Dit is geen zingen

Bert Schierbeek schreef gedichten met een verontrustend hoge proza-graad. En toch is zijn poëzie goed, heel goed zelfs. Alle gedichten zijn nu voor het eerst verzameld.

Zelden heb ik in poëzie meer kaalslag gezien dan in deze barre regels:

men

men kan

men kan geen

men kan geen woord

men kan geen woord zeggen

men kan geen woord

men kan geen

men kan niet

men kan

men

niet zeggen

en

ook

ik niet

Om te beginnen de boodschap. Het is verbijsterend dat iemand het woord neemt om niets anders te doen dan de onmogelijkheid van zijn eigen activiteit te benadrukken. Nog verbijsterender is het dat deze uitspraak het openingsgedicht vormt van een bundel. Nog verbijsterender is het dat deze bundel een debuut is. Vervolgens is er de vorm die de inhoud volledig ondersteunt. Dit is geen zingen, dit is stamelen en stotteren tegen beter weten in. Het enige woord dat nog enige hoop op communicatie zou kunnen verschaffen, `zeggen', is door de typografie geïsoleerd geraakt en kan elk moment van de rand van het gedicht afbreken. Ten derde is er de totale leegte in de personele bezetting van het gedicht. De enige die in deze regels woont is een onpersoonlijk `men' en tegen het einde van het gedicht wordt zelfs deze `men' bestaansrecht ontkend, want de laatste negen woorden van het gedicht zou je kunnen lezen als: men kan geen `men' zeggen, evenmin als men `ik' kan zeggen. Doordat de woorden `ik' en `niet' samen in één regel staan, wordt benadrukt dat de eerste persoon in één adem wordt genoemd met zijn ontkenning. Wat overblijft is de kaalslag van een lege stameling waarin niemand aanwezig is en de afwezige geen woord kan zeggen.

Dit gedicht is het openingsgedicht van de bundel De deur, het late poëziedebuut van Bert Schierbeek (1918-1996). De bundel verscheen in 1972, ruim twintig jaar nadat Schierbeek zijn naam als experimenteel auteur had gevestigd met zijn roman Het boek ik. De dichter zelf heeft nooit ontkend dat deze barre regels zijn voortgekomen uit een persoonlijke tragedie. Zijn tweede vrouw, Margreetje van Zutphen, is in 1970 omgekomen bij een auto-ongeluk. Maandenlang kreeg hij geen letter op papier. `Toen de prop eruit vloog,' zei hij later, `borrelden allereerst deze kale zinnetjes op.' Dit biografische gegeven verschaft een enorme extra lading aan de poëzie. Maar dit neemt niet weg dat deze gedichten op zichzelf kunnen staan als een ultieme poging om leegte en gemis onder woorden te brengen. Ook zonder kennis van het tragische biografische gegeven blijft dit verbijsterende poëzie. Zo was nog nooit eerder in het Nederlands gestameld.

Bert Schierbeek is een icoon van de naoorlogse Nederlandse literatuur en zoals dat wel vaker gaat met iconen, is hij voor velen eerder een naam die je behoort te kennen dan een auteur die je leest. Hopelijk komt daar verandering in, nu al zijn poëzie voor het eerst is bijeengebracht in één monumentale band. De bezorgster Karin Evers heeft zich met verve gekweten van haar lastige opdracht. Zij heeft vele fundamentele keuzen moeten maken over de status van de verschillende gedichten, vaak in verschillende vormen gepubliceerd, fragmenten van gedichten, teksten voor muziek en nagelaten werk. Wie van mening zou willen verschillen over deze keuzen, wordt, zoals dat hoort, geen strobreed in de weg gelegd, omdat alle keuzen voorbeeldig zijn gedocumenteerd. Het boek wordt afgesloten met een viervoudig testimonium van wetenschappelijke zorgvuldigheid: een verantwoording, een bibliografie van afzonderlijke publicaties, een bibliografie van gedichten voor muziek en aantekeningen bij de gedichten. Met al dit vertoon van voorbeeldigheid is het verbazingwekkend dat het boek een simpel instrument ontbeert dat de toegankelijkheid zeer ten goede zou zijn gekomen: een index op titels en beginregels. Maar dat is dan ook het enige wat ik op deze prachtige uitgave heb aan te merken.

