Prins was `lichtvaardig' met Lockheed

De Lockheed-affaire, en de rol van prins Bernhard daarin, zorgde in 1976 bijna voor een constitutionele crisis.

Als er één Nederlandse omkoopzaak is met internationale allure, dan is dat de Lockheed-affaire. Prins Bernhard zou in de jaren zestig en zeventig, in ruil voor 1,1 miljoen dollar, de Amerikaanse vliegtuigbouwer Lockheed geholpen hebben bij de verkoop van vliegtuigen aan Nederland. Bernhard was inspecteur-generaal der krijgsmacht.

De feiten kwamen in februari 1976 naar buiten tijdens openbare verhoren van een onderzoekscommissie van de Amerikaanse Senaat. De affaire zorgde in Nederland voor veel commotie en leidde bijna tot een constitutionele crisis.

Bernhard ontkende stellig. Op verzoek van het toenmalige centrum-linkse kabinet-Den Uyl onderzocht de Commissie van Drie, onder voorzitterschap van Europees rechter A. Donner, de juistheid van de beschuldigingen. De commissie zei, na onderzoek, geen sluitend bewijs te hebben gevonden voor de beschuldiging dat Bernhard zélf het geld had ontvangen.

Wel werden geldstromen naar de ,,omgeving'' van de prins ontdekt. Ze leidden naar drie personen: een onbekende die schuilging achter het pseudoniem Victor Baarn, een zekere Fred Meuser (een vriend van Bernhard) en ex-kolonel A.E. Pantchoulidzew (een vriend van de moeder van Bernhard).

De woordkeuze van de commissie was omzichtig én hard. De prins had zich ,,aanvankelijk veel te lichtvaardig [...] begeven in transacties, die de indruk moesten wekken dat hij gevoelig was voor gunsten''. Hij had zich ,,toegankelijk getoond voor onoorbare verlangens en aanbiedingen'' en zich laten verleiden tot ,,initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren''.

Ook trok de commissie verklaringen van Bernhard op onderdelen in twijfel (,,zijn verhaal [...] is te gekunsteld om geloofwaardig geacht te worden''). De prins had ook veel last van een slecht geheugen. Pijnlijk bleek de ontdekking van twee handgeschreven briefjes van de prins waarmee hij het management van Lockheed in 1974 om geld had gevraagd. In ruil daarvoor zou Bernhard zich inspannen om de marine de Lockheed P-3 Orion te laten kopen.

Bernhard zelf leek allerminst geschokt door de bevindingen. Hij weigerde te erkennen dat hij ,,ernstige fouten'' gemaakt had. In de concept-regeringsverklaring over de affaire stond de zin: ,,Dat de prins ernstige fouten heeft gemaakt, heeft hij erkend''. In de definitieve verklaring, die Den Uyl in de Tweede Kamer aflegde na overleg met koningin Juliana en prins Bernhard, was die zin verdwenen. Bernhards verklaring, opgenomen in de definitieve regeringsverklaring, ging niet verder dan het betuigen van ,,oprechte spijt'' en onder meer het toegeven niet ,,de nodige zorgvuldigheid'' in acht te hebben genomen.

Justitie hield, in opdracht van het kabinet, de handen van de zaak af. Een corruptieproces tegen de prins zou zijn weerslag hebben gehad op de positie van Juliana. Hoewel vervolging zeker niet kansloos zou zijn geweest – volgens toenmalig minister van Justitie Van Agt – sloot het kabinet dat bij voorbaat uit. Die keuze was gebaseerd op politieke argumenten. Het kabinet voorzag ingrijpende gevolgen voor het constitutionele bestel. De prins zou uiteindelijk, als straf, enige tijd geen uniform dragen bij officiële gelegenheden.

De ware omvang van de affaire werd nooit helder, zo blijkt uit de `Middelburgnotities' van de vergadering van het kabinet-Den Uyl over het rapport van de Commissie van Drie, op 20 augustus 1976. Deze notities, geschreven door de secretaris van de ministerraad J. Middelburg, zijn geheim wegens de politieke gevoeligheid en uit bescherming van het koningshuis. De notities zijn gedetailleerder dan de officiële notulen van ministerraden. In 2000 publiceerde NRC Handelsblad de geheime notities.

