Jodium in strijd tegen de verborgen honger

Kunnen bestrijding van ondervoeding en succesvol ondernemen samengaan? Ghana is Unilevers proeftuin in Afrika.

De 3-jarige Yaw Tawiah is een jongetje zoals er zoveel rondlopen op het platteland van Ghana. Blote voeten. Grote, gretige ogen. Een tweedehands T-shirt en broekje. Klein voor zijn leeftijd en te licht.

Wat je niet kunt zien, is dat zijn brein nooit tot volle wasdom is gekomen. Op school in de stad Adidwan zal Yaw Tawiah nooit een hoogvlieger worden. In de eerste twee levensjaren zat er in zijn voedsel onvoldoende jodium. Dat scheelt algauw 10 tot 15 punten op zijn intelligentiequotiënt. Wat er intellectueel inzat bij zijn geboorte, komt er nooit meer uit.

Het VN-kinderfonds Unicef schat dat 740 miljoen mensen een tekort hebben aan jodium, meer dan de gezamenlijke bevolking van Europa en de VS. In Afrika zit een op de drie kinderen in hetzelfde schuitje als Yaw Tawiah.

Behalve de 840 miljoen mensen op deze aardbol die niet genoeg te eten hebben, kampen er nog eens ruim een miljard met `verborgen honger'. Ze krijgen niet genoeg jodium, ijzer, zink en vitamine A binnen. Hun afweersysteem is verzwakt en hun werkkracht blijft achter. Volgens een recent rapport van het Micronutrient Initiative gaat jaarlijks 2 procent van het Afrikaanse bruto nationaal product verloren door het vitamine- en mineralentekort. Twintig Procent van de miskramen in Afrika is terug te voeren op gebrek aan ijzer. Jaarlijks worden er 100.000 kinderen blind door te weinig vitamine A.

Unilever brengt sinds enkele jaren voedingsproducten op de Afrikaanse markt waaraan die noodzakelijke vitamine en mineralen zijn toegevoegd. De Nederlands-Britse onderneming (in Nederland bekend van Unox en Calvé) ziet grote groeimogelijkheden in de verkoop van verrijkt basisvoedsel. Het concern boekt grofweg eenderde van zijn omzet buiten de VS en Europa. ,,Dat is veel te weinig'', zegt Herbert Smorenburg, hoofd van het Unilever Health Institute Africa in Ghana.

Bevolkingsgroei vindt buiten de rijke landen plaats en daar zal economische groei ook meteen leiden tot grotere voedselconsumptie. Dat geldt voor landen als China en India maar uiteindelijk ook voor Afrika, zegt Smorenburg. Afrikanen besteden bijna driekwart van hun inkomen aan voedsel. Bij een gemiddeld inkomen van een dollar per dag is dat op jaarbasis nog altijd ruim 180 miljard dollar. De omzet van Unilever in Afrika ten zuiden van de Sahara is 1,8 miljard dollar waarvan eenderde afkomstig uit de verkoop van voedingsmiddelen (en de rest uit wasmiddelen en cosmetica).

Om in ontwikkelingslanden op de lange termijn succesvol te zijn kan het concern zich niet permitteren om zich te concentreren op de rijke bovenlaag. Unilever wil ook betaalbare voedzame basisproducten ontwikkelen voor de massamarkt. Daarvoor heeft het in Afrika, Azië en Latijns-Amerika regionale vestigingen opgezet van het Unilever Health Institute om markten en producten in die regio's beter te kunnen ontwikkelen.

Unilever richt zich op ,,moeders die het succes van hun kinderen hoog in het vaandel hebben staan'', zoals Smorenburg het zegt. Zij zullen het verrijkte voedsel kopen als ze overtuigd zijn dat hun kinderen daarvan beter kunnen leren. Niet omdat het vitamines en mineralen bevat. ,,Gezondheid op zichzelf verkoopt niet'', zegt Smorenburg.

Omdat de onderneming geen ervaring heeft met basisvoedsel als meel en zout, laat ze de productie over aan lokale bedrijven. Dat is ook het goedkoopste. Om aan te slaan moet het prijsverschil met de traditionele niet-verrijkte producten zo klein mogelijk zijn. Unilever helpt lokale partners wel de kwaliteit te verbeteren en zorgt zelf voor marketing en distributie. Bij de introductie wordt zoveel mogelijk samengewerkt met ministeries van Volksgezondheid en met hulporganisaties. De nieuwe aanpak gaat met vallen en opstaan.

De introductie van een met ijzer en vitamine A verrijkt volkoren maïsmeel in de Keniaanse hoofdstad Nairobi werd een mislukking. Dat zit Unilever-manager Smorenburg nog altijd dwars. Het product was goed maar de marketing ging mis. Het meel kreeg al snel het imago van armeluisvoedsel. Dat was dodelijk. ,,Want armen willen niet worden bevestigd in hun armoe'', zegt Smorenburg. ,,Ze willen zich juist gesterkt zien in hun aspiraties.''

Met gejodeerd zout had het concern in Ghana meer succes. De regering heeft de verkoop van niet-gejodeerd zout acht jaar geleden al verboden, maar de naleving is lastig af te dwingen. Op de markt van Adidwan liggen merkloze plastic zakjes zout naast de gember en de pepers. Een deel van het zout is grof, een deel is vervuild. Voor kopers is het onmogelijk vast te stellen of het zout ook jodium bevat. Daarbij staat de kraam midden in de zon. Aanwezig jodium kan allang zijn verdampt.

Sinds Unilever eind 2000 het verpakte gejodeerde Annapurna-zout op de markt bracht, dat eerder met succes in India was geïntroduceerd, schoot het gebruik van gejodeerd zout in Ghana omhoog van 28 naar 50 procent. Om vorig jaar weer te dalen naar 42 procent. Volgens Smorenburg blijft het moeilijk om de arme plattelandsbevolking in het noorden en oosten te bereiken, ondanks de lage prijs van minder dan 10 eurocent voor een pakje van 250 gram. Hij zint op productaanpassingen waardoor de prijs misschien verder kan dalen van het zout ,,dat hersens helpt groeien'', zoals de reclame zegt.

Intussen heeft het Nederlands-Britse voedingsconcern in Ghana ook een kindersnack gelanceerd; Annapurna Krrunchy. Met vitamine A en zink versterkt. Voor vier knapperige koekjes die naar vanille smaken, in een kleurige verpakking, betaal je 400 cedi's, nog geen 4 eurocent. De reclame op tv laat kinderen zien die aan een quiz meedoen en de kinderen met Krrunchy weten het goede antwoord. Omdat je zonder voldoende vitamine A en zink vaker ziek bent en niet naar school kunt gaan.

Ghana fungeert voor Unilever in Afrika als proeftuin voor de nieuwe reeks producten. Inmiddels is het Annapurna-zout ook op de markt gebracht in Nigeria en Malawi. De koekjes volgen. De activiteit levert nog geen winst op. Maar er is Unilever veel aan gelegen om te demonstreren dat bestrijding van ondervoeding en succesvol ondernemen kunnen samengaan.