Het lijk lag in de kast

Ook in de achttiende eeuw, het tijdperk van de Rede, kwamen `crimes passionels' voor. De daders haalden hun inspiratie uit populaire sentimentele literatuur.

Dinsdag 9 december 1766 was een koude Amsterdamse dag. Jan van Deventer verliet die ochtend zijn huis aan de Brouwersgracht, liep de stad uit en zag bij de Haarlemmerpoort tussen drab en ijsschotsen een dood dier liggen. Hij pookte wat in het kadaver en ontdekte dat het een menselijk lichaam was: een vrouw, zonder armen en zonder hoofd.

Deze gebeurtenis is geen lugubere opmaat van een historische thriller, zoals die de laatste jaren zo populair zijn, maar een goed gedocumenteerd feit uit Written in Blood, een boek voor een breed publiek waarin de Rotterdamse historicus Pieter Spierenburg twee achttiende-eeuwse moorden in Amsterdam analyseert. Op knappe wijze combineert hij spanning, sociale geschiedenis en rechtsgeschiedenis. De auteur staat in een traditie van historici die via op elkaar volgende bronnen (vooral gerechtelijke verhoren) onderzoek doen naar langetermijnontwikkelingen op het terrein van de misdaad. Eerder schreef hij over de zelfkant van de vroegmoderne samenleving, over zwarte schapen, geweld, eer en rituelen. Zijn nieuwe boek is anders; aan de hand van één geval wordt zoveel mogelijk over de sociale context ontsloten.

Spierenburg heeft twee moordzaken bestudeerd die in de gerechtelijke archieven van Amsterdam stapels dossiers hebben nagelaten. Het eerste geval is de thrillerachtige moord van Nathaniel Donker op zijn vrouw. Donker was het zwarte schaap uit een redelijk gefortuneerd gezin, die na enkele dienstjaren in het Nederlandse en het Pruisische leger, waaruit hij deserteerde, trouwde met Cecilia. Zij kregen twee kinderen en leefden schijnbaar gelukkig in de buurt van Den Haag. maar toch kroop het bloed waar het niet gaan kon. Nathaniel maakte schulden en leerde de prostituee Dora kennen, een even voluptueuze als doortastende vrouw die ook wel bekend stond als `Duitse Doortje'. Het stel ging samenwonen in Amsterdam waar Dora Nathaniel overhaalde om zijn echtgenote te vermoorden.

Nadat Cecilia naar Amsterdam was gelokt `om alles bij te leggen', werd zij door Nathaniel gewurgd terwijl Dora er met een ijzeren staf lustig op los sloeg. Nu was het hoog tijd voor alibi's, het verwijderen van sporen en een manier om van het lijk af te komen. Eerst werd het lijk ontkleed, Dora trok Cecilia's kleren aan en samen wandelden Nathaniel en Dora naar de herberg vanwaar de trekschuiten naar Haarlem en Leiden vertrokken. Zij lieten zich omstandig zien, namen afscheid waarna Dora naar de trekschuit liep. Daar maakte ze rechtsomkeert en haastte zich via een omweg naar huis. Zo waren er in ieder geval getuigen die Nathaniel `afscheid van zijn vrouw' hadden zien nemen.

Het volgende probleem was het lijk dat nog in de kast lag. Gezamenlijk sneden ze het in stukken, legden de met doeken omwikkelde onderdelen in een mand en keken erop toe hoe een kruier hun zware vracht naar de rand van de stad bij de Haarlemmerpoort reed. Maar halverwege kwamen ze hun huisbaas tegen, bijgenaamd `De uil', en die kreeg argwaan. Hij dacht niet aan moord, maar beschuldigde het paar ervan zonder huur te betalen de stad te willen verlaten. Om hem van het tegendeel te overtuigen liep Dora met `De uil' terug naar huis. En zo gooide Nathaniel die avond in zijn eentje de stoffelijke resten van zijn echtgenote in de stadsgracht.

De zaak kwam aan het rollen toen Cecilia's moeder poolshoogte kwam nemen. Lichaam en hoofd doken op, en vanaf dat moment krijgt schout Mr. Isac Sweerts een hoofdrol in het boek. De moeder kon haar dochter identificeren, Dora vluchtte, maar Nathaniel werd verhoord, zoals iedereen die in zijn verklaringen genoemd werden, zoals de huisbaas, de kruier, de herbergier bij de trekvaarthalte. Nadat er ook pamfletten over de zaak waren verschenen, meldden zich nog meer getuigen, onder wie de mandenverkoper. Het net werd aangetrokken en na een scherp verhoor bekende Nathaniel de moord. Dora die ook gearresteerd werd, gaf zelfs onder folteringen niet toe. Zij verdween in het Spinhuis voor vijftig jaar. Nathaniel werd in het openbaar geradbraakt.

Toneelspeler

Spierenburg heeft deze bloederige zaak nauwkeurig gereconstrueerd aan de hand van de processtukken. Dat geldt ook voor het tweede misdrijf in zijn boek: de moord die Jan van Gogh in 1775 pleegde op de Amsterdamse prostituee Annie. Van Gogh, een gewezen toneelspeler, die zich had omgeschoold tot chirurgijn, moet een radeloze en bezeten man zijn geweest, die zich afgewezen voelde en in zijn eigen bloed een plechtige brief aan Annie schreef. Daarin eiste hij dat ze met hem zou trouwen; zo niet dan zou hij de hand aan zichzelf slaan.

