Dat oude geloof

Twintig jaar geleden verketterden Nederlanders elkaar in het kernwapendebat. De morele zelfgenoegzaamheid van `hollanditis' is nu verdwenen, maar de huidige oververhitting van het maatschappelijk debat is even zorgelijk.

`Van een zakelijke discussie was geen sprake meer; eerder leek Nederland te zijn getroffen door een regelrechte godsdienstoorlog. Beide partijen verketterden elkaar geestdriftig en scheldpartijen waren niet van de lucht.' Op deze opzienbarende manier beschrijft de historicus Remco van Diepen niet het Nederland van de vroegmoderne tijd of van de post-Fortuyn jaren, maar het land van ongeveer twintig jaar geleden – toen vrienden, familieleden en geloofsgenoten verscheurd werden rond de vraag of 48 kruisvluchtwapens in hun land geplaatst zouden moeten worden. Gevoelens van angst en woede waren overal, schrijft hij, en mensen wisten nauwelijks hoe ze hun emoties moesten bedwingen.

Het was een tijd van fanatisme, waarin politici zich bedienden van felle, emotionele en soms demagogische retoriek en waarbij burgers werden opgeroepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid, zich uitend in `ongeduld, agressie, en dreiging' zoals een kritische tijdgenoot het omschreef. Het huis van de voorzitter van het Interkerkelijk Vredesberaad, Mient Jan Faber, werd beklad en zijn familie werd bedreigd, zodat de politie het hem verbood deel te nemen aan de grote demonstratie tegen `kruisraketten' van 1981. In dit `volledig verzuurde' politieke klimaat was een kleine groep extremisten zelfs bereid geweld te gebruiken als het hun uitkwam. Op deze weinig verheffende manier worstelde Nederland zich door het `grootste nationale conflict van de laatste kwart eeuw', merkt Van Diepen op in zijn net verschenen Hollanditis. Nederland en het kernwapendebat, 1977-1987.

Dit verziekte klimaat in het Nederland van eind jaren zeventig en begin jaren tachtig was grotendeels veroorzaakt door `hollanditis', een term van de Amerikaanse conservatieve historicus Walter Laqueur die het in 1981 gebruikte om de hang naar ideologische neutraliteit van Holland (en West-Europa) aan te duiden. `Hollanditis' stak volgens Laqueur en anderen de kop op toen het eerste kabinet-Van Agt in 1979 besloot om een stemming over de plaatsing van 48 kruisvluchtwapens op Nederlands grondgebied (die niet kon rekenen op goedkeuring van een parlementaire meerderheid) uit te stellen. Het zou zes jaar duren voordat het parlement zijn toestemming wél zou geven; geen enkel ander NAVO-land heeft zo geworsteld met deze kwestie.

Een van Van Diepens grootste verdiensten is dat hij de opkomst van `hollanditis' plaatst binnen een breder kader en de bestaande historiografie. Na het uitvoerig analyseren van allerlei interpretaties van dit fenomeen, concludeert hij – in navolging van J.L. Heldring, J.C. Boogman en J.J.C. Voorhoeve – dat de opkomst van het Nederlandse `atoompacifisme' is geworteld in een Nederlandse traditie om de machtspolitiek van grotere staten te schuwen. Nog belangrijker is dat Van Diepen de stelling uitwerkt dat `hollanditis' geen uniek Nederlands fenomeen was, maar een variatie op internationaal idealisme dat ook tot uiting kwam in Scandinavische landen, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Bovendien hadden landen met sterke vredesbewegingen Nederland niet nodig om geïnspireerd te raken; alleen de Vlaamse en de Duitse kerkelijke vredesbewegingen werden duidelijk beïnvloed, vooral door het Interkerkelijk Vredesberaad. Verder was de Nederlandse bevolking niet opmerkelijk `atoompacifistisch'; in andere landen, zoals Italië, was de weerzin onder de bevolking tegen kernwapens een stuk groter.

Het enige unieke kenmerk van de Nederlandse vredesbeweging is, volgens Van Diepen, dat ze vroeg en effectief was georganiseerd en dat ze in staat bleek om het politieke systeem te beïnvloeden. Dat was in niet geringe mate te danken aan een aantal progressieve christenen binnen het CDA dat zich bleef verzetten tegen plaatsing. Deze bevindingen zijn niet allemaal origineel – sommige kwamen ook al in de jaren tachtig naar voren – maar Van Diepen presenteert ze twintig jaar later, na diepgravend historisch onderzoek, met extra overtuigingskracht. Vooral zijn vermogen tot historische synthese verdient lof.

