Water is de steenkool van de toekomst

Het Romeinse rijk, Hitlers legers en onze autocultuur: allemaal waren en zijn ze afhankelijk van voldoende energievoorraden. De toekomst is aan een nieuwe brandstof, voorspelt Jeremy Rifkin: waterstof.

Jules Verne zag water branden. In zijn boek L'île mystérieuse, oftewel Het geheimzinnige eiland (1874) zitten drie gestrande ballonvaarders bij elkaar. Ze praten over de toekomst van hun land, de Verenigde Staten, waar op dat moment de Burgeroorlog woedt. Hoe zou het toch verder moeten als alle steenkool ooit op was, vraagt de matroos Pencroft aan de ingenieur Cyrus Harding. ,,Water'', antwoordt deze. ,,De waterstof en de zuurstof, waaruit water bestaat, geïsoleerd of samengevoegd, zullen een onuitputtelijke bron van warmte en licht vormen. [...] Water is de steenkool van de toekomst.''

Dat water een verbinding van twee waterstofatomen en een zuurstofatoom was, was geen nieuws toen Verne dit opschreef. Dat had de Engelse natuurkundige Henry Cavendish al in 1766 ontdekt. En dat het gas waterstof brandbaar was, was ook bekend. Toch was het een gewaagde voorspelling die Verne deed, nog ruim voordat het olietijdperk was begonnen.

Nu dat tijdperk langzaam ten einde loopt – sommige deskundigen voorspellen zelfs dat de aarde voor 2010 een ernstig olietekort zal krijgen – komt Vernes toekomstbeeld langzamerhand dichterbij. Over die omwenteling, van een energiesysteem gebaseerd op fossiele brandstoffen naar een op waterstof, gaat Jeremy Rifkins nu vertaalde bestseller De waterstofeconomie.

Eerder richtte de Amerikaanse auteur Rifkin (1945) zijn pijlen op de fastfood-industrie (Beyond Beef: The Rise and Fall of the Cattle Culture), voorspelde hij in zijn boek The End of Work het verdwijnen van de menselijke arbeid in hoogontwikkelde economieën en beschreef hij in The Age of Access de overgang van onze bezitscultuur naar een gebruikscultuur. Rifkin wordt door velen op handen gedragen, door anderen fel bekritiseerd om een gebrekkige bewijsvoering. Hij heeft een goede neus voor de tijdgeest en weet zijn ideeën uitstekend te verkopen. Hij adviseerde de vorige voorzitter van de Europese commissie, Romano Prodi, zelfs over het waterstofbeleid van de EU.

Rifkin voert de lezer van de eerste jager-verzamelaars langs Thomas van Aquino en de gestrande opmars van Hitlers legers in Rusland naar het heden. Leidraad is het volgens hem altijd weer doorslaggevende belang van voldoende energievoorraden. Vanuit dit oogpunt beschouwt hij ook de ondergang van het Romeinse rijk. Niet decadentie, corruptie en imperial overstretch werden Rome noodlottig, betoogt Rifkin, maar afnemende landbouwopbrengsten. ,,De energie die uit de landbouwproductie werd gehaald, was onvoldoende om de infrastructuur van Rome en de welvaart van haar burgers in stand te houden.''

Uit de neergang van het oude Rome moeten we volgens de auteur lessen voor het heden trekken. Want ook nu dreigt binnen afzienbare tijd een tekort aan de belangrijkste energiebron – olie – en anders wel een enorm milieuprobleem. Maar redding is nabij, en die heet waterstof. Schoon, eindeloos beschikbaar en geschikt voor praktisch alle toepassingen.

Er is slechts één probleem: waterstof komt niet in zuivere vorm in de natuur voor. Het moet geïsoleerd worden uit aardgas of water. De eerste methode levert weliswaar schone energie op, maar biedt op den duur geen uitkomst omdat de eindigheid van de fossiele brandstoffen nu juist het probleem is. Waterstof zal dus uit water gehaald moeten worden, maar hier dient zich een ander probleem aan. Het elektrolyseproces, waarbij het watermolecuul gesplitst wordt in twee waterstofatomen en een zuurstofatoom, kost erg veel elektriciteit. En waarmee wordt die elektriciteit opgewekt? In een duurzame energiehuishouding uiteraard niet met kolen, olie of gas. En evenmin met kerncentrales, zolang er nog geen bevredigende oplossing is voor de verwerking van kernafval.

De energiebronnen van de toekomst zijn volgens Rifkin wind, zon en waterkracht. Waterstof is het opslagmedium, waarmee het energiesysteem bovendien `gedemocratiseerd' kan worden. Als de mensheid zal zijn overgeschakeld op waterstofauto's met brandstofcellen, heeft iedereen zijn eigen rijdende energiecentrale. De brandstofcel, die waterstof produceert, wekt immers meer energie op dan de auto verbruikt. Die kan worden gebruikt voor de stroomvoorziening van het huis, of verkocht worden aan het stroomnet. Rifkin voorspelt het einde van de macht van de traditionele stroomconcerns.

Rifkins toekomstvisie is prikkelend, maar voorlopig nog een utopie. Windenergie dekt in de verste verte niet de totale energiebehoefte. En zal dat ook nooit doen, tenzij de halve aarde met windmolens wordt volgezet. Bovendien kost stroom uit windenergie nog altijd het viervoudige van elektriciteit uit een gascentrale. Zonne-energie en waterkracht zijn nog duurder. Rifkin stapt daar relatief luchtig overheen. De opwekking uit duurzame energiebronnen wordt steeds goedkoper, is zijn boodschap, en vooral in Europa blijft het aantal windmolens groeien. Hij noemt wat statistieken, bijvoorbeeld dat ,,sommigen'' voorspellen dat in de nabije toekomst 10 procent van Groot-Brittannië's stroombehoefte uit windenergie kan worden opgewekt. Wie die ,,sommigen'' zijn, blijft in het midden. Bovendien gaat het om elektriciteitsbehoefte, niet om de totale energiebehoefte, die vele malen groter is.

Die bevlogenheid vormt de charme van het boek, maar tevens de zwakte ervan. Zowel beschikbaarheid als kosten staan Rifkins droom nog in de weg. Maar wat als de olieprijs naar 100 dollar per vat stijgt? Zonnepanelen op ieder dak, een Noordzee vol windmolens, of toch die goede oude kerncentrale?

Jeremy Rifkin: De waterstofeconomie. Schone en duurzame energie voor iedereen. Uitg. Lemniscaat, 327 blz., 22,50 euro.