Een voorgekauwde ervaring

Tot 2008 wordt het Rijksmuseum grondig verbouwd. Intussen wordt nagedacht over een nieuwe opstelling van de collectie. Het Cultureel Supplement denkt mee en laat de komende jaren een reeks kunsthistorici uit binnen- en buitenland hun visie geven op de ideale presentatie. Als vierde Jeroen Boomgaard: ,,Grote kunstenaars zijn goede vertellers, ze weten hoe ze de spanning erin moeten houden, daar komt geen conservator aan te pas.''

Het museum komt tegenwoordig nog net niet aan de deur, maar het scheelt niet veel. Alles wordt uit de kast gehaald om duidelijk te maken dat het museum ons iets te bieden heeft: een boodschap, een verhaal of op zijn minst een aangenaam verblijf. Maar net zoals je bij een colporteur de deur maar beter op de ketting kan houden omdat er iets wordt aangeprezen waarvan te vermoeden valt dat je heel goed zonder kunt, is het zaak scherp te kijken naar al het moois dat het museum nieuwe stijl ons belooft.

De boodschap, waarmee het Rijksmuseum ons wil verblijden, heet 'ensemble'. In de tijdelijke opstelling die nu te bezoeken valt is zichtbaar wat daarmee wordt bedoeld. De afdelingen kunst en geschiedenis zijn door elkaar geschud om de collectie in een ander perspectief te plaatsen. Alles wat tot nu toe een geïsoleerd bestaan leidde, in afzondering opgesloten met soortgenoten op de vele verschillende afdelingen die het museum kende, is bijeengebracht zodat het onderscheid tussen kunst en huisraad, monumentale meesterwerken en documenten van de vaderlandse geschiedenis verdwijnt. Daarbij is men er overigens niet op uit het tijdsbeeld te reconstrueren van de periode waarin de voorwerpen zijn ontstaan. De verstilde stijlkamers waarin het stof der eeuwen zich geduldig verzamelt, zijn niet dynamisch genoeg voor het museum nieuwe stijl. Interessante en spannende verhalen moeten er ontstaan waarin kunst en geschiedenis hand in hand de bezoeker meeslepen.

Al bij de oprichting wilde het Rijksmuseum een overdonderend verhaal vertellen waarin kunst en geschiedenis innig verenigd zouden optreden. De vaderlandse geschiedenis, met als hoogtepunt de Gouden Eeuw, vormde daarbij het kader dat de bloei van de Hollandse meesters mogelijk had gemaakt, terwijl de kunst op haar beurt de sublieme afbeelding was van de maatschappelijke werkelijkheid in al zijn facetten. De fortuinlijke samenkomst van burgerlijk zelfbewustzijn en realistische schilderkunst in de zeventiende eeuw kon zo als voorbeeld dienen voor het zelfbeeld van de negentiende eeuw. Zowel van buiten als van binnen was het gebouw overladen met historische verwijzingen en afbeeldingen, en om elk misverstand te vermijden had men in de gevel van het gebouw, dat het midden hield tussen een kathedraal, een stadhuis, een station en een warenhuis als schutspatronen twee beelden geplaatst waarvan het een de kunst en het ander de geschiedenis symboliseert.

De vereniging van het historische en het kunstzinnige stuitte in de praktijk echter op grote bezwaren. Kunst en geschiedenis zaten elkaar in de weg en dat zijn ze daarna blijven doen. Het probleem kwam er voornamelijk op neer dat de geschiedenis erbij gebaat was om met een overvloed aan artefacten de gestage ontwikkeling van het vaderland duidelijk te documenteren, terwijl de kunst beter tot haar recht bleek te komen wanneer de topstukken, werken met een monumentale status en zeggingskracht, apart uitgelicht werden omdat zij eerder buiten of boven de tijd stonden dan er midden in.

De vermenging van die twee presentatiemodellen in de inrichting had ertoe geleid dat Rembrandts De Staalmeesters een plekje kreeg tussen niet minder dan 120 andere portretten en groepsportretten, tot grote ergernis van de criticus Jan Veth: `Daarentegen dringen zich van alle zijden doeken op, die ik niet probeeren zal hier te beschrijven of op te noemen. Het zooeven genoemde groote regentenmonster van Troost met zijn tergende poppenkoppen, troont tegenover De Staalmeesters, en aan beide zijden van Rembrandt's meesterstuk heeft men vleugelbataljons geordend van lelijk geschilderde princen en princessen, die voor de politieke geschiedenis van de Republiek mogelijk van belang zijn, maar in de geschiedenis van onze portretschilderkunst, zoal eene, dan toch niet de allerhoogste plaats verdienen. (...) In een tempel aan de schilderkunst gewijd, wil men den roem, niet van de geportretteerden maar van de portrettisten zelve, in het beste wat zij voortbrachten, gestaafd zien.' Tijdloze contemplatie en historische documentatie gingen niet samen, de geschiedenis van het vaderland en die van de grote Hollandse kunst konden elkaar niet verdragen. Keuze was onvermijdelijk en al snel was het museum opgedeeld in een historische afdeling, een schilderijenafdeling en een stroom van kleinere en grotere afdelingen waar de dingen bij soort- en lotgenoten werden ondergebracht.

