Keer terug naar de rede bij uitbreiding EU

Als de Europese Unie niet anders wil dan een land ofwel te laten toetreden ofwel tegen de haren in te strijken, is zij gedoemd af te glijden tot het niveau van een regionale afdeling van de Verenigde Naties, meent Valéry Giscard d'Estaing.

De mogelijke toetreding van Turkije tot de Europese Unie lokt een fel debat uit, waarin de meest uiteenlopende argumenten naar voren worden gebracht. Het zijn argumenten die de meningen verdeeld houden. Hoewel de Franse president Chirac op 26 oktober in Berlijn heeft verklaard ,,dat het mijn vurigste wens is dat wij aan het einde van deze procedure, die tien of vijftien jaar gaat duren, zullen uitkomen op de mogelijkheid van toetreding'', verklaart in een peiling 64 procent van de Fransen zich ertegen.

Zou het mogelijk zijn een beetje redelijkheid te introduceren in dit debat over de beste, de meest met de objectieve feiten strokende manier om in de komende decennia de betrekkingen tussen Turkije en de EU te regelen?

Laten wij om te beginnen eens kijken naar de toezeggingen die aan Turkije zijn gedaan, en naar het argument dat een islamitisch land niet tot de Europese Unie moet worden toegelaten.

De verplichtingen die in de jaren zestig van de vorige eeuw met Turkije zijn aangegaan vielen in een ander kader. Het ging toen om een mogelijke toetreding van Turkije tot de `gemeenschappelijke markt' – toentertijd een uitsluitend economische aangelegenheid. Gesteld kan worden dat die verplichtingen zijn nagekomen, want de Europese Unie heeft immers in 1995 een douaneovereenkomst met Turkije gesloten, die dit land toegang geeft tot die markt.

Dat er religieuze gronden zouden zijn om de toetreding van Turkije tot de Europese Unie niet in overweging te nemen, is iets wat de voorstanders van de Turkse toetreding hun tegenstanders in de schoenen schuiven. Op dit punt moeten wij heel stellig zijn: de religie van de meerderheid van de Turken is geen argument om de kandidatuur van Turkije te aanvaarden of te verwerpen. Waarschijnlijk zal de Europese Unie trouwens een land met een islamitische cultuur, Bosnië-Herzegovina, toelaten zodra in het voormalige Joegoslavië vrede heerst en de democratie er tot volle wasdom is gekomen.

De religie mag dan geen argument zijn tégen de kandidatuur van Turkije, zij is evenmin een argument ervóór.

Zou de toetreding van Turkije tot de Europese Unie voorkomen dat dat land afglijdt naar islamitisch fundamentalisme? Dat valt niet te zeggen. De intensiteit van het geloof zal afhangen van interne factoren, maar ook van de solidariteit met de islamitische buurlanden, die in de ogen van de Turken misschien vanzelfsprekender is dan een herziening van hun wetgeving naar het voorbeeld van de verre autoriteiten in Brussel.

Is Turkije een `Europees land'? In de atlas van het National Geographic Magazine figureert Turkije in de afdeling Azië. Inderdaad omvat Turkije ook nog een kleine Europese enclave, maar die maakt slechts vijf procent van zijn grondgebied uit, en acht procent van zijn bevolking. De rest ligt in Azië, op het Anatolische hoogland, waarheen Kemal Atatürk, de grondlegger van het moderne Turkije, de hoofdstad van zijn land heeft verplaatst.

Turkije heeft een korte grens gemeen met zijn twee Europese buurlanden Griekenland en Bulgarije, en een zeer lange met Syrië en Irak in het Midden-Oosten, die tot het Ottomaanse Rijk hebben behoord; het grenst ook nog aan Iran en Armenië. De Turken hebben een eigen taal en cultuur. Die taal behoort niet tot de grote Indo-Europese taalfamilie.

Turkije telt nu bijna 73 miljoen inwoners. Dat is meer dan alle landen van Europa behalve Duitsland. Volgens de demografische schattingen van de Verenigde Naties zal Turkije over twintig jaar met zo'n 89 miljoen inwoners de volkrijkste staat van de Europese Unie zijn. Op dat moment zullen Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië respectievelijk 82, 64 en 63 miljoen inwoners tellen. Daar komt bij dat de Turkse bevolking deel uitmaakt van een groter Turkssprekend geheel waarmee het door solidariteit verbonden is, dat zich in oostelijke richting uitstrekt naar de landen van Centraal-Azië, zoals Turkmenistan.

