Moord op Van Gogh zegt veel over ons

Mohammed B. heeft onbekommerd gebruikgemaakt van de hem geboden rechten – dubbele nationaliteit, goede opleiding, uitkering, woning – zonder een daarbij behorend besef van plichten te ontwikkelen. Maar je zal de Nederlanders de kost geven die er net zo over denken, betoogt Herman Vuijsje.

Welcome to the club! Drie weken nadat de moord op Theo van Gogh een einde maakte aan de wereldwijde bewondering voor het `Nederlandse model', lijkt ook de verwondering overgewaaid. In buitenlandse persreacties wordt nu zonder meewarigheid vastgesteld dat Nederland een gewoon Europees land is geworden – of dat al was. Een land dat bij de opvang van immigranten gewone Europese fouten heeft gemaakt, wat tot gewone Europese problemen heeft geleid. ,,Het beleid verschilt van land tot land'', zei een Franse journalist in Trouw, ,,maar de uitkomst is overal hetzelfde.''

Toch blijft het van belang om voor ieder land te onderzoeken hoe het specifieke beleid tot die ene uitkomst heeft geleid. De omgang met immigratie en immigranten was de afgelopen decennia de moeilijkste opgave waarvoor Europese beleidsmakers zich gesteld zagen. De manier waarop zij in ieder land te werk gingen, onthult veel over nationale angsten, vooringenomenheden en tekortkomingen. In de gevoelige omgang met immigranten lichten de onevenwichtigheden van onze samenleving het duidelijkst op.

Als we de nu gegroeide situatie op immigratiegebied vanuit deze invalshoek bekijken, leren we dus iets over onszelf. Bovendien kunnen we dan de verantwoordelijkheden voor die situatie op een faire manier toedelen. Ongewenst gedrag onder bepaalde groepen moslims is niet alleen het resultaat van zelfgezocht cultureel isolement. Ook de Nederlandse omgeving heeft een rol gespeeld. Immigranten modelleerden hun gedrag mede op grond van aanmoediging of juist vermijding door beleidsmakers, en door imitatie en navolging van Nederlandse gewoonten.

Hieronder zet ik een aantal van die beleidsgewoonten en maatschappelijke voorbeelden op een rij. Is er ook samenhang in te ontdekken – een typisch Nederlandse bottom-line? Mij lijkt van wel. Ik verwijs daarbij naar een uitspraak van Abdolkarim Soroush, een van de recente winnaars van de Erasmusprijs. In de moslimwereld ligt te veel nadruk op religieuze plichten, zegt hij, en komen rechten – bijvoorbeeld op een andere levenswijze of een andere opvatting – er bekaaid af. Daarentegen wordt in sommige westerse democratieën het idee van rechten overdreven en is de notie van verplichtingen juist te mager. In beide gevallen bestaat dus een onbalans.

In Nederland lijkt de balans tussen rechten en plichten verder uit het lood geslagen dan in andere westerse landen. Daardoor is de botsing tussen de tegengestelde culturele onevenwichtigheden bij ons hard en frontaal geweest – met aanzienlijke gedragsverwarring en -verstoring als gevolg. Dit was de `Nederlandse weg' naar de algemeen-Europese problemen rond immigranten.

In Nederland hebben we lang gedacht dat het geweld ons land voorbij zou gaan, constateerde Paul Scheffer onlangs in deze krant, en hij verklaarde dat uit onze traditie van neutraliteit. Ik denk dat die verklaring niet klopt, al was het alleen maar omdat Nederland zijn neutrale gezindheid al vijftig jaar geleden heeft opgegeven. Dat we hoopten te worden gespaard, heeft een andere reden: we waren toch altijd lief geweest voor moslims en andere immigranten? We hadden hen toch voorzien van alles wat ze nodig hadden en hun niets in de weg gelegd? Nederland heeft zijn reputatie van vriendelijkheid jegens nieuwkomers de afgelopen decennia ten volle waargemaakt. Immigranten deelden op vanzelfsprekende manier in de hier bestaande arrangementen voor sociale verzekering, volkshuisvesting, onderwijs, omroep en welzijnswerk. Rotterdamse hulpverleners reisden op kosten van de AWBZ hun cliënten na om hen ook bij te staan tijdens hun vakantie in Marokko. Op initiatief van een christelijk doveninstituut werd de Nederlandse gebarentaal voor doven aangevuld met 163 specifiek islamitische gebaren, ,,opdat dove moslimkinderen beter kunnen communiceren over hun geloof''.

