Ontketen de consument

Het gaat volgend jaar wat minder met de wereldeconomie, stelde de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gisteren in haar halfjaarlijkse Economic Outlook. De hoge olieprijzen en een, zoals de organisatie het uitdrukte, `besmettelijke' vorm van vertrouwensverlies zijn daar de belangrijkste oorzaken van. Nederland is daarbij een hoofdstuk apart.

De eurozone, bestaande uit de twaalf landen die de euro in 1999 invoerden, presteert van alle grote economische blokken ook volgend jaar het slechtst. En binnen die eurozone is Nederland de achterblijver. Dat de economische groei hier nu al een tijdlang minder is dan in de rest van de industriële wereld, heeft een tweetal bijverschijnselen. Beide hebben te maken met wat de `potentiële' economische groei wordt genoemd: het tempo waarin de economie onder normale omstandigheden expandeert. In een laagconjunctuur blijft de economie een reeks van jaren achter bij wat normaal zou hebben plaatsgevonden. Dit resulteert in een achterstand die output gap wordt genoemd: het gat tussen wat is, en wat had kunnen zijn.

Van alle industrielanden heeft Nederland volgend jaar het grootste gat, met een omvang van 3,7 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Dat is anderhalf maal zo veel als die welbekende achterblijver Duitsland. De vraag is op welke manier dat moet worden ingelopen. De bijdrage van de uitvoer, vrijwel de enige factor die de economie aan de gang houdt, is tanende. Dat betekent dat de binnenlandse bestedingen zullen moeten stijgen. Dat wordt lastig. Vakbond de Unie becijferde vorige week dat de gemiddelde koopkracht volgend jaar met 2 procent daalt, vooral als gevolg van toenemende lasten. Nu zijn dergelijke berekeningen nooit exact, maar een afname van de koopkracht is inderdaad aannemelijk.

Dan is er het tweede bijverschijnsel. Nederland heeft dit jaar een begrotingstekort van 2,9 procent, en in 2005 een tekort van 2,7 procent. Ook begrotingstekorten kunnen gecorrigeerd worden door het verschil te bekijken tussen de potentiële en de feitelijke economische groei. Zo gepresenteerd bedraagt het structurele begrotingstekort zoals dat door de OESO wordt berekend dit jaar slechts 0,6 procent. Volgend jaar is er zelfs een structurele begrotingsbalans. Dat is niets minder dan een impliciet compliment aan de minister van Financiën, die precies doet wat het Stabiliteitspact voorschrijft: het voeren van een begrotingssaldo dat, over de loop van de conjunctuur `dichtbij balans of in overschot' is. Het betekent eveneens dat de burger niet langer bang hoeft te zijn dat, na de huidige ronde van bezuinigingen, er een nieuwe volgt – onvoorziene omstandigheden daargelaten. De Nederlander beperkt zich tot nu toe tot sparen, in plaats van spenderen. Dat opgepotte kapitaal draagt bij tot een overschot op de betalingsbalans dat tussen nu en twee jaar geleden is verdubbeld. Gezien het bovenstaande is het niet verrassend dat dit verhoudingsgewijs een van de grootste overschotten is van de industrielanden.

Het resulterende beeld is dat van een economie die, in tegenstelling tot de overheersende stemming, weinig nodig heeft om zich in een verrassend snel tempo te herstellen. Dat is de vergeten opdracht voor de ploeg van Balkenende: ontketen de consument.