Een genie met melkvlekken

NEW YORK. Aan de vooravond van Thanksgiving Day stond ik op het vliegveld om Baby Rat en zijn moeder op te halen. De beesten in huis – twee badeenden in de badkamer, een blauw paard in de slaapkamer, een bij in de keuken – had ik verteld: ,,Baby Rat komt eraan, het kan weer leuk worden.'' De werkster die zich had aangeboden als babysitter, was van het goede nieuws op de hoogte gebracht. En mijn moeder had geïnformeerd: ,,Wanneer komt die Rat? Is hij er al? Als hij hier over de vloer komt, sla ik hem zo het huis uit en dan bel ik de politie.'' Ze stelt zijn aanwezigheid in mijn leven niet op prijs, terwijl hij toch de vriendelijkheid zelve is.

Het vliegtuig had een uur vertraging. Mensen stonden te wachten op familieleden met wie Thanksgiving zou worden gevierd. Ik zag dochters die hun ouders moeizaam omhelsden. Er werden opgewekte verhalen verteld over het leven op de campus, maar voor de buitenstaander zag het eruit als een zorgvuldig ingestudeerd toneelstukje. Jongens in trainingspak die hun vriendinnetjes opwachtten, grootouders die nog goed ter been waren. Maar Baby Rat en zijn moeder kwamen niet tevoorschijn. Ruim vierentwintig uur had ik niets meer van ze gehoord. Ze zouden toch niet op het laatste moment vermoord zijn daar in Bolivia? Een wanhoopsdaad, anderhalf uur voor het vertrek. Wanhoop is een goed excuus.

Een dag of drie daarvoor was ik gebeld door mijn ex-vriendin in Amsterdam. Ze zei dat ze hoopte dat ik dood was. Ik had gezoend met een studente en hoewel het uit was, mocht dat niet. Begrepen deed ik het wel, zoenen is intiem. Erover schrijven nog intiemer. De ex-vriendin had gezegd: ,,Ik ga je kapotmaken.'' Met enige weemoed stelde ik vast dat ik in die woorden niet meer kon geloven. Ze ging me niet kapotmaken, ze zei het alleen maar. Ik mocht het allemaal weer zelf doen.

Contact had vooral dan zin als er echt iets kapot kon worden gemaakt.

Terwijl ik met een cappuccino heen en weer liep over LaGuardia Airport, een Amerikaan tussen de Amerikanen en toch niet helemaal, drong dat steeds beter tot me door.

De studente in kwestie had nog een paar keer gemaild met de vraag: ,,Mag ik het stuk lezen dat je over mij geschreven hebt?'' Ik had geantwoord dat ik bezig was het te zoeken, zoals ik nu bezig was te wachten. Lezen over jezelf is nooit goed. Over anderen moet je lezen.

Het was laat aan het worden, er waren niet veel wachtenden meer over. Een man of tien. Aan sommigen kon je zien dat ze bezig waren de moed te verliezen. Er werd driftig getelefoneerd, maar zou het iets uithalen? Ik kon niet telefoneren, want de moeder van Baby Rat had haar telefoon in mijn appartement achtergelaten toen ze van de zomer hals over kop en toch weloverwogen naar de vader van het kind was vertrokken.

Geleidelijk aan werd het groepje wachtenden verder uitgedund en toen er nog maar vijf over waren begreep ik dat de kans groot was dat er ergens iets was misgegaan.

Een boek schrijven, een baby redden, het waren tijdrovende bezigheden en hoewel een kennis had gesuggereerd dat een baby redden op lange termijn bevredigender zou zijn dan boeken schrijven, moet ik toegeven dat ik boeken schrijven toch ook tamelijk bevredigend vond, zeker als je bedacht dat ik het al een tijdje deed. Met baby's redden was ik nog maar net begonnen.

Wie ook maar het kleinste druppeltje genialiteit in zich voelt, heeft de verplichting naar die genialiteit te luisteren. Mijn genialiteit zei vreemde dingen tegen mij: ,,Zonder je af. Ga zo door. Bewaak je vrijheid. Ga 's avonds in bad, dan kun je nog een uur lezen voor je in slaap valt.''

Het was na middernacht toen ze eindelijk verscheen, met een joekel van een kinderwagen, niet veel kleiner dan een motor met zijspan. Mijn appartement was niet gebouwd op kinderwagens van dat formaat.