Samengevat laat de auteur weinig heel van de illusie dat Nederland een aandachttrekkend gidsland was op het gebied van de wereldvrede. In dit opzicht doet Hollanditis denken aan het kleinere werk van I.D. Verkuil over de Nederlandse vredesbeweging, De grote illusie (1988). Zelfs de omslagen van beide boeken zijn hetzelfde: de bekende cartoon door Opland van een boze vrouw die een raket een schop geeft. Als er al iets opviel, lijkt Van Diepen te beweren, was het de schreeuwerige manier waarop Nederlandse voor- en tegenstanders elkaar zes jaar lang verketterden wegens de voorgenomen plaatsing van 48 kernwapens, die uiteindelijk door ontwikkelingen in de internationale politiek nooit geplaatst zouden worden.

In proza dat zowel toegankelijk is als energiek, vertelt Van Diepen het verhaal van het decennium (1977-1987) waarin de IKV de Nederlandse populatie opriep: `Help kernwapens de wereld uit, te beginnen in Nederland.' Tegelijkertijd weet hij dit in te bedden in bredere sociale ontwikkelingen (zoals de culturele revolutie van de jaren zestig) die de beweging om atoomwapens te bannen uit Nederland zowel stimuleerden als uiteindelijk ondermijnden.

Omdat de kern van zijn verhaal draait om de vredesbeweging, is hij selectief in de aandacht die hij geeft aan de tegenspelers in dit drama. Van Diepen zoomt vooral in op het leiderschap van de IKV en de PvdA, die zich met kracht uitsprak tegen plaatsing. Beide groepen delfden volgens de auteur uiteindelijk het onderspit omdat zij zich lieten vangen in de radicale, compromisloze houding die zo veel weerklank vond bij een groot deel van progressief Nederland. Hoewel sommige personen binnen het IKV-leiderschap, vooral Faber, tegen 1981 beseften dat zij hun boodschap moesten matigen om weer steun te vinden bij het centrum van de bevolking dat zij hadden verloren, maakte hun `fanatieke, dogmatische en verstarde achterban' dit feitelijk onmogelijk. En de PvdA, die werd geleid door de weinig effectieve Joop den Uyl, hield vast aan wat Van Diepen omschrijft als een onbedachtzame, harde-lijnpolitiek die de partij veroordeelde tot eindeloze oppositie. Verschillende figuren binnen de IKV en de PvdA komen er in Van Diepens analyse niet goed af. Daarentegen krijgen enkele protagonisten lof toegezwaaid – de Nederlandse intellectuelen die zich uitspraken tegen de arrogantie en dwaasheid van de vredesbeweging, en vooral Ronald Reagan, de profetische president die door zijn resolute beleid méér deed om vrede te bewerkstelligen dan al de vredesactivisten tezamen die tegen zijn beleid protesteerden.

Door de zaken op deze manier af te schilderen, zet Van Diepen de interpretatie van progressieve historici aan beide kanten van de Atlantische Oceaan over de Koude Oorlog op zijn kop. De Amerikaanse historicus Arthur M. Schlesinger refereerde in 1983 aan Ronald Reagan toen hij schreef dat ideologie in het publieke leven een vloek is, omdat de politiek dan een onderdeel van theologie wordt. Maar Van Diepen betoogt dat niet Reagan (die hij apart zet van de rechtzinnige neoconservatieven) maar zijn vredelievende tegenstanders leden aan een overmaat aan ideologisch en theologisch enthousiasme, met hun agressieve houding, superioriteitsgevoel en grenzeloze zelfoverschatting. Progressieve christenen en linkse politici namen in hun angst voor de apocalyps de slechtste aspecten van de Nederlandse politieke traditie over: `messianisme, moralisme, legalisme en afkeer van machtspolitiek.'

De toon van het verhaal lijkt soms te suggereren dat Van Diepen (die in 1969 werd geboren) zelf een kruisridder is, die nét terug is van een godsdienstoorlog. Zijn kritische beschrijving van de antikernwapengroepen is soms gepassioneerd, ondanks zijn pogingen om zijn analyses in algemene en objectieve termen weer te geven. `Het IKV', schrijft hij, `werd door tegenstanders gekwalificeerd als ,,arrogant'', ,,gelijkhebberig'', ,,drammerig'', ,,ondemocratisch'', ,,demagogisch'', ,,huichelachtig'', ,,hysterisch'' en ,,onbezonnen''' – termen die zijn eigen opvattingen over de atoompacifisten van binnen en buiten de IKV aardig goed weergeven, zo blijkt uit heel zijn boek.

