China blijft niet eeuwig sinterklaas

De Chinese economie groeit al tijden als kool en de concurrentiepositie is ijzersterk. Dat zal veranderen wanneer het gat tussen lonen (laag) en arbeidsproductiviteit (hoog) kleiner wordt, menen Steven Brakman en Harry Garretsen.

In China is de overvloedige aandacht van het buitenland voor de Chinese economie niet altijd even welkom. Het is letterlijk en figuurlijk een komen en gaan van buitenlandse beleidsmakers. Als deze aandacht gepaard gaat met buitenlandse investeringen of aanbiedingen om bijvoorbeeld Chinese studenten te willen opleiden, is men van harte welkom. Gaat het daarentegen om beleidsadviezen over de inrichting van de Chinese economie, dan staan de Chinezen niet te juichen. De VS suggereerden bijvoorbeeld onlangs opnieuw dat de Chinese munt zou moeten revalueren om de mondiale concurrentieverhoudingen te herstellen: de geïrriteerde Chinese reactie liet niet lang op zich wachten. De Amerikaanse kritiek is niet verbazingwekkend vanwege het hoge handelstekort van de VS ten opzichte van China.

Maar ook andere landen zien met lede ogen aan dat de Chinese industrie de concurrentieslag op dit moment op veel fronten lijkt te winnen. Vrijwel al het speelgoed lijkt tegenwoordig afkomstig uit China en veel bedrijven verplaatsen hun assemblage naar landen als China of overwegen dat te doen.

Paradoxaal genoeg is zowel de huidige wisselkoers als de onvermijdelijke revaluatie niet alleen maar slecht nieuws voor de wereldeconomie. Op korte termijn gedraagt China zich als sinterklaas die ons, de westerse consument, op erg goedkope goederen trakteert. Dat het geklaag daarover in de VS en bij andere concurrenten van China niet van de lucht is, is goed te verklaren. Maar sinterklaas bestaat niet en het Chinese goedkooptebeleid zal vroeg of laat tot prijsaanpassingen leiden en de concurrentieverhoudingen normaliseren.

China combineert, net zoals Nederland in de jaren '50, een gematigde loonontwikkeling met een sterke productiviteitsstijging. Het achterblijven van de lonen bij de productiviteit is niet alleen verantwoordelijk voor lage prijzen op de wereldmarkt, maar zorgt ook voor toenemende winsten, waardoor extra investeringen mogelijk worden. De groeiende beroepsbevolking en de trek van het platteland naar de grote steden wordt hierdoor gedeeltelijk opgevangen.

China is nog steeds een vanbovenaf geleide economie waardoor de regering dit proces stevig in handen heeft. De loonontwikkeling wordt gecontroleerd, kapitaalverkeer is toegestaan maar is tegelijkertijd sterk gereguleerd, en de munt is stevig verankerd aan de Amerikaanse dollar. In feite betekent dit gecontroleerde beleid dat China de wereldeconomie subsidieert.

In een vrijere markt dan de Chinese zou de expansief groeiende economie onvermijdelijk al hebben geleid tot sterke loonstijgingen en een forse aanpassing van de wisselkoers. Hierdoor zouden de Chinese producten duurder worden. Dat dit nog niet is gebeurd, is alleen maar gunstig voor het steeds grotere aantal afnemers van speelgoed en andere Chinese producten. Ook Nederland subsidieerde op deze wijze in de jaren '50 de rest van de wereld, maar dan op Madurodam-schaal in vergelijking met China.

De Sociaal Economische Raad (SER) adviseerde destijds dan ook – in een overigens verdeeld advies – de strakke loonpolitiek te verlaten, waardoor ook de binnenlandse werknemers konden profiteren van de grote productiviteitsstijging in plaats van alleen de buitenlandse afnemers van Nederlandse producten. De lonen zouden vanaf dat moment de productiviteitsstijging in de industrie volgen.

Ook China zal op termijn niet ontkomen aan dergelijke aanpassingen op de eigen arbeidsmarkt. De Chinese arbeider is wel goed maar niet gek. Idem dito zal de wisselkoers zich uiteindelijk moeten aanpassen, een reële revaluatie van de Chinese munt is onvermijdelijk.

Het is ook niet waarschijnlijk dat China het Amerikaanse tekort op de lopende rekening zal blijven financieren tegen de huidige wisselkoers: in feite betaalt China te veel voor Amerikaans waardepapier. Deze bereidwilligheid kent ook haar grenzen, omdat ook de Chinese belegger (de Chinese centrale bank) wel goed maar niet gek is. De Chinese centrale bank heeft al laten doorschemeren niet onbeperkt dollars te zullen blijven accepteren.

De onvermijdelijke prijscorrecties in de vorm van loonstijgingen en een appreciatie van de munt maken weliswaar een einde aan bovenbedoelde subsidiëring van de buitenlandse consumenten, maar biedt vanuit (behoud van) onze werkgelegenheid ook voordelen. Zowel in de VS als in de EU-landen (Nederland niet uitgezonderd), maakt men zich grote zorgen over het verschijnsel van outsourcing of de banenmigratie, waardoor volgens de zwartkijkers veel banen van hier naar China zullen verhuizen. Weliswaar steekt dit type investering nog steeds schraal af tegen de veel omvangrijkere investeringen van rijke landen in rijke landen, maar er is een duidelijke stijging waar te nemen van dit type investeringen in China.

Voordat Nederlandse investeerders en bedrijven massaal naar China verkassen, zouden ze er echter goed aan doen te bedenken dat de lonen in China onvermijdelijk zullen stijgen en het gat tussen de Chinese lonen en arbeidsproductiviteit kleiner zal worden, en dat ook de wisselkoers zich zal aanpassen. Als gevolg van beide ontwikkelingen zal het niet alleen duurder en dus minder rendabel worden om in China te produceren en te investeren, maar ook zal de concurrentiepositie van China niet zo ijzersterk blijken te zijn als het nu lijkt. Investeren in China zal dan minder uit kostenoverwegingen en meer vanuit het perspectief van de onmiskenbaar groeiende Chinese afzetmarkt moeten worden gemotiveerd.

Steven Brakman en Harry Garretsen zijn hoogleraar economie aan respectievelijk de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit Utrecht.