Herstel eurozone schuift naar 2006

Economisch herstel gloort voor de eurozone, zo stelt de OESO. Maar erg vertrouwenwekkend is de halfjaarlijkse Economic Outlook van de organisatie niet.

Zijn we er al, zeuren de kinderen op de achterbank. We zijn er bijna, zegt moeder OESO van achter het stuur. Wat kan zij anders? In ieder geval niet zeggen dat het eigenlijk nog best ver is, dat economische herstel. En dat ze ook nog moet tanken en misschien niet genoeg geld heeft voor benzine.

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bracht vanmorgen de halfjaarlijkse Economic Outlook uit. Het is een van de eerste officiële prognoses voor de wereldeconomie die tot en met 2006 reiken. De diagnose is er een van een `expansie die tegenwicht ontmoet'. In het kort komt de schets van de huidige situatie er in de woorden van OESO-econoom Jean-Philip Cotis op neer dat de Verenigde Staten nog steeds opstomen, dat Oost-Azië wat terugvalt na een heftige expansie, en dat Europa voortmoddert. Wat opvallend is volgens Cotis, is dat huishoudens ondanks de verschillende situatie waarin zij zich bevinden, overal in het OESO-gebied – dat reikt van Zuid-Korea tot Noorwegen – onzeker zijn. Dit hardnekkige gevoel van onzekerheid is zelfs `besmettelijk'. Want ook het vertrouwen van bedrijven is ondanks een recordgroei van de wereldhandel in 2004 aan het eroderen. En dat heeft weer tot gevolg dat de economische groei in de eerstvolgende kwartalen zou kunnen tegenvallen.

2004 is tot nu toe voor de wereldeconomie een topjaar. Dat Europa daar weinig van merkt onderstreept het dalende gewicht van de Oude Wereld in de mondiale economie. 2005 wordt minder, en dat ligt vooral aan een terugval van de economische groei in de Verenigde Staten en Japan. Maar in 2006 wint de expansie weer aan kracht. Waar de OESO die prognose op baseert is onduidelijk. Dat geldt overigens ook voor andere prognoses van bijvoorbeeld het Internationaal Monetair Fonds. De economische modellen die zij gebruiken zijn gewoonlijk geënt op een terugkeer van de economie naar de zogenoemde potentiële economische groei op de lange termijn. Die potentiële groei is de expansie die een economie op de lange termijn zou moeten doormaken.

Is de prognose er op de korte termijn één van terugval, dan zal in de jaren daarna altijd een opleving worden ingetekend. Als de terugval al een tijdje aan de gang is, dan zal er zelfs een bovengemiddelde groei worden ingetekendd, om de `schade' ten opzichte van de potentiële groei in te halen.

Of dat, zeker in het geval van Europa, ook daadwerkelijk zo zal zijn, valt te bezien. De OESO ziet de eurozone dit jaar groeien met 1,8 procent, in 2005 met 1,9 procent en in 2006 met 2,5 procent. Dat is iets hoger dan de potientiële groei van rond 2,25 procent die door de meeste instituten wordt gehanteerd.

Eigenlijk staat het modelmatig dus al vast dat Europa herstelt. Het lastige is om vervolgens in te vullen hoe dat dan zal plaatsvinden. De eurozone heeft wat dat betreft het tij tegen. De olieprijs is, zo stelt de OESO, weer wat gezakt ten opzichte van de recordhoogte van 50 dollar of meer van de vorige maand. In een apart hoofdstuk stelt de OESO terecht dat de olie-onafhankelijkheid van mt name Europa sterk is afgenomen, en een prijspiek van olie niet meer de majeure gevolgen heeft van in de jaren zeventig en vroege jaren tachtig. Daar staat tegenover dat de koers van de euro fors oploopt, waarmee Europa disproportioneel wordt getroffen.

Hoe moet de eurozone aan de verwachtingen van een herstel richting 2006 voldoen? De OESO geeft zelf toe dat dit lastig zal zijn. De groei van de wereldhandel versnelt niet, en economie van de andere OESO-gebieden in Noord-Amerika en Azië herstelt in 2006 weliswaar van een dipj in 2005, maar helpt weinig. Van de externe vraag zal de eurozone het dus niet moeten hebben. Noodzakelijkerwijs zal dus de binnenlandse vraag in Europa moeten opleven om het economisch herstel waar te maken.

Wat voor de eurozone geldt, gaat in versterkte mate op voor Nederland. De OESO voorziet voor Nederland 1,2 procent groei in 2004, eveneens 1,2 procent in 2005 om daarna pas een terugkeer te zien naar een groei van 2,4 procent in 2006. Die 2,4 procent is rond de potentiële groei die ons land gewoonlijk wordt toegedicht. De voorziene opleving voor 2006 wordt nog lastig, aangezien de binnenlandse consumptie dit jaar volgens de zelfde prognoses met maar 0,1 procent toeneemt, volgende jaar met een magere 0,2 procent en in 2006 met 1,7 procent. De netto-export voegt dit jaar nog 1,1 procentpunt aan de economische groei toe, maar dat neemt af tot 0 procentpunt in 2005 en 0,5 procentpunt in 2006.

Wat de OESO-projectie van een opleving in 2006 redt redt is een stijging van de investeringen met 3,1 procent in dat jaar. Die zal er dan daadwerkelijk moeten komen, en dat hangt vooral af van behoud van het vertrouwen bij bedrijven. We zijn er kortom, om bij de achterbank terug te keren, bijna.

Maar nog niet helemaal.