Pianiste Diana Krall weet raad met popmuziek

Er gaapt in de amusementsmuziek een groot gat, achtergelaten door artiesten als Dusty Springfield, Joni Mitchell, en Carole King. En dat gat wordt, tot afgrijzen van de jazzpolitie, gevuld door een oudgediende als Tony Bennett, door popjazz-muzikanten als Norah Jones en Jamie Cullum en door de thirty-something Diana Krall.

Haar repertoire bestond vroeger vooral uit standards, maar sinds ze vorig jaar trouwde met rockkameleon Elvis Costello put ze ook uit het `Great American Rockbook'. Dat zorgde gisteravond voor een prachtige vertolking van Tom Waits' Temptation, met een mooi subtiele gitaarpartij van Anthony Wilson. In Kralls interpretatie was die verleiding een onbereikbaar fenomeen, als van een meisje dat op haar zolderkamer droomt dat het haar ooit zal overkomen.

,,Ik ben geboren in British Columbia, waar het altijd regent,'' vertelde Diana Krall gisteravond tussen twee nummers door, ,,and I love it''. Ze mag die Canadese provincie dan inmiddels achter zich gelaten hebben; omgekeerd heeft British Columbia haar kennelijk nog niet verlaten. Haar stem heeft ondanks een lichte heesheid iets afstandelijks dat op haar platen en dvd's naar gladheid neigt, maar daar was in het Concertgebouw geen sprake van. Dat was des te opmerkelijker omdat de zaalversterking hemeltergend was. In tegenstelling tot de moderne popconcertpraktijk, waar de artiest verlost is van monitorspeakers en zichzelf toch goed hoort dankzij draadloze in het oor geplaatste luidsprekertjes, hadden de muzikanten hier elk een monitor voor zich, en werd de zaal geacht het geluid via een stel halverwege het plafond hangende boxen te ontvangen. Het publiek hoorde zodoende behalve het onversterkte geluid van het podium ook het teruggekaatste geluid van de monitors, en daar bovenuit nog eens de muziek. Daar kwam nog bij dat de s-klanken zo lelijk sisten dat men af en toe ineen kromp omdat de oren gezandstraald leken te worden. En in de luidere passages klonk de vleugel alsof het vilt daarin vervangen was door aluminium.

Gelukkig werden die nadelen gecompenseerd door de op een paar rammelende eerste maten na fabuleus op elkaar ingespeelde band. Erskine en Wilson schitterden in Devil May Care, en Krall soleerde met een gedecideerde rechterhand door On The Sunny Side Of The Street. As jazz-zangeres kan Krall weliswaar niet op tegen haar grote voorgangers, haar popinterpretaties maakten gisteravond indruk. Veel beter dan op haar laatste plaat klonken Joni Mitchells Black Crow, met fraaie gitaarloops van Wilson, en vooral Costello's ooit voor Chet Baker geschreven Almost Blue. Mooi ook hoe haar verleden als barpianiste doorschemerde wanneer ze aan het einde van een lied een laatste noot aan het rechtereind van de baby-Steinway aansloeg en haar hand meteen daarnaast op de grond naar een flesje water greep.

Concert: Diana Krall (piano, zang), met Anthony Wilson (gitaar), Robert Hurst (bas), en Peter Erskine (drums). Gehoord: 29/11 Concertgebouw, Amsterdam.