Geliefde `onderkoning' en held van het verzet

Een opwindend leven heeft prins Bernhard geleefd – en hij kon er boeiend over vertellen. Maar de Lockheedaffaire wierp een zware schaduw.

Voor de militairen die de bevrijding van Europa aan de strijdfronten van Normandië hebben meegemaakt geldt `de opwindende zomer van 1944' (Cornelius Ryan) als de meest onvergetelijke episode in hun leven. Voor prins Bernhard ging dat voor heel 1944 op. Het was, volgens zijn eigen zeggen, het mooiste jaar in zijn leven. Zijn hele leven was, met aftrek van de slagschaduw van de Lockheedaffaire, een aaneenschakeling van opwindende hoogtepunten, maar geen periode was zo opwindend als 1944. De geallieerde bevrijdingsoperatie bracht prins Bernhard in het najaar van '44 uit Engelse ballingschap in Nederland terug, in de rang van generaal en in de functie van bevelhebber van de Nederlandse Strijdkrachten die kort tevoren geformeerd waren. Koningin Wilhelmina had haar schoonzoon voorbestemd voor een hogere functie (opperbevelhebber), maar die verheffing vond geen genade in de ogen van de geallieerde supremo, generaal Eisenhower, die een militair opperbevelhebberschap over een bondgenootschappelijk leger niet verenigbaar vond met de constitutionele, onschendbare status van de prins.

Zijn bevel – kort na de bevrijding omgezet in een voor hem ingesteld inspecteurschap – werd het begin van een ongekende populariteit in de kringen van het leger en de vroegere illegaliteit die zestig jaar stand hield. De organisaties van het voormalige verzet erkenden prins Bernhard als hun middelpunt en zijnerzijds beschouwde hij `het verzet' als zijn belangrijkste constituency. Zelfs de Lockheedzaak, die zijn publieke standing in 1976 ernstig ondermijnde, tastte zijn positie bij het voormalig verzet niet aan. Zijn aanzien bleef daar onverminderd intact.

De gevolgen van de Lockheedaffaire vormden een breuk in zijn leven. Hij viel van zijn voetstuk en het duurde jaren voordat hij de schade van dat incident had hersteld. Pas eind jaren tachtig was hij sociaal en politiek weer geheel de oude. Bij zijn tachtigste verjaardag werd zijn rehabilitatie officieel uitgesproken toen premier Lubbers de prins in een symbolische `verzoeningsbrief' toestemming gaf zich weer te kleden in de militaire uniformen die hem door het kabinet-Den Uyl waren ontzegd. Hoewel de toestemming van de regering was ingekleed in een onvoorwaardelijke aansporing (,,de regering zal het op prijs stellen dat u bij voorkomende gelegenheden weer het uniform zou dragen''), liet de prins weten dat hij er geen trek meer in had. Met een onceremoniële reactie, die duidelijk maakte dat de anarchist in hem nog niet dood was, antwoordde hij Lubbers: ,,Die uniformen kunnen mij gestolen worden.''

Prins Bernhard had weinig gevoel voor de dagelijkse werkelijkheid van de politiek, maar hij had een neus voor politieke anekdotiek. Hij was een onderhoudend verteller in dat genre en hij vrolijkte zijn gesprekken bij voorkeur op met anekdotes die het formaat van grote mannen relativeerden. Met animo kon hij vertellen dat hij, op de dag dat het Vaticaan zijn goedkeuring had verleend aan de nietigverklaring van het voor de kerk gesloten huwelijk van prinses Irene, uit Brussel werd opgebeld door Joseph Luns, die hem op zijn vaderlijke verantwoordelijkheid had aangesproken. Het nieuws had 's ochtends voorop De Telegraaf gestaan en de oud-minister van Buitenlandse Zaken was onmiddellijk in de telefoon geklommen om zijn ontsteltenis daarover aan prins Bernhard kenbaar te maken. Luns vond het `een schande' dat de prinses na alles wat zij de regering destijds had aangedaan de kerk openlijk vaarwel had gezegd.