Partijdigheid is niet noodzakelijkerwijs een slechte eigenschap van een historicus; een historicus die geen kwaad woord kan zeggen over het verleden heeft niets te zeggen. Bovendien lijdt het geen twijfel dat een beslissend deel van de Nederlandse publieke opinie een kwart eeuw geleden gedomineerd werd door een soort progressief moreel superioriteitsgevoel – ik heb het overleefd en herinner het me. Verder geeft Van Diepens mooie onderzoek naar de Nederlandse internationale ambities tijdens het Interbellum in Voor Volkenbond en vrede de fiasco's die voortkwamen uit naïeve vooronderstellingen, voldoende historisch bewijs om zijn wantrouwen tegen alles wat ruikt naar irreëel idealisme te onderbouwen.

Maar het gevaar is dat Van Diepen zijn historische tegenstanders niet volledig recht doet, omdat hij ze iets te snel als karikaturen afschildert. Terugkijkend naar de IKV-literatuur van eind jaren zeventig en de jaren tachtig, ben ik er niet helemaal van overtuigd dat de beweging (of in elk geval het leiderschap) zo weltfremd was als zijn boek soms doet geloven. Ik heb de indruk dat de leiders vaak bewust het gebruik van apocalyptische en messianistische religieuze taal – die volgens de auteur zo overheersend was – probeerden te vermijden. Het is waar dat Van Diepen zijn relaas van tijd tot tijd nuanceert door te wijzen op het verschil tussen de IKV en haar achterban en door ook positieve ontwikkelingen te noemen, zoals de aandachtsverschuiving van IKV-leiders Faber en Wim Bartels naar mensenrechten in de Oostbloklanden. Maar de toon blijft uiterst kritisch tegenover het antikernwapenkamp, vooral tegenover diegenen die volgens Van Diepen standvastig bleven bij hun politieke illusies, waaronder PvdA-leiders als Max van den Berg.

Deze kritische houding is op zichzelf erg interessant, omdat het emblematisch is voor de enorme ideologische kloof tussen de (te) idealistische, linkse politieke cultuur die door Van Diepen beschreven wordt, en het culturele klimaat dat op dit moment overheersend is in Nederland. Van alle `gidsland'-ambities die voortkwamen uit de jaren zestig en zeventig is er natuurlijk niet één zo diep gevallen als die van de vredesbeweging, vooral door het verlies aan leden en invloed. Van Diepen wijst erop dat sommige Nederlandse intellectuelen door de oorlog in Irak hun linkse anti-Amerika houding hebben herontdekt en ook hun afkeer van machtspolitiek, waarbij hij vermanend opmerkt dat Nederlanders blijkbaar nog steeds niet over hun gidslandcomplex heen zijn. Maar hij wijst er ook op dat het tijdperk van de massamobilisaties tegen kernwapens – demonstraties die eens een half miljoen mensen trokken en 3,75 miljoen mensen aanzetten tot het tekenen van een volkspetitionnement – nu definitief voorbij is.

Eén van de sterkste punten van Van Diepens analyse is de wijze waarop hij laat zien hoe de antikernwapenbeweging langzaam werd ondergraven door veranderingen in de Nederlandse maatschappij en de opkomst van een nieuwe generatie, die zich meer wilde laten leiden door hedonistische en materialistische overwegingen dan door de hoogdravende idealen van de vredesbeweging. De vredesbeweging nam daarom niet alleen in kracht af door de doorbraak in de Oost-Westverhoudingen die eind jaren tachtig werd bewerkstelligd door Reagan en Gorbatsjov, maar ook door de toenemende onverschilligheid in de Nederlandse maatschappij ten opzichte van morele ondernemingen zoals de vredesbeweging. En dit gold volgens de historicus uiteraard niet alleen voor de vredesbeweging: `Het oude geloof dat de wereld verbeterd kon worden als maar genoeg mensen zich actief zouden willen inzetten voor de goede zaak, leek in het begin van de eenentwintigste eeuw echter volledig verdwenen.'