Schierbeek geldt als de nestor van de beweging van de Vijftigers. Zijn belang voor de experimentele poëzie in Nederland is niet te overschatten, al is het gemakkelijk over het hoofd te zien, omdat hij zijn invloed aanvankelijk vooral deed gelden vanuit de coulissen van het literaire bedrijf. Een jaar na de verschijning van zijn debuut, de weinig experimentele roman over het verzet tegen de fascistische bezetter Terreur tegen terreur (1945), trad hij toe tot de redactie van coöperatieve schrijversvereniging De Bezige Bij en in 1948 volgde hij Koos Schuur op als bestuurslid. Hij was het die het werk van de experimentele dichters onder de aandacht bracht van de uitgeverij en het is met name aan zijn belangstelling en inzet te danken dat de experimentele poëzie in de jaren vijftig en zestig een podium vond bij De Bezige Bij. Wim Schouten, mede-oprichter en mede-directeur van De Bezige Bij, schrijft hierover in zijn memoires Een vak vol boeken: `Bert Schierbeek was de alerte waakhond, die ons wakker maakte voor nieuwe ontwikkelingen. Hoewel het hem niet snel genoeg ging. Met Remco Campert en Lucebert was hij redacteur van het door Rudy Kousbroek opgerichte tijdschrift Braak en bevriend met de opkomende experimentele schilders. Een beter contact voor De Bezige Bij in de frontlijn van de nieuwe literatuur was niet denkbaar.'

Als literator en zeker als dichter was Schierbeek aanvankelijk minder prominent aanwezig in de frontlinie van de avant-garde. Ook zijn tweede roman, Gebroken horizon, behandelde zijn ervaringen in het verzet in een literaire vorm die, afgezien van wat schuchter geflirt met het surrealisme, conventioneel te noemen is. Zijn naam als actief mede-vormgever van de experimentele literatuur vestigde hij pas met het concessieloze Het boek ik, dat in 1951 verscheen. Het boek ik is een experiment op de broze breuklijn tussen proza en poëzie. Je zou het een roman kunnen noemen waarin elke eventuele verhaallijn volledig ondergeschikt is gemaakt aan de associatieve en fragmentarische verteltechniek. Je zou het met even veel recht een prozagedicht kunnen noemen van ongewone omvang. De magistrale openingsalinea zet de toon: `..., want de tijden waren vol geworden en de enkele goden die nog restten bouwden hun onderkomens in kelders. het grote splijten is begonnen en de splitsomachie zet zich in ons voort en reeds jaren zijn de beddingen te nauw en verbreed om het breed worden te pleiten in eigen boezem ... groot zijn de stuwdammen die het leven en de dood in ons optrekt en hoog en dik en zéér vele.' Je zou je kunnen voorstellen dat je deze zinnen vormgeeft als poëzie, met regelafbrekingen en lekker witomrand, en dan zou het in toon niet zo heel ver verwijderd zijn van de gedichten die Lucebert in die tijd schreef.

Tot op de dag van vandaag blijft Het boek ik een van de meest gedurfde experimenten in de Nederlandse literatuur. Het wekt geen verbazing dat niet iedereen van mening was dat het experiment geheel was geslaagd. `Woordkakkerij' vond Reve het, die toen nog Gerard Kornelis van het Reve heette. Dodelijker misschien nog is het oordeel van de zetter, die de roman karakteriseerde als `een curieus stukje zetwerk'. Het wekt eerder verbazing dat Het boek ik voor een experimentele roman een enorm verkoopsucces is geworden. Als je de herdrukken als `Zwart Beertje' en `Salamander'-pocket meerekent, zijn er totaal meer dan 60.000 exemplaren van verkocht.

De compositie van Het boek ik vertoont drie kenmerken die van groot belang zijn voor het begrip van Schierbeeks latere poëzie: het fragmentarische, het associatieve en de vervaging van de grenzen tussen poëzie en proza.

