Spraak

In al het necrologische vertoon van gisteravond op tv bleef één kwestie onaangeroerd: de spraak van prins Bernhard. Hij moet het meest geïmiteerde lid van het koninklijk huis zijn geweest. Elke Nederlandse cabaretier heeft wel ergens een Bernhard-zinnetje op zijn repertoire. Bernhard praatte Nederlands op de manier waarop Maurice Chevalier Engels praatte: met een accent waarin in bijna elke zin de moedertaal op een ongewild grappige manier doorklonk.

Het werd niet beter, het werd eerder slechter. Waar prins Claus zich in luttele jaren een onberispelijk Nederlands eigen maakte, bleef Bernhard doormodderen. Hoe kwam dat toch?

Voor de oplossing van dit raadsel moeten we het boekwerkje Onze prins – in het publiek en binnenskamers raadplegen. Het is een hagiografisch werkje uit 1951, met instemming van de prins geschreven door dr. J. Waterink. ,,Ook had hij de grote vriendelijkheid de kopij voor dit boek, wat de feiten betreft, op haar historische juistheid te willen toetsen'', schrijft Waterink. Als het om beeldvorming ging, hield de prins graag de touwtjes in handen.

In dit boek komt uitgebreid prof. dr. J.H. Scholte aan het woord, een hoogleraar Duits die Bernhard in het Nederlands moest onderrichten. Het was 1936 en ,,het Duits had bij ons een minder goede klank'', schrijft Scholte. ,,Ik stelde onmiddellijk een uitgesproken individuele wijze van spreken vast, die geen sterke beïnvloeding zou gedogen'', herinnert hij zich. Maar, gelukkig: ,,Het leek mij niet onmogelijk door intensieve oefening enkele Duits getinte klanken weg te werken. Wij besloten de volgende dag aan het werk te gaan en zo mogelijk elke voormiddag te oefenen.''

Scholte piekerde zich suf over de te volgen methode, hij vond dat Bernhard een bijzondere aanpak nodig had. ,,Het goede mocht niet worden aangeraakt, zwakke plekken dienden zo spoedig mogelijk te worden hersteld. In de eerste plaats ging het om de zuiverheid, vooral van diphtongen, maar toch ook van vocalen en consonanten, deze laatste speciaal in hun inwerking op hun omgeving.''

Scholte stelde nieuwe woordenreeksen samen voor de klankoefeningen. Bernhard moest `soms ook min of meer dwaze zinnetjes' opdreunen als: men geve goede gaven en grote giften aan gebrekkigen en behoeftigen; elf snelle Belgen snelden van Delft naar Gelderland; schrandere schreeuwers schijnen scherpe schimpscheuten niet te schuwen.

Zo werkten ze tweeënhalve maand. Scholte: ,,Het resultaat was voor mijn gevoel verrassend, grotendeels het gevolg van de soepelheid van zijn spraakorgaan (...) Maar zouden de resultaten zich ook buiten het privatissimum handhaven?''

Nee dus. ,,Eigenlijk is het privatissimum-Nederlands onvoltooid gebleven'', schrijft Scholte verderop, licht teleurgesteld. Hij wijt het aan `de oorlogsdreiging' die Bernhard geen tijd meer liet om te oefenen. In 1937 al?

Ik vermoed eerder dat Bernhard al snel geen zin meer had in de schrandere schreeuwers die scherpe schimpscheuten niet schuwen. ,,De systematische oefeningen raakten op de achtergrond, het gesprek werd hoofdzaak'', aldus Scholte. Bernhard had wel wat leukers te doen dan de methode-Scholte. Hij koos, als altijd, voor de methode-Bernhard.