Historicus moet te rade gaan bij levende bronnen 2

In zijn artikel `Een kleine geschiedenis van een novembermaand' slaat Geert Mak op een voor hem ongebruikelijke manier de plank goed mis.

Als eerste: de vreemde vergelijking waarin hij stelt dat met de term `moslimterreur' ook zoiets als `christen-aanval' of `joden-actie' gezegd zou moeten worden, rukt de ernst en globaliteit van moslimterrorisme geheel uit zijn verband. Verder stipt Mak het lijden van Palestijnen, Tsjetsjenen en Irakezen aan, ontdaan van elk historisch verband en zonder terugkoppeling naar het volledig ontbreken van opbouwende solidariteit binnen de moslimgemeenschap. Hij schijnt helemaal niet in te zien dat het grootste probleem van de islam is dat er binnen deze geloofsgemeenschap nergens ter wereld een belangrijke vrijzinnige interne dialoog plaatsvindt of zelfs kan plaatsvinden, aangezien andersdenkenden die zich luid en duidelijk zouden willen uitspreken, hardhandig worden `teruggefloten' door de extremisten uit eigen kring.

Het gevaar van de grote aantallen moslims in de verschillende Europese landen is niet zozeer dat deze groep voor een deel momenteel niet bestaat uit rustige en vredelievende mensen, maar dat de extremisten binnen die gemeenschappen door gebrek aan tegengas en uit angst of misplaatste solidariteit van de zwijgende meerderheid, het publieke en politieke gezicht van de groep zou kunnen gaan bepalen zoals eens de bruinhemden als eerste nazi's dat in Duitsland deden, met alle gevolgen van dien.

Het is dan ook van het grootste belang dat er geen juridische muren opgegooid worden tegen schrijvers en denkers, islamitisch dan wel andersdenkenden, die of wel op vrijzinnig filosoferende dan wel provocerende wijze proberen de islam eindelijk uit zijn middeleeuwse starre religieuze dwangbuis te pellen opdat de moslimaanhangers tot volwaardige burgers van de Europese maatschappij kunnen uitgroeien.