Dat het Rijksmuseum deze twee onverenigbare grootheden nu toch weer wil combineren, betekent niet dat men terugkeert tot het negentiende-eeuwse uitgangspunt. Dat de geschiedenis net zo min bestaat als de kunst is ondertussen wel duidelijk. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zijn dat soort overkoepelende modellen vrij definitief in de opruiming gedaan. Natuurlijk bestaat er in de ogen van de postmoderne denkers die toen de toon zetten nog wel een historisch verleden net zoals er allerlei producten bestaan die we nu als kunst betitelen, maar daar zijn alleen losse verhalen over te vertellen die altijd verteld worden vanuit het gezichtspunt van de spreker, dwz vanuit het nu. De keuze van het museum om de collectie te presenteren in de vorm van ensembles die verhalen vertellen voor de hedendaagse kijker is op deze gedachte gebaseerd. Dit standpunt is misschien al wat belegen en tegen de tijd dat het museum zijn deuren weer helemaal opengooit kan het echt achterhaald zijn, maar het is wel de manier waarop men tegenwoordig tracht de geschiedenis te reanimeren. Hoewel het grote geheel niet kan worden gereconstrueerd kunnen tijdelijke combinaties van kunstwerken en andere getuigenissen van de vaderlandse geschiedenis tot in het recente heden elkaar aanvullen tot een verhaal. Het ensemble dat op die manier ontstaat, mikt er op meer te bieden dan de simpele som der delen.

Welke verhalen het museum wil vertellen om de eigentijdse bezoeker te boeien is niet meteen duidelijk. Het triomfantelijke verhaal van Hollands glorie kan niet zonder problemen van de plank worden gehaald. De geschiedenis van vooruitgang en succes is tenslotte altijd het verhaal van de overwinnaar, de verliezer verdwijnt meestal spoorloos uit het beeld. De collectie van het Rijksmuseum bestaat dan ook voornamelijk uit trofeeën van succes, armen laten nauwelijks spullen na en slechte kunstenaars blijven niet bewaard. En hoewel men zonder twijfel, al dan niet met hulp van Jan Marijnissen, zal proberen ook verhalen te vertellen die de schaduwzijden laten zien, ben ik bang dat het toch meer het museum van de PC Hooftstraat dan van De Baarsjes zal blijven.

Bijna even belangrijk als de vraag wat er ons verhaald gaat worden, is de vraag wie dat gaat doen. Wie komt er aan het woord en hoe boeiend is zijn verhaal? De ervaring leert dat niet iedereen die veel te melden heeft ook goed vertellen kan. Van een museummedewerker mag je misschien kennis, inzicht en oordeelsvermogen verwachten, maar retorisch vermogen is zelden een eis. Hoe spannend is dan de conversatie van de conservator?

Het gevaar bestaat dat het museum zijn toevlucht zal nemen tot een manier van vertellen waarin de nadruk meer ligt op begrijpelijkheid en verbazing dan op verwondering en nieuwsgierigheid. Wanneer de presentaties van de collectie van het Rijks in andere musea een voorproefje zijn van wat ons te wachten staat, valt het ergste te vrezen. Zo wordt de 19e eeuwse kunst bijvoorbeeld op dit moment in Dordrecht getoond op een manier die de wereld waarin de kunstwerken zijn ontstaan probeert op te roepen. De vreemdheid die 19de-eeuwse kunstwerken aankleeft omdat het belang dat ze voor onze voorouders hadden ons gedeeltelijk ontgaat, wordt zo verzacht door de manier te reconstrueren waarop zij ernaar keken. Dat resulteert niet alleen in een voor de hand liggende vertelling, maar ook in een vorm van infotainment waarin het onbekende wordt gereduceerd tot het bekende en het aangename. De strategie van het Rijksmuseum is erop gericht niet alleen meer mensen binnen te halen maar ook om beter aan te sluiten op hedendaagse verwachtingen en wensen. Wat er precies verwacht of gewenst wordt staat echter nauwelijks ter discussie. Het is echter maar zeer de vraag of elke bezoeker wil dat de conservator van dienst hem een spiegel voorhoudt waarin slechts de vertrouwde tronie van zijn eigen beleving hem aangrijnst. Gaan we niet naar het museum om, net als Alice, de wereld achter de spiegel te ontdekken, waarin alles bekend voorkomt maar heel anders kan zijn?