Zoals al zichtbaar is aan de gebroken zinnen in de gedichten van zijn poëziedebuut, stelt Schierbeek zijn gedichten samen uit de scherven van de taal. Hoewel hij in de loop van zijn poëtische loopbaan in verschillende stijlen en toonaarden heeft gedicht, blijft hij tot op het laatst van zijn leven gefascineerd door de zeggingskracht van verbrokkelde taal:

terugvallend

op mijn laatste

ademtocht

ga ik heen

waarheen

de volksverhuizingen

in het bloed

verlichten de horizon

tot een nieuw land

nooit weet men

waar men komt

leven is er

en daar is

Dit is het laatste gedicht uit de postuum verschenen bundel Vlucht van de vogel (1996) en in dat opzicht in zekere zin Schierbeeks poëtisch testament. Op een manier die later indrukwekkend is uitgebuit door Remco Campert in zijn befaamde gedicht `Lamento', maakt Schierbeek gebruik van de stijlfiguur van de aposiopesis: de verbrokkeling van de wereld en van de gedachten over de wereld wordt uitgedrukt in verbrokkelde taal. De zinnen weigeren syntactisch compleet te worden. De tweede strofe zou je misschien nog kunnen proberen op te vatten als de bijzin die met het laatste woord van de eerste strofe is geopend, al maakt de woordvolgorde dat niet aannemelijk. Aannemelijker is dat de onbekende bestemming wordt uitgedrukt in de witregel tussen de beide strofen. Op dezelfde manier mogen we in het wit onder het gedicht als geheel op zoek naar datgene wat `is' waar leven is.

Precies ook in deze fragmentarische werkwijze, of beter gezegd in de combinatie van de verbrokkeling met een streven naar het minimalisme van de kaalslag, schuilt het grootste gevaar voor deze poëzie. Soms vertrouwt Schierbeek zoveel op de zeggingskracht van het wit dat het gedicht omringt, dat hij nauwelijks nog iets zegt. Er zijn veel gedichten te vinden in het verzameld werk die welbeschouwd niet meer zijn dan één enkele, korte, kale zin, opgeknipt in luttele regels. `en er riep iemand // o god/ de dood/ de dood/ en de tand/ des tijds'. `de kinderen houden/ de werkelijkheid/ in stand/ waarvan zij dus/ dromen'. `mijn wil is/ sterker dan/ de pijn/ zei hij/ en het werken stelt mij/ in staat met anderen om te/ gaan'. `hoeveel liefde/ van de grond/ maakt het gras groen?' `wij beslopen/ alle dromen/ als een hond/ met de staart tussen zijn poten'. `langzaam verschuift/ de zee in de nacht/ van haar eigen/ rytme' `'t is dus de/ ruimte/ zichtbaar/ gemaakt in/ het ritme van/ het gedicht'. Deze vierennegentig woorden zijn zeven volledige gedichten, allemaal uit zijn laatste bij leven gepubliceerde bundel De zichtbare ruimte (1993). Ik had ook andere voorbeelden kunnen kiezen, ook uit eerdere bundels. Ik ken niemand in Nederlandse poëzie, misschien met uitzondering van F. van Dixhoorn, die het aandurft om zijn pagina's zo leeg te laten. Deze zeven gedichten bevatten in totaal niet meer dan vijf adjectieven, waarvan er slechts één attributief is gebruikt (`eigen'). Ook als schaarste van adjectieven niet als lakmoesproef zou mogen gelden voor het kaalheidsgehalte van de poëzie, zal niemand betwisten dat deze gedichten met minimale middelen trachten te spreken.

Hoeveel kun je weglaten uit een gedicht totdat het ophoudt een gedicht te zijn? Het is een kwestie van smaak, ik geef het toe, maar voor mij, weinig uitgemergeld als ik ben, is het even wennen. Ik zou vierennegentig adjectieven voor één gedicht al aan de magere kant vinden en wit papier is er voor mij om vol te spetteren, kwistig morsend met de vette jus van wildbraad. Dit soort poëzie is voor mij een rigoureus dieet. Of, om het in de zen-boeddhistische geest van het motto van Schierbeeks debuutbundel uit te drukken, deze poëzie is voor mij een oefening in wabi sabi, de esthetiek van ongekunstelde eenvoud. Deze opgeknipte zinnen en aforismen zijn stuk voor stuk potentiële versregels voor een gedicht dat zij niet worden. Als afzonderlijke gedichten zijn zij niet gelukt, omdat zij te veel pronken met verstilling. Dat ik alle zeven gedichten achter elkaar heb getypt, verbloemt het probleem in zekere zin, omdat de afzonderlijke gedichten op deze manier daadwerkelijk onbedoeld gaan werken als versregels die met elkaar een verband aangaan. Als één lang gedicht werkt het beter dan als zeven korte.