Al die maatregelen kwamen voort uit een gezindheid die in Nederland al eeuwenlang bestaat: een open houding jegens nieuwkomers, deels op grond van christelijk-humanistische waarden, deels op grond van welbegrepen eigenbelang. Immigranten hebben vaak bijgedragen aan onze economische voorspoed, en we waren verstandig genoeg om uit de opbrengsten daarvan ruimhartig geld vrij te maken voor het afkopen van spanningen tussen gevestigden en nieuwkomers.

Met succes: de geboden bescherming en gelijkberechtiging werden door de nieuwelingen naar waarde geschat. Zij vonden het vanzelfsprekend dat aan deze rechten ook plichten waren verbonden. Sommige groepen, zoals hugenoten en Indo's, gingen geruisloos in de algemene bevolking op. Anderen, zoals joden en Chinezen, bleven lange tijd in hun eigen wereldje leven. Maar allemaal zorgden ze ervoor naar buiten toe geen aanstoot te geven. Binnen de immigrantengroepen bestond in dat opzicht een verregaande sociale controle.

De geschiedenis van de Nederlandse joden biedt een duidelijk voorbeeld. Vanaf de onafhankelijkheid waren getto's of pogroms in ons land ongehoord; joden hadden recht op dezelfde bescherming door de overheid als iedere andere burger. Tijdens de Republiek waren joodse immigranten in de woorden van de Portugees-joodse drukker Athias al dolblij met een ,,zachte ballingschap en een niet te harde herbergzaamheid''. Vanaf het begin toonden zij hun erkentelijkheid daarvoor door een diepe trouw aan het huis van Oranje. Toen Wilhelmina in 1903 de synagogen aan het Jonas Daniël Meyerplein bezocht, liep de hele jodenbuurt uit om haar een loflied toe te zingen, op de wijs van Wien Neêrlands bloed door d'aadren stroomt, van vreemde smetten vrij.

Uit dat laatste blijkt al dat je de dankbaarheid en voorzichtigheid ook kunt overdrijven. Dat gold ook voor de sociale controle onder joden – die kon verstikkend zijn. Nóóit opvallen of aanstoot geven. Daarmee kon je `risjes maken': anti-joodse gevoelens afroepen over jezelf en over de hele groep.

Onder hedendaagse moslimimmigranten lijkt de balans voor het eerst naar de andere kant door te slaan. De eeuwenoude afspraak werkt in dit geval niet goed: de onderlinge sociale controle om behalve rechten ook plichten in het oog te houden, schiet tekort. Moslims houden zich wel, zoals Abdolkarim Soroush signaleert, aan hun eigen religieuze plichten, maar zij laten zich veel minder gelegen liggen aan hun verplichtingen als inwoners van Nederland. Autochtonen zien kwaad en verbijsterd toe. ,,Zijn we zó goed voor ze geweest – en nu dit!''

Maar als we fair willen zijn, moeten we ook naar onszelf kijken. Ook Nederland is niet meer het land van de Republiek of van de jaren '50. De balans tussen ervaren rechten en plichten is met de plotselinge en razendsnelle individualisering sinds de jaren '70 overal in de samenleving verstoord geraakt. Mohammed B. heeft onbekommerd gebruikgemaakt van de hem geboden rechten – dubbele nationaliteit, goede opleiding, uitkering, woning – zonder een daarbij behorend besef van plichten te ontwikkelen. Maar je zal de Nederlanders de kost geven die er net zo over denken.

Hetzelfde geldt voor de gedachte dat wat de één misdoet, de hele groep zal worden aangerekend. De traagheid waarmee Nederlandse moslims afstand hebben genomen van grote en kleine moslimterreur in binnen- en buitenland is hemeltergend, maar je kunt ook zeggen dat ze daarmee het voorbeeld van de autochtonen hebben gevolgd, ja, daartoe door hen zijn uitgenodigd en aangemoedigd.

Het besef dat `ikke' op enigerlei manier verantwoordelijk zou zijn voor het gedrag van mijn kinderen, mijn familie of een wijdere kring waartoe ik behoor, is in Nederland grotendeels verdampt. ,,Dat is niet mijn pakkie-an.''