Het museum wil ons veel vertellen, maar de mooiste verhalen heeft het allang in huis. De kunstwerken uit de collectie fascineren ons precies door de manier waarop ze ons haast letterlijk aanspreken. En in het beste geval doen ze dat door veel in het midden te laten. Neem, opnieuw, De Staalmeesters. Er zitten een paar mannen rond een tafel, ze kijken gespannen naar ons alsof er iets gebeuren gaat, maar wat er aan de hand is blijft in het duister. Het is een krachtige en tegelijk raadselachtige manier van vertellen die ons telkens opnieuw dwingt het verhaal aan te vullen. Die onduidelijke kant van grote kunstwerken kun je opwaarderen met begrippen als schoonheid en mysterie, maar dergelijke vaagheden doen de zeggingskracht ervan tekort. Grote kunstenaars zijn goede vertellers, ze weten hoe ze de spanning erin moeten houden, daar komt geen conservator aan te pas. Achtergrondinformatie en historische verduidelijking kunnen de impact van de vertelling vergroten, maar het is ook heel goed mogelijk dat de aanvulling een invulling wordt die de kracht eerder verzwakt dan versterkt.

Wanneer het museum in zijn zendingsdrang een voorgekauwde ervaring over de collectie uitsmeert zullen de door de werken vertelde verhalen gesmoord worden, en nog slechts als vaag gemompel te beluisteren zijn. Wanneer er bijvoorbeeld ensembles ontstaan rond topstukken, dan kan De Staalmeesters zonder enige moeite het middelpunt vormen van een opstelling die veel vertelt over handel, industrie, armoede en uitbuiting. Zonder twijfel wordt dat een interessant en goed bedoeld verhaal, maar het zal Rembrandts open einde genadeloos overstemmen.

Het bekende verveelt snel, en ook het volledig onbegrijpelijke boeit niet lang. Wat bekend voorkomt, maar zich niet laat navertellen, dat blijft fascineren. En juist dat vormt de kern van elk goed kunstwerk, maar het vormt ook de essentie van de manier waarop de geschiedenis ons kan bezig houden. Alle in het museum bijeengebrachte objecten delen deze vertrouwde vreemdheid en hoeveel verhalen of informatie een museum er ook aan vastknoopt, juist die vreemdheid is hun grootste kracht, want die wekt onze nieuwsgierigheid. In de hedendaagse kunst is de postmoderne neiging overal een verhaal van te maken al weer enige tijd voorbij, kunstenaars streven nu naar een harde confrontatie met het bestaande, of dat nu de wereld voor of achter de spiegel is. Ze zijn op zoek naar een rest, een overschot, dat overblijft wanneer elk concept, alle toegevoegde informatie en emotie van de wereld die ons omringt is afgesloopt, zodat er iets overblijft dat eerder onbekend dan bekend is. Misschien kan deze zoektocht het museum tot voorbeeld dienen bij de inrichting. Natuurlijk moet het daarbij zorgen voor aanvullende informatie en, vooruit, het kan geen kwaad de afdelingen eens goed door elkaar te mengen, maar voor alles moet het zorgen voor een forse botsing met de fragmenten die de collectie vormen. Dan wordt misschien het gefluister hoorbaar dat de dingen zelf vertellen, is het mogelijk flarden op te vangen van lang vervlogen gesprekken.

Daarbij mag het gaan om spanning en vermaak, maar het idee van een ensemble, een begrip dat vooral getuigt van tomeloze tuttigheid, dient snel verlaten te worden. We gaan niet naar het museum voor het geheel van geschiedenis en kunst, ook al wordt er in die de som rekening met ons gehouden. De losse delen, de buitengewone, vreemde en schitterende fragmenten die in de loop der tijd in het museum bijeen zijn gebracht, daarvoor gaan we naar het museum en die moeten aan het woord komen.

Jeroen Boomgaard is Lector Kunst en Publieke Ruimte bij de Gerrit Rietveldacademie en de Universiteit van Amsterdam.