Aan tafel met de mollenvanger

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Mauprat' van George Sand (vertaald door Rosalien van Witsen, De Geus, 384 blz. euro 22,50).

Negentiende-eeuwser kan het bijna niet: George Sand schreef met Mauprat het verhaal van een weesjongen die voor galg en rad opgroeit, maar door volharding en zijn sterke karakter opklimt tot een gerespecteerd en gefortuneerd man. Maar eerst moet deze jongen, Bernard de Mauprat, heel diep vallen.

Als kind woont Bernard bij wrede, immer dronken ooms die – zoals voorheen de feodale heersers – eerder een vesting dan een landgoed bestieren. Frankrijk zit al middenin de Verlichting maar zij leven nog in de Middeleeuwen. Bernard vlucht wanneer hij zeventien is, en redt ook zijn bloedmooie achternichtje Edmée uit handen van zijn geile ooms. Edmée en haar vader nemen hun woeste neef liefderijk op in hun huis en schaven hem bij. Pas na vele verwikkelingen, waarbij Bernard haast aan de galg belandt en Edmée bijna het leven laat, kan hij zijn nichtje in de armen sluiten.

Bernard heeft zijn morele redding dus aan een vrouw te danken, en dat herinnert de lezer aan het feit dat George Sand eigenlijk Aurore Dupin (1804-1876) heette en een feministe was. Met het verhaal over Edmée en Bernard illustreerde Sand (in het jaar dat haar eigen echtscheidingsproces speelde) wat voor haar het prinicipe van het huwelijk was. Niet een `contract van materieel belang' maar een `heilig instituut', zoals ze in het voorwoord bij Mauprat schreef. Bernard en Edmée zijn gelijken: hij redde haar uit de vesting, zij op haar beurt zorgt voor zijn opvoeding en vermaant hem steeds weer als zijn woeste gedrag uit de hand loopt. Aanvankelijk is Bernard `een lompe pummel', `een bruut die nauwelijks zijn eigen naam kan schrijven', uiteindelijk is hij een verstandige echtgenoot. Zijn rite de passage duurt zeven jaar.

Wat er tegelijk met Bernard wordt geboren is de moderne burger: niet voor niets speelt de roman in de revolutiejaren. Wanneer Bernard zwaar lijdt onder `de barensweeën van een nieuw bestaan', gaat dat ook over Frankrijk zelf. Even veelbetekenend is het wanneer Bernard en Edmée aan het einde van het verhaal broederlijk hun tafel delen met al hun vrienden ongeacht het standsverschil: de pater en zelfs de mollenvanger zitten aan. Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn dan een feit.

Daarnaast wordt Bernards `geval' gebruikt om Jean-Jacques Rousseau van repliek te dienen. De mens is niet van nature goed, zoals Rousseau dacht. `De mens wordt niet slecht geboren, maar ook niet goed', meent Sand: `waarschijnlijk dragen we vanaf het prille begin de kiem in ons van deugden en ondeugden die mettertijd onder invloed van de buitenwereld ontspruiten'. Niet de natuur, maar beschaving en opvoeding kunnen de mens de goede kant op sturen.

Sands kracht is dat haar personages, ondanks deze boodschappen en betekenissen die ze meesjouwen, heel menselijk zijn. Zo is het een opluchting om te merken dat de onfeilbare Edmée ook zo haar zwakheden heeft. Haar kuisheid gaat op den duur op ongenaakbaarheid lijken, en haar natuurlijk overwicht wordt machtsmisbruik. Bernard, hoe goed en braaf hij ook geworden is, staat na zeven jaar wachten op het punt Edmée toch maar te verkrachten.

Het is een uitstekend idee van uitgeverij De Geus om Mauprat uit te geven nadat ze eerder Sands Indiana en Histoire de ma vie in het fonds opnamen. Terwijl Frankrijk in dit tweehonderdste geboortejaar van Sand overloopt van eerbetonen aan de schrijfster (van George Sand-wandelingen tot George Sand-chocoladetaart), doet het goed om gewoon eens een roman van haar te lezen.

Jammer is wel dat de uitgave niet vergezeld gaat van een inleiding of een nawoord. Daarin had bijvoorbeeld kunnen staan dat Sand zelf ook op een landgoed woonde, net als Edmée en haar vader, en dat ze dus de rompslomp van het beheer zo gedetailleerd kon beschrijven omdat ze er dagelijks mee te maken had: van het snoeien van de perenbomen tot het bestrijden van relmuizen en steenmarters. Of dat haar geboortegrond ook in de Berry lag, net als dat van de Mauprats, en dat ze daarom de wisselende gedaantes van het landschap of het stugge karakter van de Berrichonse boeren zo liefdevol kon beschrijven.

Wanneer je een roman uit 1837 leest, rijzen er bovendien allerlei vragen waar een inleiding antwoord op kan geven. Wie was Gustave Papet aan wie Mauprat is opgedragen? Kreeg Sand geen problemen met haar uithalen naar de katholieke kerk? Hoe verhouden Sands opvattingen over kwestie van nature en nurture zich tot die van haar tijdgenoten? Wat betekende het in haar tijd om een vrouw als Edmée te portretteren die nadrukkelijk verklaart zich niet te zullen laten `temmen', die integendeel zelf temt?

Mauprat is uitgegeven als een gewoon leesboek, met alleen een paar eindnoten. En het leest lekker, ook in vertaling. `De roman galoppeert vlot door', zoals Sand eens monter schreef in een brief aan Flaubert. Dat ging weliswaar over een ander verhaal, maar hetzelfde zou ze kunnen hebben gezegd van Mauprat. Je verveelt je geen moment, en de politieke- en opvoedkundige boodschappen hinderen nauwelijks. Daarvoor wordt de intrige te veel voortgestuwd door mensen die elkaar afluisteren, dood gewaande personages die ineens herrijzen, en smachtende brieven die in verkeerde handen vallen. Alles, kortom, waar de negentiende-eeuwse literatuur goed in was.