In historisch opzicht lijkt Nederland soms een land te zijn van verworpen tijdperken, waarin de meeste perioden in de recente, nationale geschiedenis zijn afgeschreven als tijdperken van collectieve dwaasheid. Eerst kreeg het Interbellum ervan langs en vervolgens de periode van verzuiling – beide tijdperken werden afgeschilderd als benauwend en conservatief. Maar in recente jaren zijn ook `de lange jaren zestig' – waar hollanditis onderdeel van uitmaakt – in het verdomhoekje gezet vanwege de vermeende zelfgenoegzame en onrealistische toekomstverwachtingen van die periode. Maar weinigen zijn in dit tijdperk van zelfbewust realisme bereid om zich uitsluitend positief uit te spreken over de erfenis van de jaren zestig. En het paarse tijdperk – toen post-linkse regenten klaarblijkelijk hun ogen sloten voor de werkelijke problemen in het land – werd in recordtijd naar de vuilnisbak van de geschiedenis verwezen door de opkomst en de dood van Fortuyn.

Maar hoe ver de ideologische conflicten over de kruisraketten ook van ons af lijken te staan, toch is een vergelijkbare maatschappelijke en emotionele spanning ook nu in Nederland aanwezig. Het gaat over een andere kwestie – dreiging van extremisme en sociale desintegratie –, maar de emoties zijn veelal hetzelfde. Van Diepens onderzoek geeft ons stof tot nadenken (zoals verschillende andere historici eerder ook al hebben gedaan) over het bestaan van `warme' of `koude' perioden in de Nederlandse politieke geschiedenis.

De emotionele intensiteit van de jaren-zeventig-politiek heeft recent weer de kop opgestoken, omdat, zoals de Nijmeegse historicus Remieg Aerts opmerkte, de huidige samenleving `een brede waardering voor emoties' heeft. De herkenning van dit cyclische patroon in de Nederlandse geschiedenis zal ons ervan weerhouden dat wij Nederland afschilderen als een consistent `tolerant' land, waar burgers pragmatisch en rationeel politiek bedrijven en waar wederzijdse verketteringen en scheldpartijen geen voet aan de grond hebben gekregen. Het is waar dat veel Nederlanders zich grote zorgen maken over de effecten van emotionaliteit op het politieke leven – het wantrouwen tegenover ideologieën en emoties is een voortdurend thema binnen de Nederlandse politieke cultuur. Maar deze afkeer heeft het politieke leven in Nederland niet gevrijwaard van verhitte emotionele debatten. En aangezien democratieën hun burgers ertoe aanmoedigen om lucht te geven aan hun zorgen, is dit niet noodzakelijkerwijs verkeerd.

Waar de Nederlandse samenleving op dit moment weinig raad mee weet, is het vaststellen van regels voor het voeren van een fatsoenlijk debat. `Debat' is in, en het is alsof Nederlanders aan een collectieve zoektocht zijn begonnen naar de wijze waarop ze met elkaar in discussie kunnen treden en naar de onderwerpen die aangesneden moeten worden. Door het wegvallen van de ideologische instituties en kaders – die nog zo sterk aanwezig waren in de jaren tachtig – voelen Nederlanders zich kennelijk genoodzaakt om in deze tijd van crisis nieuwe wegen in te slaan. Ze zijn er bijvoorbeeld nog niet over uit of het debat aan kwaliteit zal winnen door de vrijheid van meningsuiting op te rekken of door die juist in te perken. En de hiermee verbonden opkomst van oneigenlijke elementen, zoals bedreigingen, scheldpartijen en moord, lijken inderdaad te zijn toegenomen sinds die tijd dat Faber werd bedreigd en zijn huis beklad.

De Nederlandse samenleving is meer ontvankelijk voor invloeden uit het buitenland, meer open dan het Nederland dat Remco van Diepen op boeiende wijze beschreven heeft. Maar de prangende vraag hoe in deze open maatschappij de discussie gevoerd kan worden en wie daarin mogen participeren is nog niet beantwoord. In dit opzicht is de huidige Nederlandse onzekerheid over de eigen samenleving en de eigen overtuigingen tegelijkertijd hoopgevender én gevaarlijker dan de zelfverzekerdheid van een land besmet met hollanditis.

Remco van Diepen: Hollanditis. Nederland en het kernwapendebat, 1977-1987. Bert Bakker, 504 blz. €30,–