Prins Bernhard was niet ongevoelig voor de pijn die de voormalige dienaar van de kroon door het rechtsomkeert van zijn dochter was aangedaan, maar wat kon hij eraan doen? Zijn dochter, zo hield hij Luns voor, was verantwoordelijk voor haar eigen beslissingen, nog daargelaten dat hij desgevraagd haar de stap niet zou hebben ontraden. Maar dat laatste zei hij er niet bij om de katholieke oud-bewindsman niet nog meer te kwetsen.

Het antwoord droeg weing bij aan Luns' gesruststelling. Integendeel, als de prins het erbij liet zitten, zou hij het hogerop zoeken. Hij zou in of bij het Vaticaan alles in het werk stellen om de verleende goedkeuring ongedaan te maken. De prins liet het dreigement gelaten over zich heen gaanen raakte er niet van onder de indruk. Zijn tong bracht een karakteristiek geluid voort ten teken dat there was no love lost between them.

De anekdotenverzameling van prins Bernhard telde ook een hoogkerkelijk misverstand, waarvan hij zijn gasten graag deelgenoot maakte. Op een feestje in Wassenaar ter gelegenheid van de geloofsovergang van prinses Christina naar het katholicisme werd prins Bernhard gelukgewenst door de voormalige raad van de paus, kardinaal Willebrands, met de frivole woorden: ,,We mogen elkaar feliciteren, nu we de stand 2-2 hebben bereikt.'' De prins, die de sportterminologie van de oude kardinaal niet meteen kon plaatsen, vroeg om uitleg. Willebrands antwoordde: ,,U heb nu twee protestantse dochters en twee katholieke, dus de stand tussen onze kerken is gelijk.'' Waarop prins Bernhard onmiddellijk rectificeerde: ,,Het spijt me voor u, eminentie, maar de stand is alweer veranderd, want de dochter op wie u doelt, heeft al geruime tijd geleden met uw kerk gebroken.''

Een groot talent voor religie had de prins niet en hij vond het al heel wat dat hij een Eminentie van een Eerwaarde kon onderscheiden. Hij kon eveneens met onverholen oneerbiedigheid over hoogwaardigheidsbekleders spreken, vooral over politieke ambtsdragers. Die toon was er in de Londense ballingschap tijdens de Tweede Wereldoorlog ingeslopen en is er nooit meer helemaal uitgegaan. Toch stond dat goede betrekkingen met sommige politici niet in de weg. Met een aantal Nederlandse communistische kameraden, zoals Gerben Wagenaar (vroeger) en Joop Wolff (later), onderhield prins Bernhard de beste betrekkingen. Op de vraag hoe een hardgekookte communistenhater als hij (pro-NAVO, pro-Washington en anti-Moskou, en dat alles in het kwadraat) zo dik kon zijn met Kamerleden van de CPN gaf hij een even ongecompliceerd als ontwapenend antwoord: ,,Het zijn mijn vrienden, en het maakt niet uit welke politieke overtuiging mijn vrienden hebben.'' Die vriendschap, die van twee kanten kwam, dateerde uit de oorlog. Alles wat uit die tijd stamde, dat wil zeggen uit het verzet, was voor prins Bernhard onaantastbaar.

Binnen het kader van de voormalige illegaliteit onderhield hij vele ijzersterke vriendschappen, die hij bij het klimmen der jaren steeds meer was gaan koesteren. Hij hield nauwkeurig verjaardagen bij, sloeg als hij in het land was geen reünie over, toonde zijn belangstelling bij jubilea en ziekte en deed alles wat hij kon voor een relatie uit de illegaliteit die zijn hulp zocht. Zijn dienstbaarheid opende overal deuren die zonder zijn hulp gesloten zouden blijven.