,,Waarom duurde het zo lang?'' vroeg ik.

Ik moest bij de gate wachten op de kinderwagen, hij kwam maar niet.

,,Het is een behoorlijk ding'', zei ik.

,,Hij is opvouwbaar'', zei ze, en ik hoorde tevredenheid in haar stem.

In de wagen lag de Rat te slapen. Hij was ingepakt alsof het buiten min twintig graden was. ,,Wat trek je hem aan als het buiten straks echt koud is?'' vroeg ik. ,,Een bontmantel?''

,,Op het vliegveld van Miami heeft hij gekrijst, hij was niet meer stil te krijgen. De douaniers hadden medelijden met me. En daarna heeft hij me in mijn tepel gebeten, zo boos was hij.''

Ik keek nog eens goed naar de wollen muts die over het hoofd van de Rat was getrokken. Dat hij boos was kon ik begrijpen. Ik zou ook boos zijn als ik hem was.

Toen alle koffers – het waren er weer veel – in een taxi waren geladen, bleek het met de opvouwbaarheid van de kinderwagen mee te vallen. De taxichauffeur probeerde het, ik probeerde het, de moeder van Baby Rat probeerde het, maar de wagen verzette zich hardnekkig tegen opvouwen.

Een gevecht van twintig minuten ontspon zich, waaraan nog twee andere chauffeurs deelnamen. Toen was de wagen opgevouwen. Of vernield.

Thuis zei ik: ,,Ik stel voor dat we de kinderwagen nu voor altijd opgevouwen laten. Dat lijkt me voor alle betrokkenen het beste.''

En zo veranderde langzaam het verloop van mijn dagen. Ik schreef nog steeds, maar paste mijn werkzame uren aan de baby aan. Sliep de baby, dan werkte ik. Was de baby wakker, dan werkte ik ook, maar anders.

De Rat had de gewoonte zeker twintig procent van de melk die hij dronk weer uit te spugen. Al gauw zaten overal melkvlekken. Op mijn jas, op mijn truien, op mijn overhemden, op mijn broeken, zelfs op het behang. God mag weten hoe ze daar terechtkwamen. Aanvankelijk streed ik tegen de melkvlekken en kleedde me drie keer per dag om, maar op een gegeven moment legde ik me neer bij wat ik tijdelijk was geworden. Een man met melkvlekken. Een genie, maar wel bevlekt.

Waar dit heen moest wist ik niet en het leek me verstandig dat ook niet te vragen.

Ik hervatte mijn Franse les. Liet mijn teennagels knippen en polijsten, omdat de manicure had gezegd dat een man van mijn leeftijd zich geen onverzorgde teennagels meer kon permitteren. Daaraan voegde ze toe: ,,Als je op je 35ste nog niet getrouwd bent dan gebeurt het niet meer. Dan blijf je je leven lang vrijgezel. Dan wil je niet meer. Weet je wat, stuur ze eerst naar mij toe, dan kan ik zeggen of ze wat voor je zijn. Maar doe het voor je 35ste.''

Ik kocht vier cadeaucertificaten à 19 dollar om geschikte kandidaten naar de manicure te sturen, ter keuring. Ik begreep dat het absurd was, maar het voelde niet zo. Eigenlijk voelde niets meer als absurd.

Mijn vorige assistent, Max, had New York verlaten om in Berlijn zijn wetenschappelijk onderzoek voort te zetten. Ik had een nieuwe assistente. Een meisje dat film studeerde in New York, 19 jaar oud.

We gingen samen naar de nieuwe film van Almodóvar, ik stelde vast dat er weer veel travestieten in voorkwamen, maar dat het lang niet slecht was.

Toen ze de week erop langskwam om kranten te knippen, bankafschriften op te bergen en pakjes te maken, excuseerde ik me op de gang al voor de melkvlekken.

Daar stond de kinderwagen, in de slaapkamer lagen Baby Rat en zijn moeder op het bed, en op de bank in de woonkamer borg de nieuwe assistente mijn bankafschriften op.

Een idylle, een valse idylle natuurlijk, een idylle in travestie, als alle idylles.

Ik bestreed niet langer dat mijn leven een vergissing was, maar wel een waarover mensen nog jaren na mijn dood zouden spreken.