Anderzijds is dit misschien ook precies weer helemaal zo bedoeld. Wie een bundel van Schierbeek leest, leest een bundel en geen afzonderlijke gedichten. Wie een bundel van Schierbeek leest, leest flarden te midden van flarden, die op een wonderlijke manier, over de randen van de afzonderlijke pagina's heen, een verband met elkaar aangaan. In feite zijn de teksten die als afzonderlijke gedichten worden gepresenteerd, onderdelen van gedichten die samen met de andere onderdelen van gedichten die de bundel uitmaken, iets worden wat op een gedicht lijkt.

Dit brengt ons op een ander cruciaal aspect van Schierbeeks fascinatie voor verbrokkeling, fragmentatie en het bewust onaffe. Zoals Karin Evers in haar verantwoording uiteenzet, was Schierbeek als dichter in de eerste plaats een verzamelaar van flarden. Zoals een entomoloog kisten vol vlinders verzamelt, zo werkte Schierbeek aan zijn `taalvoorraad.' In een interview in 1960 zei hij hierover: `Ik heb hele bloknoten vol, allemaal woorden, notities, flarden gesprek, filosofische aantekeningen, reclameteksten, krantenknipsels, kortom van alles.' Deze brokken taal verwerkte hij vervolgens in zijn prozagedichten. Veel van de poëzie die hij sinds 1972 schreef, maakt, aldus Karin Evers, de indruk te bestaan uit onverwerkte brokjes taalvoorraad, sec gepubliceerd als afzonderlijk gedicht. Sommige taalflarden worden zelfs meer dan eens gebruikt, als identiek onderdeel van een ander gedicht. Dit verklaart veel over de vaak vervreemdend versnipperde indruk die zijn poëzie maakt. Maar wat moeten we er nu mee? Het klinkt allemaal wel interessant maar niet bepaald als een aanbeveling. We krijgen al snel de indruk dat Schierbeek een dichter was die maar wat zat aan te rommelen met de onderstreepte stukjes uit zijn knipselkrant.

En daar komt nog iets bij. Zoals gezegd had Schierbeek weinig op met het veelgeroemde onderscheid tussen proza en poëzie. Hij sprak zelf van `proëzie'. Nu knapt het meeste proza onmiddellijk op van een schepje poëzie, maar het omgekeerde werkt meestal als eigeel door het eiwit dat je wilt opkloppen: de boel slaat onmiddellijk dood. Het is niet al te moeilijk om in dit verzameld werk voorbeelden te vinden van gedichten die als gedichten doodslaan door een te hoog prozagehalte. Enkele van de zojuist geciteerde aforismen mogen als voorbeeld dienen en ook een gedicht als dit: `het gedicht is zijn uitleg/ de uitleg is het gedicht/ het gedicht heeft geen uitleg/ het gedicht legt de uitleg/ weg'. En dan stel ik opnieuw de vraag: wat moeten we hier nu mee?

Het wonder is dat het toch werkt. Ook al is dit poëzie waarvan het je op het eerste gezicht niet zou verbazen als zij gemaakt was door een dichter die hap-snap grabbelde uit zijn taalvoorraadtrommel, ook al is dit poëzie met een verontrustend hoge prozagraad, het is goed. Erg goed. En het geheim daarvan is, denk ik, dat derde kenmerk, de associatieve kracht, en dan gaat het eerder om de associaties binnen afzonderlijke bundels dan om de associaties binnen de flarden tekst die een afzonderlijke pagina krijgen als zelfstandige gedichten.

Nee, dit is niet het geheim. Of misschien toch. Maar er is een groter geheim en dat is de ultieme compromisloosheid. De concessieloosheid, die al volledig zichtbaar is in het allereerste gedicht van de allereerste bundel, maakt deze poëzie eigen – en niet in die zin dat zij autobiografisch is en voortkomt uit een tragisch auto-ongeluk, ook al is dat wel zo en ook al zegt de dichter dat zelf, maar daar gaat het niet om. Waar het om gaat is dat in deze poëzie een gebroken stem stamelt die tegen beter weten in het allerbelangrijkste tegen ons probeert te zeggen, al weet hij niet wat het is. Maar wij luisteren. Het is de compromisloosheid die deze uitgemergelde poëzie de kracht en de ontroering geven van een afgetrainde, stotterende prijsvechter.

Bert Schierbeek: De gedichten. Samenstelling en verantwoording Karin Evers. De Bezige Bij, 710 blz. €45,–