Ik heb daarvan ruimschoots kunnen profiteren tot voordeel van mijn onderzoek voor mijn boek De Prins-Gemaal, dat in 1992 verscheen. Koppige of wantrouwige generaals die op mijn schriftelijke verzoeken afwijzend hadden gereageerd, veranderden in vriendelijke gastheren nadat prins Bernhard door de telefoon had gezegd: ,,U doet mij een groot plezier als u meneer zou willen ontvangen.'' Tijdens een van onze gesprekken vroeg ik de prins hoe ik het moest aanleggen om koning Boudewijn van België te spreken te krijgen. De prins hoefde daar niet lang over na te denken en zei naar gewoonte dat hij dat wel even zou uitzoeken. Hij greep naar de telefoon, vroeg de telefoniste de Belgische koning in Laeken te bellen en viel nog geen minuut later onmiddellijk met de deur in huis. Vertrouwde vriendschappelijke begroetingen aan beide kanten van de lijn gevolgd door de vraag of de koning deze hier gezeten journalist zou willen ontvangen. Er volgde een fraai versierde introductie die een groot talent voor improviseren verried (ik had nog niet eens uitgelegd over welk onderwerp ik de koning wilde spreken).

Ik zag van dichtbij hoe het geheime wapen van prins Bernhard in stelling werd gebracht. Weer eindigde de voorspraak met de woorden: ,,Je zou me een groot plezier doen...'' De koning zou het gedaan hebben als hij had gekund, maar hij kon het niet doen omdat hij het niet mocht doen. Dat verbiedt de Grondwet, verklaarde de koning. De prins begreep het en zei sportief: ,,Even goede vrienden.'' En tegen mij: ,,Jammer'', met een gezicht van: niets gewaagd is niets geschoten.

De prins liep met zijn hulpvaardigheid niet te koop. De zoon van een in de oorlog omgekomen vriend hielp hij met geld om een winkel te kunnen opzetten, maar de gever bleef onbekend. Slechts weinigen wisten dat hij tot zijn dood belangstelling was blijven tonen voor Eibert Meester, de voormalige partijsecretaris van de PvdA, die aan een oorlogssyndroom leed, maar bij zijn partij en bij de ex-illegaliteit in ongenade was gevallen nadat hij een verzetspensioen had aangevraagd en daarbij een groter verzetsverleden had voorgesteld dan de feiten toelieten. Bernhard bleef in contact met hem staan, want een vriend in nood liet je niet vallen.

Prins Bernhard had verwacht dat zijn vrienden hem in 1976, in het uur van zijn val met dezelfde toewijding zouden hebben bijgestaan, maar in die verwachting werd hij beschaamd. Hij heeft zich daarover wel eens bitter beklaagd, niet beseffend waarom een aantal van degenen die zich altijd zijn vrienden hadden genoemd, hem na zijn publieke veroordeling in de steek lieten. Maar misschien is hij door die desertie wel tot inkeer gekomen. In de gesprekken die ik vooral na de publicatie van De Prins-Gemaal met prins Bernhard over die ingrijpendste gebeurtenis in zijn leven heb gevoerd, ben ik in de overtuiging gesterkt dat de langdurige crisis die hij aan het eind van 1976 heeft doorgemaakt een heilzaam effect heeft gehad op zijn realiteitszin. Zonder de politieke born-again christian te spelen, getuigde hij na die crisis van een sterker ontwikkeld en realistischer zelfinzicht, dat hem in staat stelde zijn eigen tekortkomingen te zien en dat vooral zijn ogen opende voor het feit dat zijn slecht ontwikkelde gevoel voor proporties in hoofdzaak een product was van zijn onverschilligheid voor de staatkundige en staatsrechtelijke realiteit waarin hij leefde.

Het zaad van die gezindheid was al gezaaid in de jaren 1940-1944 in het milieu van Chester Square, het kantoor van koningin Wilhelmina in Londen, waar prins Bernhard dagelijks met zijn schoonmoeder verkeerde. In dat milieu was het bon ton op ministers af te geven, ook op `dienaren van de Kroon' die in alle opzichten, en meer dan gemiddeld, voor hun taak berekend waren. Het was een gewoonte die, geïnspireerd door de autocratische opvattingen van de oude koningin en bij het ontbreken van een parlementair tegenwicht, bij velen – prins Bernhard niet uitgezonderd – tot een onuitroeibare tweede natuur werd.

De regering had prins Bernhard weliswaar altijd ongeclausuleerd zijn gang laten gaan, hetgeen in het voor hem fatale Kamerdebat over de Lockheedzaak vrijwel geheel over het hoofd werd gezien, maar zijn lichtvaardige beoordeling van zijn constitutionele grenzen en zijn aan een afwijkend gevoel voor humor ontspringende antiparlementaire gezindheid zouden hem uiteindelijk de das omdoen. Bij zijn gedwongen vertrek als inspecteur-generaal van de strijdkrachten in 1976 speelde die gezindheid op de achtergrond onmiskenbaar een rol.