Van Gogh kwam die brief op een avond brengen, haalde een mes tevoorschijn, maakte een beweging alsof hij de hand aan zichzelf wilde slaan, maar stak Annie in het hart. Ze stierf ter plekke. Van Gogh gaf zich aan, deed zich afwisselend voor als hystericus en eerzame burger, maar werd na een proces dat zich drie jaar voortsleepte ter dood veroordeeld en ten aanschouwe van duizenden belangstellenden op de Dam onthoofd.

Men zou deze moord, die ook goed is gedocumenteerd, kunnen afdoen als een extreme reactie van een halve gare. Maar dat is te gemakkelijk. Spierenburg probeert de betekenis van deze crime passionel te duiden. Waar kwamen die romantische horror-denkbeelden, die sentimenten en hartstochten vandaan? Met al die theatraliteit lijken de twee gevallen wel slechte romans met thrillerachtige ingrediënten.

En daarover gaat dus Spierenburgs boek: de daders lieten zich inspireren door de populaire sentimentele literatuur uit hun tijd. Geen periode waarin zoveel geweend en gewanhoopt werd als in de achttiende eeuw. Romans van Fielding en Richardson verhalen ook van dodelijk verliefden. Een jaar voor Van Gogh zijn bloedbrief schreef verscheen Goethes Die Leiden des jungen Werthers, waarin de held na een afwijzing de hand aan zich zelf slaat. Ook de invloed van brievenboeken kan hier een verklarende rol spelen. In dergelijke voorbeeldenboeken staan behalve zakelijke voorbeelden ook modellen voor liefdesbrieven.

Nog opvallender wordt het als we A sentimental Murder van John Brewer lezen. Brewer, een productieve Amerikaanse historicus op het gebied van de Engelse achttiende-eeuwse culturele geschiedenis, behandelt eveneens een moord uit liefde – in Londen, in 1779. Een jonge geestelijke, James Hackman, schoot op de trappen van het Covent Garden Theatre Martha Ray dood, de maîtresse van de rijke en invloedrijke Earl of Sandwich. Ook Hackman had zijn slachtoffer brieven geschreven en de hand aan zichzelf willen slaan.

Roddelpers

Brewer moet tijdens het schrijven van zijn verhaal in onzekerheid zijn geraakt. Hij probeerde de achtergronden van de moord zo nauwkeurig mogelijk te reconstrueren, maar begon daar hoe langer hoe meer aan te twijfelen. Zijn onderzoek verschoof van het werkelijke drama naar de beeldvorming van de moord, naar de manier waarop misdrijf, moordenaar, slachtoffer en Sandwich in de kranten, roddelpers, pamfletten en literatuur aan de orde waren gesteld. Hij reconstrueerde hoe er op los werd gefantaseerd en hoe de gefantaseerde aangroeisels de status van werkelijk gebeurde feiten gingen aannnemen. Zo verscheen in 1779 een succesvolle roman waarin Hackman een heldenrol speelde. Een jaar later verscheen een boek met gefingeerde brieven tussen Ray en Hackman, Love and Madness. A Story Too True, die in de twintigste eeuw als authenthieke brieven werden opgevat en zelfs in criminologische studies werden gebruikt. De romantiek maakte van Hackman een romantische held, of beter gezegd, een overgevoelig slachtoffer van de upperclass, precies de man naar wie een fijngevoelig kunstpubliek snakte. In de Victoriaanse tijd merkten auteurs trots op dat hun tijd veel geciviliseerder was dan die gedegenereerde achttiende eeuw en dat men dus kon spreken van ware vooruitgang. In de twintigste eeuw werd deze moordzaak weer opgepakt door literatuurhistorici.

Spierenburg en Brewer laten zien hoe geschreven fictie realiteit kan genereren en omgekeerd. Beiden geven ook een mooi beeld van de sociale wereld achter die moorden. In het geval van Nathaniel Donker en Jan van Gogh is dat de Amsterdamse wereld van pooiers en hoeren, van broodschrijvers en handige uitgevers. Brewer geeft een levendig inzicht in het corrupte, cynische en zedeloze milieu van Londense aristocraten. Spierenburgs boek is vanwege zijn gedetailleerde aanpak intrigerender, temeer omdat ook de gerechtelijke kant goed is beschreven. Als voorbeeld van microhistory is het een geslaagde publicatie, zij het dat op ondergeschikte punten toch enkele fictionele elementen zijn ingevoerd. Dat is overbodig en verwarrend, temeer omdat de lezer niet weet wat verzonnen of wat `echt' is. De bronnen leveren genoeg op om het verleden spannend en voorstelbaar te laten zijn.

Pieter Spierenburg: Written in Blood. Fatal Attraction in Enlightenment Amsterdam. Ohio State University Press, 230 blz. €40,80 John Brewer: A Sentimental Murder. Love and Madness in the Eighteenth Century. Farrar, Straus and Giroux, 340 blz. €31,95