Orie weet hoe je moet pieken

Analyse Coach Jac Orie won deze Spelen drie keer goud. Zijn geheim? Een perfecte planning.

Jac Orie coacht Carlijn Achtereekte naar goud op de drie kilometer.

De Nederlandse schaatsers zijn in Pyeongchang in topvorm, die conclusie kan na de eerste week van de Olympische Spelen wel getrokken worden. Vier jaar na de 23 medailles van Sotsji zijn ze in Zuid-Korea opnieuw bezig aan een ongekende goldrush. De rest van de wereld kent de ‘geheimen’ van Nederland: de harde onderlinge strijd tussen de commerciële teams, de macht van het geld, de jarenlang opgebouwde kennis en de kweekvijver in de jeugd. In de jaren tussen de twee Spelen leek de Nederlandse dominantie soms wat minder, maar nu is de heerschappij hersteld. Het échte geheim? Weten hoe je moet pieken.

Natuurlijk, ook in andere landen is schaatskennis genoeg. Maar geen land heeft meer kennis over het pieken van schaatsers dan Nederland. Drie Italiaanse mannen reden in oktober in Inzell bijna net zo hard als Sven Kramer. Op de Spelen is alleen Nicola Tumolero, brons op de tien kilometer, nog in vorm. De Japanse vrouwen zijn goed op de Gangneung Oval, maar niet beter dan in het voorseizoen. Net als de Noren, die eind januari nog schitterden maar zich nu niet verbeteren. En de Amerikanen Joey Mantia en Heather Richardson kunnen na het fiasco in Sotsji ook nu niet tippen aan hun vorm van eerder dit seizoen.

„Ik denk dat pieken inderdaad een cruciale factor is”, zegt Bart Schouten, de Nederlandse coach van Canada en de man achter het goud van Ted-Jan Bloemen op de tien kilometer. „Dat heeft te maken met kennis, met ervaring. En Nederland beschikt over veel specialisten, die hun route helemaal kunnen finetunen naar die één of twee dagen.” Schouten werkt in Canada samen met de universiteit van Calgary en het ‘Canadian Sports Institute’. Hij kan bijvoorbeeld teruggrijpen op de trainingsprogramma’s van oud-kampioen Cindy Klassen. Het staat in geen verhouding tot de Nederlanders en met name de ploeg van Jac Orie. Schouten: „Jac heeft een veel grotere database. Hij heeft ook twee assistenten, daar is bij ons geen geld voor.”

Bewegingswetenschapper

Orie (50), de Haagse coach en bewegingswetenschapper, staat in de schaatswereld al jaren bekend als iemand die zijn rijders precies op het juiste moment op hun hardst laat schaatsen. Van de Nederlandse coaches wordt hij algemeen erkend als primus inter pares. Toen hij zelf nog schaatste – eind jaren tachtig, de periode van Leo Visser en Gerard Kemkers – was hij op beslissende momenten zelden goed. Te wild en bijna chronisch overtraind.

Maar als coach is het elke Spelen raak. In 2002 schreef hij de programma’s voor Gerard van Velde: goud op de 1.000 meter. In 2006 scoorde Orie op diezelfde afstand met Marianne Timmer, vier jaar later op de 1.500 met Mark Tuitert en in 2014 met Stefan Groothuis, weer op de 1.000 meter. Een perfecte planning was de kurk waarop die successen dreven. Vorig jaar wonnen de schaatsers van Orie bij de mannen alle individuele nummers van de WK afstanden. En op deze Spelen veroverde Orie al goud met Carlijn Achtereekte, Kramer en Kjeld Nuis, plus zilver met Patrick Roest.

Pieken op het juiste moment lijkt makkelijker dan het is. Tot op het hoogste niveau gaan topsporters er de mist mee in. Zo biechtte zwemcoach Jacco Verhaeren, de man achter de successen van Pieter van den Hoogenband en Ranomi Kromowidjojo, na de WK van 2008 op dat zijn planning niet goed was geweest. Hij had de trainingsschema’s van Van den Hoogenband als uitgangspunt genomen, inclusief het ‘taperen’, de rustperiode in aanloop naar de wedstrijd. Zijn zwemsters Marleen Veldhuis en Inge Dekker waren op de WK minder snel dan in de training daarvoor. „Verkeerd gepiekt”, gaf Verhaeren toe. De les? „Inge is Pieter niet en Pieter is Marleen niet.”

Uitgebreide databank

Orie kent de voorbeelden, ook in de schaatssport. Hij verwerkt ze in het proefschrift over trainingsleer, dat hij schrijft met fysiotherapeut en oud-studiegenoot Nico Hofman en de wetenschappers Jos de Koning en Carl Foster. De laatste testte in de jaren zeventig de Amerikaanse schaatslegende Eric Heiden. „Trainen, meten, aanpassen” is het devies van Orie. Zo bouwde hij in zestien jaar een uitgebreide databank op. Hij kan van elke schaatser zien hoe de optimale verhouding is tussen aerobe (duur) en anaerobe (intensiteit) trainingen. Wanneer hij de trainingen moet op- of juist afbouwen.

Orie stippelt de individuele routes voor zijn schaatsers naar de Spelen minutieus uit. „Zo transparant mogelijk zijn, dat is de kunst”, zegt hij. Maar transparant is hij alleen naar zijn eigen schaatsers, de exacte gegevens blijven binnenskamers. De concurrentie luistert mee. Al weet de coach best dat veel van zijn kennis door andere teams wordt gekopieerd. Het is geen geheim dat hij veel gebruikmaakt van een door de Zweedse wetenschapper Per-Olof Åstrand ontwikkelde inspanningstest op de fiets. Bij een vastgestelde toename van het te leveren vermogen wordt bekeken hoe de hartslag reageert. Hoe lager die is, hoe beter de conditie.

De schaatsers van Orie reisden allemaal op verschillende tijden naar Zuid-Korea. Toeval? Nee, Orie weet precies hoe zij er fysiek voor staan en dus wie het beste eerder of later moet afreizen. Die informatie verkrijgt hij uit testen in het vaste trainingskamp in Collalbo. Ook op de Gangneung Oval zijn alle routes individueel op maat gesneden. Op de dag voor de 1.500 meter deden Nuis en Roest hun laatste training. Samen, maar niet hetzelfde. Nuis, met veel witte fast twitch spiervezels, knalde alles eruit in een temporondje van 23,4. Allrounder Roest, meer rode slow-twitch vezels, testte zichzelf met drie rondjes op gelijkmatige snelheid.

En de tien van Kramer dan?

Maar hoe dan de deceptie van Kramer op de tien kilometer te verklaren? Verkeerde planning? „Fysiek ben ik beter dan ooit”, stelde Kramer na afloop. Met zijn winst op de vijf kilometer als bewijs. Maar Kramer voelt een probleem in zijn linkerbeen en slaagde er niet in om nog een keer 25 rondjes ‘door de muur’ te knokken. „Hij zal het zeker voelen, maar ik kan geen gevoel zien”, aldus Orie, licht geagiteerd. „Je hebt hooguit 80 procent in de hand, de rest niet.” Maar twijfel niet aan zijn kunst van het pieken. „Conditioneel was hij sterker dan ooit. Maar blijkbaar komt dat niet tot wasdom.”