerde ontregeling van de zintuigen' (Lettre du Voyant). Om deze staat te bereiken moest de dichter alle vormen van liefde, waanzin en lijden, zelf ervaren. Onder dergelijk gedrag viel bijvoorbeeld het bepissen en bekakken van de logeerkamer die hem door zijn gastheer, de dichter Théodore de Banville, was aangeboden. Rimbaud beperkte zich niet tot het schofferen van mensen die hem in eerste aanleg welgezind waren, hij bietste ze ook eindeloos af.

Om die schofterige kant van Rimbaud is het Guus Luijters te doen in zijn nieuwste boek, De rotstreken van Arthur Rimbaud. Luijters, die de laatste jaren het ene na het andere boek over Frankrijk en zijn schrijvers produceert, legt een direct verband tussen Rimbauds ploerterigheid en zijn literaire genie. Daarmee brengt De rotstreken van Arthur Rimbaud volgens de tekst op het omslag een `nieuwe visie' op het leven van de dichter. Dat zou een prestatie van formaat zijn, voor iemand over wie al zoveel is gezegd en geschreven. Die belofte wordt dan ook niet ingelost. Voor zover er van een verband sprake is – waarom zou een dichter géén schoft kunnen zijn? – is dit al in Rimbauds Lettre du Voyant neergeschreven. Wat het boek wél biedt, is een goed gecomponeerde, kleine biografie van Rimbaud, waarbij het zwaartepunt ligt bij zijn periode als dichter. Luijters grote verdienste ligt in het enthousiasmeren van zijn lezers voor de Franse literatuur, die door steeds minder Nederlanders wordt gelezen.

Guus Luijters: De rotstreken van Arthur Rimbaud. Nieuwe visie op het leven van de 150 jaar geleden geboren Arthur Rimbaud. L.J. Veen, 188 blz. €15,95