Op die dag des oordeels werd hem door een belangrijk deel van de parlementaire linkerzijde stilzwijgend in rekening gebracht dat hij nog geen vijf jaar tevoren in een opzienbarend interview met NRC Handelsblad geopperd had de slagvaardigheid van de regering te vergroten door het parlement een poosje naar huis te sturen. Die uitspraak kwam prins Bernhard op een officiële en publieke terechtwijzing van de toenmalige minister-president, mr. B.W. Biesheuvel, te staan.

In het midden van de jaren vijftig speelde prins Bernhard een hoofdrol in de deels persoonlijke, deels constitutionele crisis over de gezondbidder Greet Hofmans die een staatkundige opschudding veroorzaakte zoals Nederland nog niet eerder had beleefd. De zaak dwong de regering tot de verwijdering van het hof van de `Raspoetin' Hofmans aan wie, met haar op godsopenbaringen steunende politieke inzichten, een pacifistische invloed op koningin Juliana werd toegeschreven. Prins Bernhard eiste in de vorm van een ultimatum (`zij eruit of ik eruit') een ingrijpen van de regering om het hof te zuiveren van de politieke splijtzwam die paleis Soestdijk had verdeeld in twee kampen, de `Julianapartij' en de `Bernhardpartij'. Premier Drees, die het al jaren slepende conflict als een persoonlijke aangelegenheid van de koningin en de prins had beschouwd, kon daartoe slechts met de grootst mogelijke tegenzin worden bewogen. De ironie wilde dat het conflict zonder Drees niet kon worden opgelost. Omdat alleen hij het schrikbeeld van een koningscrisis kon wegnemen, moest de invloedrijke Katholieke Volkspartij na de Tweede-Kamerverkiezingen van 1956 instemmen met de terugkeer als minister-president van de toen eigenlijk al afgeschreven dr. Drees. Hij was de enige staatsman die Greet Hofmans onschadelijk kon maken zonder koningin Juliana voor het koningschap te verliezen.

De Hofmanscrisis mocht het huwelijk van koningin Juliana en prins Bernhard in gevaar hebben gebracht (met scheidingsdreigementen en al), de publieke positie van de prins werd er niet door aangetast. Nog ruim twintig jaar zou hij een prominente rol blijven spelen als de golden errand boy van de Nederlandse regering. In die positie haalde hij in het buitenland grote orders voor het Nederlandse bedrijfsleven binnen, stelde hij landingsrechten voor de KLM veilig en leverde hij door zijn internationale goodwillreizen een belangrijke bijdrage aan de opbloei van de Nederlandse economie – al behoorde die prestatie tot de onbecijferbare grootheden. Bernhard was de koninklijke mascotte van de Nederlandse export, de vertegenwoordiger en spreekbuis van die belangen: particuliere economische ondernemingsbelangen, maar ook nationale economische, militaire en culturele belangen.

Als voorzitter van de Bilderbergconferentie, waarvan hij de mede-oprichter en de vaste president was, haalde prins Bernhard periodiek de toonaangevende industriële en politieke figuren uit heel de wereld naar Nederland. Hij werd als zodanig het middelpunt van een invloedrijke `Atlantische' club, een internationale expert in goodwilldiplomatie, die op zijn beurt overal werd uitgenodigd de bijeenkomsten van de groten der aarde op te luisteren. De Britse socialist Denis Healey, bijna veertig jaar lid van het Lagerhuis, zong in zijn memoires The Time of My Life de lof van de bemiddelingsgave van prins Bernhard. Oud-premier Biesheuvel roemde zijn `Angelsaksische voorzittersstijl'. De sjah van Perzië wilde alleen met prins Bernhard onderhandelen over een herstel van betrekkingen tussen Iran en Nederland. En president Kennedy putte zich tegenover de Nederlandse prins uit in verontschuldigingen over het mislukken van onderhandelingen waardoor de KLM in 1961 landingsrechten in Los Angeles was misgelopen.