De levensstandaard in Turkije wijkt nog altijd sterk af van het Europese gemiddelde. Het inkomen per hoofd van de bevolking is de helft van dat van de tien nieuwe lidstaten, en slechts een vijfde van het Europa van de vijftien.

De structuur van zijn economie mag dan de laatste jaren merkbaar zijn verbeterd, ze wijkt nog altijd af van de Europese `norm'. De agrarische productie vertegenwoordigt nog veertien procent van het bruto binnenlands product, reden waarom de Europese commissaris voor de Landbouw heeft verklaard: ,,De kosten voor de Europese begroting van de toetreding van de Turkse agrarische sector alleen zouden die van de toetreding van de tien nieuwe leden overtreffen.''

Het feit dat het Europese project op dit moment hapert, en de scepsis die de burgers van Europa ten aanzien van dit project koesteren – zoals bevestigd door het feit dat de meerderheid bij de Europese verkiezingen niet is komen opdagen –, vallen te verklaren uit gebrek aan helderheid. Over welk Europa gaat het?

De achtereenvolgende uitbreidingen hebben de verwarring vergroot. Hoe lang zal deze vlucht naar voren van een Europa dat nog niet goed op poten staat, dat weinig resultaten boekt en dat steeds minder op de democratische steun van zijn bevolking kan rekenen, nog worden voortgezet?

De Europeanen hebben behoefte aan een sterkere identiteit. Een `Europees patriottisme' is pas denkbaar vanaf het moment dat de Europese burgers zullen beseffen dat zij deel uitmaken van één geheel.

De Europese Conventie die een Europese Grondwet heeft ontworpen, heeft geprobeerd de grondslagen van dat geheel beter te definiëren: de culturele bijdragen van het antieke Griekenland en Rome, het religieuze erfgoed waarvan het Europese leven doortrokken is, het creatieve elan van de Renaissance, de filosofie van de eeuw van de Verlichting, en de bijdragen van het rationele en wetenschappelijke denken.

Aan geen van die elementen heeft Turkije deel gehad. Die constatering houdt geen afkeurend oordeel in. Turkije heeft afzonderlijk zijn eigen geschiedenis en cultuur ontwikkeld, die respectabel zijn. Maar laten wij objectief vaststellen dat de grondslagen van de identiteit, die thans zo nodig zijn voor de cohesie van de Europese Unie, anders zijn.

De toetreding van Turkije zou, ongeacht wanneer ze plaatsvindt, het karakter van het Europese project veranderen. In de eerste plaats zou die toetreding geen geïsoleerd geval kunnen blijven. Er vormt zich al een rij wachtenden, in Oost en West. De politieke crisis in Oekraïne draait onder meer om de mogelijkheid van toetreding tot de Europese Unie.

Ten tweede is de omvang van de bevolking een belangrijk gegeven, dat het functioneren van de Europese instellingen, het Parlement en de Ministerraad bepaalt.

Om te voorkomen dat wij belanden in een situatie waarin het laatst tot de Unie toegetreden land – dat vanzelfsprekend geen ervaring heeft met het lidmaatschap – de voornaamste stem in het kapittel zou krijgen, zou het nodig zijn de Grondwet te herschrijven en een plafond in te stellen waarboven geen rekening wordt gehouden met de bevolkingsaantallen van de lidstaten. Als wij bedenken wat voor debat deze kwestie in de Conventie heeft ontketend, kan men zich afvragen hoe groot de kans is om een nieuwe formulering te vinden die voor iedereen acceptabel is.

Begrijp mij goed: er mag ten aanzien van Turkije geen sprake zijn van afwijzing of minachting, integendeel. Juist omdat Turkije door zijn omvang, zijn bevolkingsaanwas een grote natie is geworden, vormt het voor Europa een probleem. Het legt nu al een zodanig gewicht in de schaal – en dat zal alleen maar meer worden – dat het nog broze evenwicht binnen de voor andere doeleinden ontworpen gemeenschap erdoor zou worden verstoord.

