Lang

Opeens bevond ik me afgelopen zaterdag louter tussen mensen naar wie ik moest opkijken – een nuttige oefening in nederigheid. Ik kan doorgaans neerkijken op mensen, wat hovaardiger klinkt dan ik het bedoel. Ik ben namelijk 1.92 meter lang, een lengte die me, helaas alleen in fysieke zin, doet uittorenen boven de meeste mensen.

Dankzij mijn lengte kon ik in Amersfoort onopvallend deelnemen aan de jaardag van de Klub Lange Mensen, een landelijke vereniging die de belangen behartigt van lange mensen in Nederland. Ik was er een van de kleinere mensen, alleen met de vrouwen kon ik me goed meten.

Om tot de Klub toegelaten te worden, moet je als man boven de 1.90 m. zijn en als vrouw boven de 1.80 m. Dat zijn Europese richtlijnen die voor de lange Nederlanders eigenlijk te mild zijn. Bij de Klub vinden ze dat 2.00 m. voor mannen en 1.85 m. voor vrouwen betere grenzen zouden zijn. ,,Omdat de lengte dan onhandig wordt'', zegt voorzitter Paul van Sprundel (2.10 m.). Hij spreekt liever niet van `problemen'.

Toch ervaren veel lange mensen hun lengte wel degelijk als een probleem, zeker in het eerste deel van hun leven. Pas nu ik me onder deze mensen begaf, besefte ik dat mijn leven heel anders zou zijn geweest als ik een centimeter of acht langer was geworden. In die acht centimeter zit een wereld van onderscheid – over die grens beginnen de pesterijen op school, de opmerkingen op straat, de ongegeneerde nieuwsgierigheid in uitgaansgelegenheden.

Ik heb daar nooit last van gehad, alleen op een reis in het Verre Oosten merkte ik soms dat de mensen me met stomme verbazing bekeken, maar dat kan ook aan mijn korte broek hebben gelegen.

Lang zijn heb ik altijd nogal gemakkelijk gevonden. Ik hoef bij bijeenkomsten nooit op tijd te komen, want ik kan toch wel wat zien, en straatrovers zullen me minder snel aanpakken omdat ze vermoeden dat ik sterk ben (dit vermoeden is geheel terecht, straatrovers). Alleen in oude theaters heb ik het moeilijk vanwege de geringe beenruimte.

Of de lichaamslengte ook in erotische zin voordelen heeft, laat zich moeilijk beoordelen. Vrouwen vallen eerder op lange mannen, zegt men wel, maar ik heb te veel mooie vrouwen met te veel kleine opdonders gezien om dit te kunnen bevestigen. Voor lange vrouwen lijkt het verkeer tussen de seksen me zelfs helemaal niet zo gemakkelijk.

Jan Loorbach, ex-basketballer en later prominent sportbestuurder, vertelde op de jaardag hoe hij met zijn reusachtige lengte – 2.17 m. – had leren omgaan. Hij had veel geluk gehad, vond hij achteraf. Hij kon goed leren en had verstandige ouders die hem stimuleerden om de buitenwereld op te zoeken. Later kon hij veel zelfvertrouwen ontlenen aan zijn talent als basketballer.

Nu hij ouder is, krijgt hij op straat ook geen vervelende opmerkingen meer naar zijn hoofd geslingerd. Maar de jongeren hebben daar nog altijd mee te maken, al verschilt het sterk per locatie. In grote steden is men toleranter, of onverschilliger, dan in provinciesteden.

Dit alles gehoord hebbend, verhief ik mij in volle lengte en aanvaardde onbekommerd de terugreis.