De internationale reputatie van prins Bernhard berustte ten dele op een mystificatie, zoals het duidelijkst bleek in de Verenigde Staten, waar zijn persoonlijke kwaliteiten veelal met politieke invloed werden verward. De Nederlandse regering had hier duidelijkheid kunnen scheppen doch liet dit maar zo. Functionarissen van het State Department en van Lockheed, bijvoorbeeld, die niet wisten dat de titel Prins der Nederlanden geen enkele politieke betekenis had, dachten dat prins Bernhard ten naaste bij een viceroy was, zoals Mountbatten in India.

Soms liet de regering de Amerikanen maar in die waan, omdat het niet zelden profijt opleverde met een viceroy op tournee te gaan. Eigenlijk leek zijn internationale positie nog het meest op de functie die koningin Wilhelmina in het Nederland van na de bevrijding voor prins Bernhard in gedachten had: die van `onderkoning'.

In het rapport van de Lockheedcommissie (getuigenverklaringen) dook meer dan eens de veronderstelling bij zijn Amerikaanse relaties op, dat prins Bernhard bij de KLM en de Koninklijke Luchtmacht aan de touwtjes trok en meebesliste over de aankoop van vliegtuigen. Zo gaf ook A.C. Kotchian, de president van Lockheed, op de hoorzittingen van de desbetreffende Amerikaanse Senaatscommissie in 1976, blijk van een onnauwkeurige voorstelling van de positie van prins Bernhard in Nederland. Hij wist dat de prins inspecteur-generaal van de krijgsmacht was, maar hij bleek niet te weten dat aan deze functie geen beslissingsbevoegdheid verbonden was. De lobbyisten van Lockheed, die het hoofdkantoor adviseerden over de hoogte van de honoraria (`commissies') voor adviseurs en bemiddelaars als prins Bernhard, wisten dat evenmin.

De regering had voor de `commissies' van prins Bernhard en voor zijn overige neveninkomsten die verkregen werden uit goede diensten nooit belangstelling. Ze wist, zoals een minister het eens zei, dat de prins ,,een eigen collectebus had, die zij de moeite van het controleren niet waard vond''. Als de regering inderdaad wist dat er grote sommen geld mee gemoeid waren en dat die sommen naar zijn fondsen werden gesluisd, dan negeerde zij niet alleen de rode lampen op de controlepanelen, maar ook de waarschuwingen van de hiervoor geciteerde minister dat een belangrijke geldstroom in de boeken van de prins aan het ministeriële toezicht was onttrokken. Deze gevarenzone was misschien wel de wortel van alle kwaad, die de meeste aandacht van de regering had moeten krijgen.

De `commissies' die Lockheed in de jaren zestig aan prins Bernhard zou hebben betaald voor zijn bemiddeling – de `onvindbare' bedragen waar het Lockheed-onderzoek om draaide – waren immers aan het World Wildlife Fund verbonden. Prins Bernhard had ze volgens zijn verklaringen weliswaar niet ontvangen, maar de sommen die hij, op grond van toezeggingen, tegoed meende te hebben, had hij voor het WWF bestemd. Was deze extraterritoriale boekhouding van de prins van begin af onder ministerieel toezicht gebracht, dan had dit schimmige gebied zelfs nooit hebben kunnen bestaan. De controle van de Algemene Rekenkamer was ten onrechte `terughoudend' en de ministeriële verantwoordelijkheid bleef op dit terrein, zoals op alle gebieden waar prins Bernhard opereerde, in gebreke.

De internationale standing van prins Bernhard was dus hoger dan zijn formele positie. Men rekende hem tot de `wereldleiders', ofschoon hij noch ondernemingen leidde noch politieke verantwoordelijkheid droeg. Zolang de voordelen echter groter waren dan de nadelen, liet de Nederlandse regering dat misverstand oogluikend voortbestaan. Want als zij dat (internationaal voordelige) misverstand uit de weg had geruimd, was de kip met de gouden eieren wellicht van de leg geraakt.

Harry van Wijnen publiceerde onder meer het boek De Prins-Gemaal (1992) dat voor een groot deel over prins Bernhard gaat. Hij was bevriend met de prins.