Grondwetten zijn geen universele formulieren waarop je alleen maar de naam van het jongste lid hoeft toe te voegen. Iedere grondwet – de Amerikaanse, de Franse, de Europese – is een samenstel dat heel nauw luistert, het resultaat van compromissen die voortvloeien uit de vereisten van het ogenblik.

Het is een feit: de Europese Grondwet die thans ter ratificatie voorligt is niet ontworpen om een mogendheid van het formaat van Turkije onderdak te bieden.

Het meest verrassend voor wie de kwestie van de Turkse toetreding beziet, is de manier waarop de meerderheid van de Europese leiders zich in een simplistisch dilemma heeft laten manoeuvreren: ja zeggen tegen het begin van de onderhandelingen die leiden naar de toetreding van Turkije tot de Europese Unie, of de deur voor de neus van Turkije in het slot gooien. Vanwaar die povere, extreem simplistische keuze?

Anderen kunnen met dit soort problemen beter overweg: de Verenigde Staten, Canada en Mexico hebben onderling zeker zoveel gemeen als Europa en Turkije. Maar niemand komt op het idee om hen samen te voegen. Zij hebben geduldig een vrijhandelszone opgebouwd. Zij doen aan bilaterale samenwerking.

Europa moet beslist creativiteit en verbeeldingskracht weer een plaats geven in de formulering van zijn betrekkingen met buurlanden: met Turkije natuurlijk, maar ook met Rusland en het Middellandse-Zeegebied. Als de Europese Unie geen andere mogelijkheden in overweging neemt dan een land ofwel te laten toetreden ofwel tegen de haren in te strijken, is zij gedoemd af te glijden tot het niveau van een regionale afdeling van de Verenigde Naties, een structuur voor overleg, dialogen en enige specialistische samenwerking.

Maar in dat geval kan geen sprake zijn van identiteit, van gemeenschappelijke wil, van een rol van betekenis. Dan zal de wereld zich ontwikkelen zonder Europa, dat gemarginaliseerd zal zijn.

In de komende onderhandelingen met Turkije zou men zich dus niet moeten concentreren op de toetreding, maar moeten onderzoeken wat voor betrekkingen de Europese Unie met haar grote buurlanden zou moeten aanknopen.

Concreet: op economisch gebied is alles mogelijk, maar slechts geleidelijk aan; op politiek gebied is alleen samenwerking mogelijk, die zo moet worden opgezet dat zij alle partijen tevreden stelt. De Europese Unie moet laten zien dat zij Turkije onverwijld een zorgvuldig uitgewerkt, fatsoenlijk en nauwkeurig voorstel kan doen.

De Europese Conventie heeft niet zomaar artikel 57 in de grondwet laten opnemen, dat voor de EU de mogelijkheid openlaat om met buurlanden te onderhandelen over een bevoorrechte partnerstatus.

Die tekst is de vrucht van diepgaande bezinning op de wijze waarop de Europese Unie op legitieme verzoeken van zijn oostelijke, zuidoostelijke en zuidelijke buren kan reageren zonder haar eigen karakter geweld aan te doen.

Daarom dringt deze conclusie zich onmiskenbaar op: in december zou de Europese Raad moeten besluiten onderhandelingen te openen met het doel een gemeenschappelijke zone van economische welvaart te vestigen en permanente structuren voor politieke samenwerking in het leven te roepen die een speciaal partnerschap tussen Turkije en de Europese Unie creëren.

Zo'n constructieve en realistische houding zou het mogelijk maken voortgang te boeken en aan de verwachtingen van Turkije tegemoet te komen, zonder daarbij de broze structuur van de Europese Unie, die de institutionele en begrotingstechnische gevolgen van de vorige uitbreiding nog niet te boven is, in gevaar te brengen.

Wij hebben de laatste tijd nogal eens horen vragen: ,,En Turkije?''

Misschien is nu het moment gekomen om daaraan toe te voegen: ,,En Europa?''

Valéry Giscard d'Estaing is oud-president van Frankrijk en was voorzitter van de Europese Conventie voor de Europese Grondwet.

www.nrc.nl/opinie Eerder verschenen artikelen in de serie Turkije en Europa.