Historicus moet te rade gaan bij levende bronnen 1

In zijn geschiedkundige analyse van de moord op Van Gogh en de gebeurtenissen die daarop volgden signaleert Geert Mak `vervuiling' van de toon in de pers als in dit verband gesproken wordt over `moslimterrorisme' (Opinie & Debat, 27 november). In dezelfde editie doet Afshin Ellian in zijn column verslag van de eliminatie van diverse van zijn familieleden in Iran, allen slachtoffer van de godsdienstwaanzin die Iran sinds decennia in zijn greep heeft. Ook beschrijft hij een incident op straat, waarbij een linkse intellectueel door opgehitste Hezbollahstrijders de keel wordt doorgesneden, een rituele moord die verdacht veel weg heeft van de slachting van Van Gogh.

Mak, die in zijn artikel oproept tot een ethische inhaalslag bij vooral de seculiere groeperingen in ons land, zoekt de oplossing van de problemen in een herwaardering van het Nederlands vermogen tot `pacificatie' en `onze befaamde tolerantie'. Hij zou als `Nederlands bekendste historicus' (uw woorden) wat meer te rade moeten gaan bij levende bronnen als Ellian, om zich te laten bijpraten over wat zich in de wereld om hem heen zoal afspeelt. Het zou ons een goedbedoeld, maar naïef exposé hebben bespaard.