Of neem de vraag waarom vanuit de moslimwereld niet aan de bel is getrokken dat het misging met jongens als Mohammed B. Ook daar geldt: kijk naar ons eigen. Tientallen jaren is in Nederland gepredikt dat sociale controle verstikkend is. Op `klikken' bij hogerhand stond zelfs een categorisch verbod, afgekondigd door politiek-correcte columnisten. Dat zou ons maar op de glijbaan naar de politiestaat brengen. Nou, daar hebben onze islamitische medeburgers zich braaf aan gehouden.

In Nederland is de afgelopen decennia over de hele linie een cultuur gegroeid van afzijdigheid en non-interventie. Als we dingen zien die niet door de beugel kunnen, komen we niet in actie maar wenden we het hoofd af. Nog maar kort geleden riep een Postbus 51-campagne expliciet op om niet in te grijpen bij geweld op straat. Bedenk daarbij dat autochtone Nederlanders leven in een individualistische cultuur. Dan moet je niet raar opkijken als moslims, afkomstig uit een bij uitstek conformistische wereld, zich ook zwijgzaam en afzijdig opstellen.

Daar komt nog bij dat dit conformisme jarenlang met kracht is aangemoedigd vanuit autochtoon Nederland. De laatste tijd vinden veel Nederlanders moslims `achterlijk', omdat zij geen kritiek durven te uiten op uitwassen van hun geloof. Maar van wie hebben ze dat geleerd? Niet alleen van traditionele imams. Heel politiek-correct Nederland spande jarenlang met die imams samen om ieder kritisch woord, ieder onschuldig grapje, te verbieden.

Ook de terughoudendheid van de Marokkaanse gemeenschap ten opzichte van straatterreur door Marokkaanse jongens spoort wonderwel met de Nederlandse benadering. Overal in onze samenleving hebben barse gezagsdragers plaatsgemaakt voor adviseurs, begeleiders en facilitators. Terugtreden, meegeven, praten. Alles beter dan de confrontatie aangaan! En uiteindelijk, als het niet anders kan, het hoofd buigen. Zoals Barend en Van Dorp deden na te zijn mishandeld door Hell's Angels.

Ook bij de moord op Theo van Gogh heeft het zin om naar de Nederlandse context te kijken. Mohammed B. is niet het product van een benepen islamitisch milieu – hij stond bloot aan dezelfde invloeden als andere Nederlandse jongens. De moord is wel gekenschetst als een geval van `eerwraak', waarmee een typisch islamitisch motief wordt verondersteld. Dat kan heel goed meespelen, maar het is niet het héle verhaal. Nederland kent al een hele traditie van moord en doodslag, door autochtone én allochtone jongens, waarbij gekwetste `eer' in het geding was. Meindert Tjoelker en Joes Kloppenburg, om alleen de bekendsten te noemen, stierven omdat zij anderen hadden aangesproken op hun gedrag. Dat kan in een cultuur waarin non-interventie de norm is geworden, klaarblijkelijk een zo sterk gevoel van krenking teweegbrengen dat het op de hardste wijze moet worden gewroken.

De cultuurkritiek waartoe de moord op Theo van Gogh ons noopt, kan niet alleen op het bord van de moslimbevolking worden geschoven – zij geldt heel Nederland. We kunnen die kritiek verwoorden in harde termen, als vrijblijvendheid, egoïsme en lafheid. Maar evengoed kan ze in een ander soort begrippen worden gegoten: naïviteit, argeloosheid en kortzichtigheid. Autochtonen hebben boter op het hoofd, maar ze bedoelden het goed. Ze wilden al te lief zijn in een kwade wereld. Immigranten maakten daarvan gebruik, ze lieten het zich aanleunen. Fout, maar niet onbegrijpelijk: blijkbaar hoorde het zo in dit land. De anderen deden het toch ook?

Dit is een goed tijdstip om wederzijds zulke fouten te erkennen. De kansen om een breed saamhorigheidsgevoel te smeden tegen de krachten die ons bedreigen, lijken gunstig. Theo van Gogh speelt daarbij wel de laatste rol die hij ooit voor zichzelf had kunnen bedenken: die van een soort Lam Gods dat stierf voor onze zonden.

Herman Vuijsje is socioloog en publicist.