Daaruit blijkt dat het Lockheed ook geprobeerd had twee leden van de Tweede Kamer om te kopen. Om welke politici het ging, staat niet in de notities.

In de notities wordt voorts premier Den Uyl geciteerd die tijdens de ministerraad ,,twee tijdbommen'' voorzag bij openbaring van het rapport van de Commissie van Drie: ,,Dit zal velen op het spoor zetten, namelijk wie Victor Baarn is geweest.''

Victor Baarn was de schuilnaam van de persoon die in 1968 bij een Zwitserse bank een Lockheedcheque van honderdduizend dollar, bestemd voor Bernhard, incasseerde.

De krant Het Vrije Volk zou na de presentatie van het rapport van de Commissie van Drie een verklaring van twee Lockheed-functionarissen afdrukken. Volgens hen wist het management van Lockheed dat Bernhard schuilging achter het, door hemzelf gekozen, pseudoniem Victor Baarn. Bernhard bewoonde paleis Soestdijk, in Baarn.

Den Uyl noemde, zo blijkt uit de notities van Middelburg, behalve `Victor Baarn' ook `F5' een tijdbom. Daarmee doelde hij op de F-5 straaljagers van Lockheed-concurrent Northrop. Die kocht Nederland in 1966 voor zeshonderd miljoen dollar. In dat verband waarschuwde de premier zijn ministers dat er meer aan de hand was dan alleen Lockheed: ,,Zowel Lockheed als Northrop. In Amerika is in openbare rechtszittingen herhaaldelijk prins Bernhard [genoemd]. Heeft Commissie van Drie niet kunnen opsporen.''

De Commissie van Drie kreeg niet de opdracht om ook de betrekkingen tussen Bernhard en Northrop te onderzoeken. Het Vrije Volk zou overigens in 1977 onthullen dat premier Den Uyl daarover door de commissie wél in een apart, vertrouwelijk document werd geïnformeerd: Bernhard was ook in de weer geweest voor Northrop, in België, Nederland en Duitsland. Hij had onder meer minister Vredeling van Defensie op Soestdijk uitgenodigd. Die werd ter plaatse in contact gebracht met Thomas V. Jones, directeur van Northrop. De onderzoekscommissie van de Amerikaanse Senaat had bovendien ontdekt dat Northrop 750.000 dollar smeergeld had overgemaakt naar tussenpersonen in Europa. Het waren dezelfde mensen die een rol speelden bij het wegsluizen van het geld dat Lockheed voor Bernhard had bestemd.

De Commissie van Drie gaf in haar eindconclusie ook een hint dat er meer aan de hand was dan alleen Lockheed: ,,Tenslotte heeft hij [de prins, red.] zich laten verleiden tot het nemen van initiatieven die volstrekt onaanvaardbaar waren en die hem zelf en het Nederlandse aanschaffingsbeleid bij Lockheed en, zo moet er thans aan worden toegevoegd, ook bij anderen in een bedenkelijk daglicht moesten stellen.''

De internetsite van het Koninklijk Huis (www.koninklijkhuis.nl) maakt ook melding van de omkoopaffaire. Hoewel, eigenlijk was er geen omkoopaffaire, zo blijkt uit de tekst van de Rijksvoorlichtingsdienst: ,,Lockheed had in verschillende landen regeringsfunctionarissen benaderd om de verkoop van vliegtuigen te stimuleren. Hierbij werd ook de naam van prins Bernhard in zijn functie van inspecteur-generaal der krijgsmacht genoemd. Volgens de door minister-president Den Uyl ingestelde Commissie van Drie zijn er geen bewijzen van betalingen aan de prins gevonden. Naar aanleiding van het onderzoek besloot de prins overigens zijn militaire functie neer te leggen.''