Gesundheit!

Alle opvarenden op de partyboat negeren de brugwachter, op één persoon na. Dat was prins Bernhard, die met een glas witte wijn toastte naar de man van de ophaalbrug.

Prins Bernhard was een aardige man. Dat had ik niet geweten als ik niet in de zomer van 1992 brugwachter was geweest op een ophaalbrug over de Vecht bij Weesp. Het Naardermeer was vlakbij. Aalscholvers doken onder de koele schaduw van het beweegbare wegdek en purperreigers stonden bewegingloos in het riet.

Ik werkte 's ochtends van acht tot twaalf en van 's middags één tot 's avonds acht. Allerlei watersporters kwamen langs gezeild of gedieseld en iedereen stak zijn hand naar me op. Ook als ze in mijn lunchpauze een uurtje aan een dukdalf hadden moeten wachten. Het was leuk werk, want niemand keek op m'n vingers, een stapel boeken en tijdschriften was altijd binnen handbereik en het verdiende ook nog eens best.

Het gebruiken van zo'n klomp waarin de passerende schippers hun passage-geld doen, was door m'n chef van Rijkswaterstaat uitdrukkelijk verboden. ,,Dat betekent ontslag op staande voet'', had hij bij de verder summiere instructies nog verteld. Maar dat verhinderde sommige plichtsgetrouwe types natuurlijk niet om vanuit hun plezierboten toch guldens naar mijn geopende raam te mikken. Die rinkelden dan altijd tegen de buitenmuur en plonsden tussen de paaiende brasems.

Op het water breekt het borreluur altijd eerder aan dan aan wal. De gemiddelde zeiler heeft altijd wel een pijpje bier bij de hand. En kapiteins van motorkruisers doen zichzelf vanaf zo'n elf uur 's ochtends doorgaans ook niks tekort.

Sommige bootjes voeren een uitgestrekt rietveld in, op een steenworp afstand van mijn hok. De opvarenden waren daarmee buiten het zicht van de passerende bootjes, maar vanaf mijn hoge uitkijkpost waren de bedrijvers van het rietzeilen niet onzichtbaar.

Dit alles wekte op de zomerse middagen in het warme brugwachtershok nogal wat afgunst.

Vaste klanten voor de brug over de Vecht waren een stuk of vier partyschepen. Op de zonnedekken van deze varende cafés stonden blauwgeblazerde heren en bijpassende mauve en gebloemde dames te recipiëren. Wanneer de brug dan openging en ze langs kwamen geborreld, stak niemand een hand op. Al helemaal niet als ze tijdens mijn lunchpauze een uurtje hadden moeten wachten.

Op een dag had mijn chef een briefje op het bedieningspaneel van de brug geplakt: ,,De Pallas Athene moet je om 12.45 doorlaten.'' Lunchtijd of niet, dat was geen probleem.

Inderdaad: om kwart voor één verscheen de Pallas Athene voor de brug, met op het zonnedek een deftige menigte. De brug ging open, de boot maakte vaart, en op ooghoogte voor me schoof alweer zo'n drijvend partijtje voorbij.

,,Prosit'', zei prins Bernhard plots, en hief als enige van de opvarenden een glas witte wijn naar me op. ,,Gesundheit'', zei ik door het raam, en toastte met een mok cola terug.

De chef kwam de volgende ochtend licht opgewonden het brughok binnen. ,,Zeg, jij houdt zeker ook wel van een zuiperdje'', zei hij. ,,We hebben van prins Bernhard twee flessen whisky cadeau gekregen.'' En uit een glimmende houten doos haalde hij twee flessen Johnny Walker, Black Label, die een adjudant had afgeleverd. Koffiebekers deden dienst als glazen. We hebben die middag nog vaak op de koninklijke gezondheid geklonken.